Christelijke organisaties in discussie
1980-12-05
Het boek met bovengenoemde titel is een uitgave van Boekencentrum B.V., 's-Gravenhage - 1979. Het is tevens tot stand gekomen onder redactie van de Vereniging van Christelijke Studenten te Amsterdam.- Jaargang 24
- nummer 46
Binnen de 143 pagina's die dit boekje telt komen de volgende schrijvers aan het woord, ook in de volgende orde: dr C. Rijnsdorp, dr J. Klampwijk, prof. dr P. J. Roscam Abbing, G. A. Kieft, R. Zuurmond en H. A. de Boer.
Rijnsdorp leidt in met een korte schets over het begin van christelijke organisaties tijdens het Reveil, en hun latere expansie onder Kuyper. 'Duidelijk is de verschuiving van het polemisch-
restauratieve aan het begin, naar het polemisch-expansieve sinds Kuyper' (p. 10).
Rijnsdorp licht dit woord 'polemisch' toe als: gericht tegen 'de geest der eeuw' of de Verlichting. 'Bilderdijk en Da Costa wilden achter de franse revolutie teruggaan. Men noemt ze contra-revolutionair' (p. 1).
In de ene zin die Rijnsdorp over Groen van Prinsterer meldt, wordt niet gezegd dat Groen zich bewust . anti-revolutionair noemde, eerder dan contra. Met name: Groen wilde meer dan een restauratie. Het was beter als Rijnsdorp hier wat van had verteld voordat hij overging naar Kuyper.
Van Kuyper wordt gezegd: 'En dan is het Kuypers neo-calvinisme, waarin de gedachte van de "algemene genade"
de gehele cultuurwereld opent voor christelijke actie' (p. 9). Ook: 'Bij Abraham Kuyper breekt de emanoipatiedrang, in nauwe verbondenheid met het calv!nistisch beginsel, min of meer explosief uit' (p. 13).
Rijnsdorp blijft om deze twee polen draaien. Aan de ene kant zijn christelijke organisaties de vrucht van een calvinistische levensbeschouwing; aan de andere kant hebben ze ook te maken met de z.g. emancipatie van de gereformeerden. Nu kregen de kleine luyden een kans. Maar na enige tijd van bloei, werden christelijke organisaties een grote vanzelfsprekendheid.
Wij worden dus bij het beginartikel van dit boekje voor de vraag gesteld: zijn christelijke organisaties werkelijk een vrucht van beginselvastheid - of zijn ze net zoveel een stuk gereformeerde emancipatie, en dds enigszins opportunistisch?
Het tweede artikel, door Klapwijk, gaat hier wat uitvoeriger op in. Ik citeer eerst het slot van Rijnsdorp's artikel: 'Strikt genomen kunnen alleen mensen christen zijn en in hun beste ogenblikken christelijk, dat wil zeggen in de geest van Christus, handelen.
Structuren kunnen door christenen worden gevormd, met christelijke bedoelingen, maar in zichzelf kan geen structuur ter wereld christelijk heten. Bovendien is de christen een tweemens: iutus et peccator inéén (rechtvaardige en zondaar, F.S.) Dat zal ook uit zijn handelingen blijken.
Een christelijke school of partij kan in en uit zichzelf nooit christelijk zijn, al heet ze zo, indien ze niet gedragen wordt door christelijke persoonlijkheden.
Het christelijke laat zich als zodanig niet organiseren.
Maar wat wel mogelijk en mijns inziens nodig is, dat is de nodige ruimte en openheid te scheppen, een DOMEIN waar het mogelijk is te trachten de christelijke intenties te realiseren.
Als men het christelijke ziet als een gezond engagement, zie ik niet in waarom het zijn plaats niet zou kunnen behouden te midden van de talrijke andere geëngageerde organisaties, en waarom de regering van een pluralistische samenleving aan het christelijke engagement niet de hem toekomende plaats en vrijheid van handelen zou blijven toekennen' .. (p. 19).
Duidelijk waarschuwt Rijnsdorp tegen de vanzelfsprekendheid. Zonder christelijke persoonlijkheid, kunnen we geen christelijke organisaties oprichten en blijven inrichten op een christelijke wijze.
