Homofiel zijn, wat doe je er mee? (2· slot)
1980-12-12
Uitvoerig vertelt de schrijver over zijn strijd met Gods wil te doen.- Jaargang 24
- nummer 47
Hij gaat met een dominee praten en die houdt hem 1 Cor. 6 : 10 en 11 voor: 'Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders ...
zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. En sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen.. .'
Deze woorden van Paulus kregen voor hem een bijzondere betekenis (blz. 50), hij voegt er aan toe: 'Voortaan hoorde ik in dat rijtje zondaren thuis'. Nu wil ik dat niet ontkennen, maar ik ontken wel dat iedere homofiel die daadwerkelijk seksueel contact heeft een schandjongen of een knapenschender zou zijn! Een dominee die één van zijn schapen met deze tekst naar huis stuurt moet zich toch eens bedenken voordat hij dat weer doet, en een jongen die zo'n tekst in zijn situatie op zijn brood krijgt mag zich rustig afvragen of dat beleg wel op zijn brood thuishoort.
Dit gemakkelijk schriftgebruik (beter schriftmisbruik) blijft de schrijver parten spelen, ook wanneer hij vertelt van zijn overgang naar de vrijgemaakte kerk. Op blz.
82 schrijft hij: 'Wat tenslotte de doorslag gaf was een niet eens meer zo recent boekje over homofilie dat me onder ogen kwam.
Daarin gooiden leden van de gereformeerde kerken, waaronder enkele hoogleraren, het met de bijbelse boodschap op dit punt op een accoordje'. Bedoeld zal zijn het boekje 'De homosexuele naaste' dat in 1961 verscheen. Ik ben het niet in alles eens wat in dit boekje wordt gezegd maar het gaat me te ver te beweren dat de schrijvers het op een accoordje met de bijbel hebben willen gooien. Dát oordeel past de schrijver niet. Zonder argumentatie wordt onrechtvaardig geoordeeld. Zijn 'vrijmaking' wordt zó tot een weinig positieve daad.
Wat het verkeerde bijbelgebruik inzake homofilie en homoseksualiteit wil ik graag verwijzen naar wat ik hierover geschreven heb in 'Jeugd en seksualiteit' (van dit boekje zijn nog exemplaren verkrijgbaar).
Er is over dit boekje nog wel meer te zeggen maar ik wil het hierbij laten. Boven dit artikel zette ik een vraag. Het antwoord is niet gemakkelijk Wel staat het voor mij vast dat 'Vrienden van vroeger' het antwoord niet geeft. Dit boekje brengt niemand echt verder en dat is jammer. Want het probleem is belangrijk en veel jongelui, ook in onze kerken, worstelen er mee.
Ik 'ben me er van bewust dat het gemakkelijker is om af te wijzen wat een ander schrijft dan aan te geven welke weg wél gegaan moet worden.
Het is heel eenvoudig om vanuit eigen seksuele geaardheid een oordeel te vellen over een homofiele vriendschap, maar we zullen moeten leren er voor op te passen niet alles over de bekende éne kam te scheren. De eerste vraag is niet wat een homofiel doet of niet doet, de eerste vraag is of we bereid zijn náást een homofiel te gaan staan en te erkennen dat hij of zij alle gevolg van de zonde een stuk verstoring met zich meedraagt waaraan wij allen schuld hebben.
In de eerste plaats gaat het er om of we bereid zijn een stuk eenzaamheid te doorbreken, of we de geestelijke kracht hebben iets te laten zien van Jezus' barmhartigheid over het door de zonde geschonden leven.
Er wordt als het over homoseksuele beleving gaat erg gemakkelijk gesproken over ontucht, maar in dit verband is de vraag gewettigd of allerlei vrijheden die ook jongens en meisjes uit onze kring zich op heteroseksueel gebied wel veroorloven, dan ook niet met dit woord moeten worden gekarakteriseerd.
Het scheppingsverhaal leert ons duidelijk dat God man en vrouw heeft gemaakt en dat Hij voor de seksuele beleving in deze richting wijst.
Door de zonde is de harmonie verstoord en gebeuren er ook in seksueel opzicht dingen die God niet heeft bedoeld. Ook de homoseksuele beleving heeft God bij de schepping niet gewild, evenmin als de zelfbevrediging waarover we vandaag toch ook wel een heel wat milder oordeel hebben dan vroeger.
't Zou fijn zijn als over de moeiten van homofielen eens een goede discussie op gang zou komen.
'k Zou het fijn vinden als er naar aanleiding van deze boekbespreking reakties kwamen, vooral van homofielen zelf, In 'Jeugd en seksualiteit' haalde ik indertijd een brief aan van een homofiele jongen die daarin schrijft over z'n moeiten, over z'n strijd het geloof in God als Vader vast te houden. Ik voegde daar toen het volgende aan toe: 'Echt de naaste zijn voor een homofiel is niet gemakkelijk. Het is meer dan wat algemene opmerkingen maken. Een homofiele jongen of meisje mag dan een andere gesteldheid hebben dan de meeste mensen, maar hij of zij blijft een mens, een geheel eigen beelddrager van God, een door de zonde aangetast mens zoals ieder ander. Homomie is niet erger dan wat dan ook. Het is wel anders, moeilijker .. .' De vraag 'wat doe je er mee?' is hiermee niet beantwoord. Die is in zijn algemeenheid erg moeilijk te beantwoorden. Harde oordelen passen in ieder geval niet. Echt christelijk zullen we pas over homofilie en homoseksualiteit kunnen spreken als we de bereidheid hebben ieders identiteit op barmhartige wijze te respecteren. Dán pas zullen we elkaar tot een hand en een voet kunnen zijn. Bij al ons spreken zullen we overigens hebben te denken dat wij allemaal het seksuele moeten bezitten als niet-bezittenden.
En als we menen anderen in hun situatie seksuele beperkingen te moeten opleggen, zullen we er goed aan doen ook voor eigen leven beperkingen in te bouwen.
Homofiel zijn, wat doe je er mee?
De vraag is niet duidelijk beantwoord.
'k Wil wel bekennen dat er nog veel vragen voor me zijn. Het is daarom wellicht beter de vraag te stellen: wat doen we er samen mee, hoe helpen we elkaar verder, bidden we nog voor elkaar?
Wie een pasklaar antwoord meent te hebben moet nog eens goed nadenken, in de eerste plaats over zichzelf.