Van existentialisme naar narcisme?

1980-12-12
  • Jaargang 24
  • nummer 47
Enige weken geleden heeft de heer Milo een artikel gewijd aan het boek van Maarten 't Hart "Het vrome volk". Ik wilde dit keer een poging wagen om Maarten 't Hart iets breder te bespreken - u heeft dus in het artikel van Milo een goede aanloop gekregen.
Maarten 't Hart is geboren omstreeks 1944 even buiten Maassluis in een gereformeerd gezin. Net als vele andere schrijvers en dichters in ons land heeft hij zijn gereformeerde - en christelijke? - verleden afgezworen om nu al schrijvend met zichzelf en zijn eigen ervaringen klaar te komen. Dat blijkt uit zijn stijl Al zijn boeken zijn geschreven in de ik-vorm. Dat betekent niet dat de hoofdpersoon van zijn boeken altijd identiek is' aan Maarten 't Hart zelf. In "Een vlucht regenwulpen"
is de hoofdpersoon een 30-jarige professor in de biologie, die nog niet getrouwd is, maar in "Droomkoningin" is de hoofdpersoon een ongeveer 30-jarige student in de muziek, die al wel getrouwd is.
Toch legt Maarten 't Hart in beide gevallen zichzelf in deze hoofdpersonen.
Deze brengen tot uitdrukking wat er aan ervaringen en gevoelens in hem zelf leven. Op dit punt: de stijl van de ik-vorm staat Maarten 't Hart helemaal in de lijn van een na-oorlogse traditie. Op andere punten wijken zijn boeken er toch ook weer van af. Over beiden wil ik iets schrijven in deze artikelen.
Ik doe dit niet als kenner van litteratuur, maar meer als iemand die geïnteresseerd is in het moderne levensgevoel en hoe dat in .
Maarten 't Hart's boeken tot uitdrukking komt. Met enige welwillendheid zal de lezer ook zulke artikelen wel willen accepteren in de rubriek 'Kerkelijk leven'.
Maarten 't Hart beweegt zich met zijn romans geheel in de traditie van de na-oorlogse roman.
Deze traditie is in zekere zin ingeluid door de kritiek van de bekende schrijver/filosoof Jean Paul Sartre op de voor-oorlogse romans oude stijl toen hij van het voor-oorlogse romanschrijven zei: het is "jouet à Dieu le Pere". Zij spelen God de Vader.
De romanschrijver zelf neemt als het ware de plaats in van de voorzienigheid - want hij leidt de geschiedenis van zijn hoofdpersoon: hij bedenkt de intrigue en zorgt voor de ontknoping.

Maar klopt deze roman-werkelijkheid wel met het echte leven? De literatuur na de tweede wereldoorlog ontkent dit in alle toonaarden.
Volgens het leerboek voor de middelbare scholen van H. J. M. F. Lodewick kan de traditionele roman van vóór 1940 omschreven worden als: "een uitgebreid verhaalgeheel waar, temidden van veelheid van personen, zich een verwikkeld gebeuren geleidelijk naar een hoogtepunt beweegt en waarin de romanfiguren handelen naar hun, zich ontwikkelend, psychologisch patroon" (blz. 373). Deze traditionele roman "vormt een afgerond geheel, heeft een logisch begin, en een afsluitend "bevredigend" eind, dat als katharsis fungeert: het "verzoent" de lezer met juist dié afloop." (blz. 374). Kortom: de vroegere roman is de uitbeelding van een "zinvolle" wereld.
In de roman wordt een door de schrijver gevonden of gehoopte betekenis tot uitdrukking gebracht. Er is zin, er is betekenis - ze ligt niet zomaar voor het grijpen, maar ze wordt ons door de auteur van de roman aangereikt in de vorm van een verhaal.
Op deze romankunst oude stijl die intussen nog steeds beoefend wordt - is na de oorlog in de hoofdstroom van de litteraire ontwikkeling een grote verandering gekomen, die ten nauwste samenhangt met het na-oorlogse levensgevoel. Mede door de ervaringen opgedaan in de 2e wereldoorlog had men een sterk besef dat er geen zin in de dingen en gebeurtenissen te vinden is: er wordt dan ook veel nadruk gelegd op het 'absurde van het leven, de zinloosheid van de gebeurtenissen, de afwezigheid van God.
Lodewick vat dit na-oorlogse levensgevoel samen in een achttal punten:
1. weinig eerbied voor de traditie en het wegvallen van overgeleverde zekerheden.
2. het loslaten van overgeleverde kunstvormen - wantrouwen tegenover de oude romanvorm enz.
3 een lijden aan existentiële eenzaamheid de communicatie wordt een probleem.
4. een zich-geëngageerd weten: meer dan vroeger voelt men Zich verbonden met het wereldgebeuren en het lot van de medemens.
5. het op de voorgrond plaatsen van erotiek en sexualiteit meestal als reactie op het vooroorlogse victoriaanse preutse tijdperk.
6. een niet terugdeinzen voor het schokkende detail (bijv. beschrijvingen van bestialiteit).
7. een aanvaarden van de absurditeit in het menselijk leven: niet alles staat in een causaal verband: er gebeuren duizenden-één dingen, die niet verklaarbeer, niet voorspelbaar, die absurd zijn en het zijn soms juist die absurde dingen, die het leven blijken te bepalen.
8. de zwarte humor. Zoals in het verhaal van de moeder, toen die tegen haar zoontje zegt: Als je nu niet rustig bent, spijker ik je andere handje ook vast" (blz. 352).
Iedereen zal met weinig moeite deze kenmerken van het na-oorlogse levensgevoel in de boeken van Harry Mulisch, W. F. Hermans, G.K. van het Reve en Jan Wolkers terugherkennen.
Toch vraag ik uw speciale aandacht voor het zevende punt uit Lodewiek's opsomming. Het levensgevoel, dat daar wordt getypeerd heeft Sartre tot de cynische uitspraak gebracht dat de voor-oorlogse romanschrijvers God de Vader speelden.
Zij geloofden in een zin-samenhang, en brachten die tot uitdrukking.
Sartre verwerpt dit. Dit leidt tot een andere soort romankunst, nl.