Verder, Rijnsdorp ziet niet in dat structuren christelijk kunnen heten, althans, geen structuur ter wereld, in zichzelf. Dat blijft zo: christelijke personen zijn hier onmisbaar. Maar het is ook goed te onderstrepen dat een werkelijke christelijke inbreng in het onderwijs, de politiek, het verzorgingswerk enz., meer vraagt dan een christelijke persoonlijkheid (nog eens: hoe onmisbaar!). Structuren kunnen dienstig zijn, of een hindernis vormen voor het realiseren van christelijke doelstellingen.
De ruimte, openheid, vrijheid, enz. hebben juist wat structuren nodig.
Terugkeren naar het probleem van de motivatie, en de spanning tussen beginsel en emancipatie, is het Klapwijk die het meest volledig hierop in gaat.
Hij noemt en taxeert acht motieven: het verlegenheidsmotief, het pro Regemotief, het patrimonium-motief, het herkersteningsmotief, het antithesemotief, het beginsel-motief, het mondigheids-
motief, en het emancipatiemotief.
Zonder dat we proberen volledig te zijn willen we deze motieven toelichten.
Eerst merk ik op dat het al een grote winst is om de verscheidenheid van mogelijke motivaties onder ogen te hebben. Dit alIes vormt een goede bescherming tegen de aanval van hen die zoveel willen laten opgaan onder het motief van emancipatie van de gereformeerden. Als dat het belangrijkste element was, zouden we beschaamd staan. Maar alles te willen terugleiden tot maar een motief is zeer oppervlakkig - een herinterpretatie van de geschiedenis naar eigen smaak!
Ik ben blij· met deze inbreng van Klapwijk.
Onder het verlegenheidsmotief, verstaat Klapwijk dat de mensen van het Reveil overgingen tot eigen organisaties uit nood, en niet omdat er een bepaalde strategie achter zat. Zelfs wanneer bij Kuyper het woord van Groen, 'in het isolement onze kracht', tot een vol programma uitgebouwd werd, is de nood een van de diepste motivaties gebleven. Immers, men kan moeilijk christelijke principes echt ontplooien waar het christelijk geloof stelselmatig ontkent wordt of ontkracht wordt door de privatisering van geloof door een neutraliteitsdeaaI.
Het tweede motief herinnert aan het werk van Kuyper met dezelfde titel: Pro Rege - voor Koning Jezus!
'Christelijke organisaties noemt Kuyper een "instrument, waarvan de Christus zich bedient, om zijn Koningschap over de Maatschappij te handhaven".' (p. 28). Klapwijk's korte toelichting hierop is lezenswaardig en ik laat dat aan belangstellenden over. Wel blijft de vraag, zegt hij, 'of het pro Rege-motief en eventueel andere motieven noodzakelijkerwijs moeten leiden tot een christelijke organisatiestructuur' (p. 30).
Als een derde motief noemt hij het patrimonium-motief. Hiermee wordt bedoelt dat het calvinistische volksdeel aanspraak, wilde maken op het patrimonium (vaderlijk erfdeel) welk het liberalisme onder invloed van de Franse Revolutie dreigde over te nemen.
Klapwijk ziet hier in dit motief gevaar van christelijk-romantiek t.a.v. het verleden. Zonder dit gevaar te ontkennen, merk ik tevens op dat Groen een wezenlijke dienst heeft verricht door de vinger te leggen op een kwaal van het revolutionaire denken: de radicale breuk met het verleden!
Dat is dus het andere uiterste: toekomst-romantiek!
Klapwijk onderscheidt verder het herkersteningsmotief. Men wil de christelijke organisaties gebruiken om de samenleving te kerstenen en de medemens te bekeren. Het gaat om het belang der natie. Zo vermeldt Klapwijk dat R. Schippers de christelijke organisaties eens heeft betiteld als tekenen van solidariteit met de wereld.
T.a.v. dit motief schrijft Klapwijk, 'In deze gedrevenheid door het evangelie en in het vertrouwen op haar wervende kracht hebben de neocalvinisten zich, naar mijn gevoelen, in vele gevallen van hun beste zijde laten zien. Hierin waren ze ook eensgeestes met het réveil' (p. 35).
Voorts bespreekt hij het antithesemotief.
Dit noemt hij vaak zo overtuigend voor de aanhangers en zo afstotend voor de tegenstanders (e.g. de doorbraakbeweging). Antithese is grieks voor 'tegenstelling'. En waartussen?
'Oriënteren we ons aan. Kuyper', schrijft Klapwijk, 'dan lijkt het in eerste instantie te gaan om een tegenstelling tussen tweeërlei standpunt, tweeërlei geloof, tweeërlei levensovertuiging, die van de "normalisten" en de "abnormalisten". Normalisten zijn volgens Kuyper zij die deze wereld normaal noemen en aangewezen op eigen kracht, die geen weet willen hebben van haar verdorvenheid en haar behoefte aan verlossing.
Abnormalisten zijn diegenen die deze wereld kennen als verdorven door de zonde en aangewezen op Christus.' (p. 35).
Er is dan sprake van 'tweererlei mensen', wedergeborenen en niet-wedergeborenen.
Wie in Christus is ondergaat verandering in het zijn en in het bewustzijn. Aparte christelijke organisaties zijn dan strijdorganisaties geworden, tegen de heerschappij van de Boze. 'De kracht van Kuypers betoog schuilt m.i. hierin, dat de bijbel metterdaad een antithese leert tussen het Rijk van God en, wat genoemd wordt het rijk der duisternis' (p. 36). Toch moeten we op onze hoede zijn voor zwart-wit schematisering. Er wordt 'zowel gesproken van "het geheimenis van het Koninkrijk Gods" (Mar. 4 : 11) als ook van "het geheimenis der wetteloosheid" (2 Thess. 2 :'7).
We krijgen m.a.w. deze frontvorming niet in het vizier, deze vijandschap niet in de vingers. Dus laat de antithese zich in deze wereld ook niet organiseren' (p. -37). Verder: 'Omdat de antithese dwars door het hart van de gelovigen, dwars door de muren van de kerk en dwars dpor de fronten van alle mogelijke christelijke en minder christelijke organisaties heenloopt,' moeten we hier zeer voorzichtig zijn.
Klapwijk erkent het antithese-motief maar waarschuwt terecht dat een christelijke organisatie moet geen doel in zichzelf zijn, maar middel - anders is het duidelijk 'dat zelfingenomenheid en groepsegoïsme op de loer liggen. De parade van de mannenbroeders kan beginnen' (p. 28).
Als een zesde motivatie noemt hij het beginsel-motief. Kuyper stelde de soevereiniteit Gods en daarin samenhangende christelijk politieke beginselen tegenover de leer van de volkssoevereiniteit op het terrein van de staatkunde.
Het gevaar echter is dat 'historisch bepaalde richtlijnen worden gecanoniseerd tot eeuwige beginselen' (p. 39). Men kan veel te snel over 'eeuwige beginselen', 'scheppingsordeningen' of 'ordinantiën Gods' spreken.
Dat hebben we tegenwoordig meer in de gaten. Maar ik zou ook willen zeggen: men kan ook te snel Gods inzettingen en verordeningen van de tafel vegen - dat is zeker de neiging van deze tijd!
Ik laat nu de rest van Klapwijks artikel aan u over, en ik blader door tot een artikel beginnend op pagina 108 door ds R. Zuurmond, studentenpredikant te Delft. Tevens betrokken bij de beweging Christenen voor het Socialisme.
Het artikel van ds Zuurmond springt uit, vergeleken met de andere artikelen in dit boekje. Wij kunnen niet zeggen dat hij meer kritisch is, want anderen hebben geen blad voor de mond genomen - maar Zuurmond staat het meest afwijzend tegenover christelijke organisaties.
Hij begint ongeveer met het citeren wat zeven Amsterdamse predikanten, waaronder K. H. Miskotte, K. H. Kroon en J. J. Buskes jr., bij hun toetreding tot de S.D.A.P. in 1945 schreven: 'Het is onze overtuiging, dat aan Kerk en volk een grote dienst zou bewezen zijn, indien de antitthesegedachte, die de Kerk vervreemdt van de zakelijke verhoudingen der werkelijkheid en het volk verre houdt van het 'vertrouwen in de bovenpartijdige strekking van het Evangeliebediening, in den politieken strijd werd prijsgegeven.
Het is nu de tijd, dat wij samenwerken op grond van een concreet plan, dat niet de pretentie heeft eeuwige beginselen te realiseren en dat niet utopisch of idealistisch naar uiterste verten streeft' (p. 109).