a. de roman als spiegel. In de roman herken ik mijn eigen gezicht.
Daarom schrijft men in de ik-vorm. Sartre's eigen boek 'Walging' is er een voorbeeld van en het bekende boek van Camus 'De vreemdeling'. In deze romans vinden wij geen speciaal begin, en ook geen einde of ontknoping - het boek eindigt abrupt, zoals het begon.
Wat erin wordt uitgedrukt is het levensgevoel van de schrijver, die zelf "bespeeld lijkt door uiterlijke en innerlijke gebeurtenissen" (Lodewick a.w. 375), die niet onderscheidt tussen reële en niet-reële gebeurtenissen, bewuste of onbewuste gevoelens.
Het gaat er alleen om dat de lezer zich herkent in dit onbegrepen absurde levensgevoel.

b. de roman als experiment.
Hier wordt niet de binnenwereld van de schrijver tot uitdrukking gebracht, maar een gefragmenteerde beschrijving van de buitenwereld gegeven. Het analyseert niet gevoelens, al roept het die wel op. Waar het deze schrijvers om gaat is een buitenwereld te beschrijven, die niet samenhangt en die in brokstukken op mij afkomt: surrealistisch - of geheel fragmentarisch Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de 'nouveau roman' en haar voorlopers in Frankrijk. In de film 'Marienbad' is één van deze romans (nl. van Robbe-Grillet) verfilmd. Deze romans vertolken de volheid van een lege tijd, zo zegt Prof. dr S. Dresden in het boekje 'Moderne litteratuur', blz. 71 e.v.: de volheid van' een heden, dat in zichzelf ronddraait en steeds maar weer heden blijft. De geschiedenis is er verloren gegaan.
Na deze inleiding weer terug naar Maarten 't Hart. Zijn romans liggen in de lijn van punt a. Ook bij hem is een hoofdthema het probleem van de voorzienigheid van God.

In "Een vlucht regenwulpen" beschrijft hij hoe zijn moeder aan keelkanker lijdt. Als dan een paar ouderlingen op bezoek zijn geweest en haar met enkele vrome gemeenplaatsen uit de bijbel hebben geprobeerd te vertroosten wijst hij na een razende driftaanval op de beide ouderlingen naar buiten: "Terwijl ik zo buiten loop weet ik plotseling zeker, ja met die onwrikbare zekerheid waarover Calvinisten altijd praten, dat het Christendom bedrog is, ja dat het hele leven een lafhartige leugen is en dat ergens ver weg in het heelal god nu satanisch lacht om mijn verdriet, de god van zondag 10 die met vaderlijke hand mijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, een voorsmaak van het lijden in de hel.