Zuurmond stemt er mee in dat confessionele organisaties meer met idealen werken dan met werkelijkheden.
Ze laten zich verideologiseren. Concrete verwijten van Zuurmond tegen de confessionelen van na de oorlog, zijn de grof kapitalistische verdediging van de koloniale belangen in Indonesië, en een redeloos anticommunisme.
Nu lijkt dit een oversimplificering van beide zaken - maar we willen daarmee niet ontkennen dat confessionelen zich al te vaak door de eigen tijd mee laten slepen. Overigens ben ik blij dat Zuurmond het over 'redeloos' anti-communisme heeft. Ik mag aannemen dat hij open staat voor een 'redelijk' anti-communisme: i.e. het afwijzen van het communisme na een toetsing van haar doelstellingen, methodes en daadwerkelijk optreden. Ik mag dit zeggen, zonder het 'grof kapitalisme' te willen steunen.
Nu schrijft Zuurmond onder een subtitel 'Historische benadering', precies waar het zijns inzicht om gaat bij het toetsen van christelijke organisaties.
We dienen goed te luisteren. Hij zegt: 'Of we het raadzaam achten mee te doen aan christelijke partijen, vakbonden, scholen of andere verenigingen, moet afhangen van de concrete rol die deze organisaties spelen, niet van hun idealen of beginselen' (p. 113).
Dat is heldere taal. -Nu willen we ook niet ontkennen dat dit zeer fundamenteel is. Maar ook Zuurmond kan' weten dat dit niet het hele verhaal is.
Wie op de praktijk let, en niet op beginselen, kan verward raken in allerlei vormen van pragmatisme en opportunisme - en houdt zich alleen bezig met de oppervlakte 'van de maatschappelijke vragen. De besten van de confessionelen hebben met vele praktische vragen werkelijk geworsteld - zowel als met beginselen.
Want ze wilden geen 'stuk- en lapwerk' verrichten (Groen van Prinsterer).
En was het trouwens ook niet Groen die zei dat we niet bij bespiegeling mogen blijven, maar we moeten overgaan tot beoefening van de daad? Toch wist dezelfde Groen dat er niets meer praktisch is dan een goede analyse van de geschiedenis, niets meer praktisch dan goede theorie, of goede beginselen.
We mogen echter naar ds Zuurmond luisteren. In de na-oorlogse gesprekken werd er vooral gewezen 'op de zedelijkheidswetgeving en op zaken als de zondagsrust; zonder overigens één seconde na te denken over de maatschappelijke oorzaken van al die "onzedelijkheid" en het verdwijnen van de rust op alle dagen van de week .. .' (p. 111). Men moest dus veel meer over de praktische politiek en over de machtsverhoudingen praten en verandering zoeken.
Nu hebben de confessionelen ook wat geleerd van de socialisten. Alleen, het blijft zo: we zijn niet zo idealistisch om te menen dat maatschappelijke oorzaken en machtsverhoudingen de enige sleutel zijn tot een oplossing van het kwaad. Ook bij anderen (die dus
ook ten diepste een confessie hebben) schijnt een bepaalde mens en wereldidee (visie) aan de 'werkelijkheid' vooraf te gaan!! En: wie niet op beginselen let, kan niet verder komen dan stuk- en lapwerk.
Voorts schrijft ds Zuurmond over de veranderde rol van christelijke organisaties.
Zo merkt hij progressieve en konservatieve fasen op in de honderdjarige A.R.P., en bij het dagblad Trouw. Afgezien van de vraag dat die woorden altijd een vulling moeten hebben - immers niet alles wat progressief heet is een ware vooruitgang - is zijn analyse to the point: 'Wat moeten we op het niveau van de praxis dan over christelijke politiek, christelijke pers of christelijke verenigingen zeggen? Het woord 'christelijk' dekt kennelijk geen historische identiteit' (p. 114).
We weten dat de geschiedenis van de christenheid inderdaad allerlei pluralisatie toont, en ook variatie naar goed en kwaad. Bij de eerste spelen kultuur en historisch tijdperk een geweldige rol; bij de tweede ook, maar daarboven een al of niet gehoorzaam (willen) zijn aan de wil van de Here. Ik vind dat Zuurmond te ver gaat met de bewering dat het woord 'christelijk' geen historische identiteit dekt. Er zijn principes en kenmerken die blijvenof althans steeds terugkeren bij herbeziening.
Toegegeven wordt dat de praktijk nooit homogeen is - ja, en vaak de koers kwijt raakt. Os Zuurmonds vraag is klemmend: wat moeten we als er geen kontinuïteit bestaat onder het woord 'christelijk'?
Vindt hij geen vaste identiteit in de praxis van christelijke organisaties, dan geldt dat zijns inzicht ook voor 'de ideologie' daarvan. Hij zegt dat het beginsel van de Antirevolutionairen was de godssoevereiniteit in oppositie tot de volkssoevereiniteit. Maar deze positie wordt 1800 gedraaid wanneer christenen meedoen aan een demokratie.
'Dat is in het moderne C.D.A. dan ook het geval. Praktisch belijdt men daar thans de volkssoevereiniteit' (p. 116).
Het komt er op aan wat we onder demokratie verstaan. Groen, b.v., stelde volksinvloed op prijs, maar niet volkssoevereiniteit in de volle zin van het woord. Zuurmond heeft gelijk als hij schrijft dat de godssoevereiniteit op gespannen voet staat met de demokratie - als demokratie betekent volkssoevereiniteit. Christenen hebben nooit gedacht dat de meerderheid de waarheid kan uitmaken. We willen echter volksinvloed, en een pluralistische maatschappij. We kunnen tenslotte niet meer doen dan oproepen dat de overheid God gehoorzamen moet. Ik vrees dat Zuurmond de begrippen niet goed onderscheidt - al moet het C.D.A. zijn kritiek ter harte nemen!
Ook moet ik kwijt: laten degenen die zo met het begrip ideologie zwaaien, niet doen alsof hun eigen standpunt ideologie-vrij is. Maar laten de christelijke organisaties dan ook op dit punt zelfkritisch zijn.
Zuurmond meent de dubbelzinnigheid van beide - praxis en beginsel van de christelijke organisaties - blootgelegd te hebben; hij probeert door te prikken tot de kern: 'Het zijn in feite emancipatie-instituten van de beweging der kleine luyden' (p. 117). Ze hebben hun directe doel overleefd en zijn nu bezig met een aanpassing aan de bestaande werkelijkheid.
Ik meen dat Klapwijk heeft aangetoond dat er veel meer in geding was en is dan emancipatie. De mening van Zuurmond is een typisch uitvloeisel van sociologisme. Hij heeft de werkelijkheid herleidt op een simplistische wijze en naar eigen smaak tot één hoofdmotief. De 'bovenbouw' moet op marxistische wijze begrepen worden in termen van de machtsverhoudingen - en heeft geen andere betekenis!!
Ik huiver voor zulke ongenuanceerde 'verschralingen.
Tenslotte zegt Zuurmond dat de theologie van confessionele organisaties God zoekt in idealen eerder dan in de werkelijke geschiedenis. Afgezien van het feit dat er meer achter staat dan theologie - met name: ook een filosofische sociale analyse - zou ik dan willen vragen wat ds Zuurmond denkt van het herhaalde woord van Groen: er is geschied? Wie heeft de sleutel tot de geschiedenis? En ook als Zuurmond een beroep doet op de Bijbel (p. 125), moeten we opmerken dat Groen wist te zeggen: er staat geschreven.
Ik bedoel: de confessionelen hebben ook naar beide, Schrift en 'geschiedenis, gekeken. Zuurmond zal hun analyse en conclusie niet kunnen delen, maar laten we dan anderen niet voor idealisten uitmaken, terwijl een ieder van ons zijn beginselen niet alleen van de werkelijkheid probeert te lenen, maar onherroepelijk op de werkelijkheid wil leggen en toepassen.
Laten we elkaar vinden in zijn vóórlaatste zinsnede: tegen iedere verideologisering moet gewaakt worden.
En ideologie hier betekent wat anders dan beginselen.
Wegens de lengte laat ik de overige artikelen zitten. Wel bieden ze een belangrijke bijdrage tot de discussie.
Ik hoop dat dit boekje een ware winst zal zijn voor de discussie en de praktijk rondom de taak van de christen in de maatschappij.