Zo is god, de god van de Heidelbergse catechismus, de god, die mensen zo intens haat, dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden ... " blz. 79.
Gelukkig schrijft 't Hart hier over god met een kleine letter.
Een andere reden waarom hij schrijft het geloof in God verloren te hebben is het idee dat er mensen zijn, die verloren gaan.
In "De aansprekers" heeft hij er een fel gesprek over met zijn vader.
Als deze zegt dat wij allen zondaars zijn - en dus allemaal verloren, antwoordt de hoofdpersoon: "Klets. Onzin. Ik heb nog nooit in mijn leven aardiger en rechtschapener mensen ontmoet dan mijn schoonouders en toch gaan die naar de hel volgens... volgens... 'Ik kon van woede niet meer uit mijn woorden komen.' "Zeker, die gaan naar de hel als ze zich niet bekeren."

"Als ze zich niet bekeren", zei ik giftig, "als Hitler zich nog bekeerd heeft, vlak nadat hij zichzelf overgoot met benzine en in brand stak, als hij nog heeft gestameld: Jezus, ontferm u mijner, gaat hij nog naar de hemel en al de joden, die hij vergast heest en die Jezus niet erkenden als de verlosser gaan volgens ... volgens ...
Nee. .. schreeuwde mijn vader, nee, voor zo iemand als Hitler kan geen vergeving bestaan, nooit niet, nee, dat kan niet." (blz. 81) Ook hier heeft Maarten 't Hart ruimte bewaard voor onzekerheid, door steeds als hij volgens ... volgens... zegt in zijn woorden te stikken.
De enige vraag echter waarop het aankwam - naar Maarten 't Hart's eigen zeggen was de vraag: was Jezus inderdaad de zoon van een bestaande God?
"In het Kerkblad van mijn oom en tante las ik dat de schrijver van de mosgroene banden (bedoeld is prof. Berkouwer, W.G.R.) in een kerkje in een naburig dorp zou spreken en ik nam mij dadelijk voor erheen te gaan. Ik wilde die man ontmoeten.

Misschien zou ik dan weten of hij inderdaad de vraag waarop het aankwam ontweek". (Een vlucht regenwulpen, blz. 125). Maar in die kerk wordt zijn aandacht geheel opgezogen door een aardig meisje, zijn vraag wordt niet beantwoord en zijn geloof is vanaf dat moment als een zinkend schip. Dat juist in de persoon van Christus het antwoord ligt juist op de vraag van het lijden en het vraagstuk van de hel, dat is voorzover uit zijn boeken blijkt aan Maarten 't Hart ontgaan.
Het schrijnendst blijkt dat uit een kort zelfgesprek dat de hoofdpersoon uit "De aansprekers" houdt met zichzelf als hij door het raam van zijn ouderlijk huis bij het thuiskomen zijn ouders ziet zitten in gebed voor de maaltijd en als hij de voor hem zo bekende woorden als het ware hoort ,,0, Vader die al 't leven voedt .. ." etc.
"Ik dacht: hoe zou God het vinden om zo op rijm te worden toegesproken?

Zou Hij iets begrijpen van dichtkunst, weten hoeveel het plotseling voor iemand kan betekenen als de dood in het geding is? Nee, dacht ik. Hij kan er niets van begrijpen, want Hij weet niets van de dood. Hij is nooit gestorven en zal nooit sterven. Hij heeft het allemaal plaatsvervangend door Zijn Zoon laten opknappen, is zelf mooi buiten schot gebleven. Plaatsvervangend lijden, dacht ik, jawel het plaatsvervangend lijden van Christus, maar hij verving niet ons maar zijn Vader." (blz. 152).
Ook de persoon van Christus kan Maarten 't Hart niet helpen, omdat hij van hem het beeld heeft gekregen niet als Iemand, die vóór ons en voor ons uit de diepten is doorgegaan, maar als iemand, die niet ons maar Zijn Vader verving. . .Hoe is het mogelijk dat iemand zo dicht bij de waarheid gestaan heeft en deze toch zo radicaal langs hem is heengegaan. Voor dit artikel wil ik besluiten met de conclusie dat Maarten 't Hart in zijn romans nauw verwant is met de traditie van de na-oorlogse romans die met Sartre een aanvang nam.
Niet alleen in de "ik-stijl", ook in de inhoud van zijn levensbeschouwing die veel breder in onze cultuur verworteld ligt: een levensgevoel dat de levende God geen ruimte laat, omdat men Hem op grond van allerlei karrikatuurbeelden heeft afgewezen.
De volgende week wil ik breder stilstaan bij het verschil tussen Maarten 't Hart en Sartre, een verschil dat ik met de vraag boven dit artikel heb willen aangeven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief