Zij zijn toch mijn volk?

1980-01-18
  • Jaargang 24
  • nummer 3

Tegenstrijdigheden
"Op 9 april (1948) werd het dorpje Deir Yassin aangevallen door een gevechtsgroep van de Irgoen, waarvan Menachem Begin de leiding had. Van de naar schatting vierhonderd inwoners werden ruim tweehonderdvijftig, merendeels ouden van dagen, vrouwen en kinderen, in de meest letterlijke zin van het woord afgeslacht. . . Een der vaak gehoorde verontschuldigingen is dat Deir Yassin een 'vergeldingsactie' is geweest voor de Arabische aanval op een joods gewondentransport naar het Hadassah-hospitaal op de Scopusberg (verlengstuk van de Olijfberg), waarbij alle voertuigen vernietigd werden en meer dan vijftig joden gedood. De Reymer vertelt over dit feit, dat op 12 april plaatsvond, drie dagen na Deir Yassin." Aldus L. H. Grollenberg in "Voor een Israël zonder grenzen", herziene uitgave, Baarn, 1977, pag. 43 v. "Eind mei 1948 meldde Abdullah el-Tal, commandant van de tegen de Joden ingezette Jordaanse strijdkrachten: 'Slechts vier dagen na dat wij Jeruzalem binnentrokken werd de joodse wijk een joods kerkhof'. De synagogen werden paardenstallen, in synagogen deden Arabisohe soldaten hun gevoeg, de boeken van de Kabbala op de brandstapel .
hele reeksen graven als latrines gebruikt, één graf als benzinestation .
Van de vijfendertig joodse godshuizen in het oude deel van Jeruzalem werden er bij de Jordaanse bezetting in mei 1948 vierendertig met de grond gelijkgemaakt. Een konvooi van joodse artsen en verpleegsters werd op 13 april 1948 overvallen: zevenentachtig doktoren en zusters gedood." Zo de joodse schrijver Hans Habe in "Gelijk eens David", Baarn 1971?, pag. 105.

De Hand in Israëls geschiedenis
Beiden schrijven geschiedenis, maar wie van beiden heeft nu de ware geschiedenis beschreven? Als het aanwijzen van de mensenhand in de geschiedenis al tot problemen leidt, hoeveel te meer dan als het gaat om Gods Hand in de geschiedenis! Toch is het juist dát, wat de profeet in Jes. 63,' 7-9 (en verder) onderneemt. Dat mocht en dat kon hij (toen?). Ook hij wist van een geteisterd en geplunderd Jeruzalem. En van een buurland Edom (Israëls bloedsbroeder), dat zei: "die beide volken en die beide landen (Juda en Israël) zullen mij toebehoren, wij nemen ze in bezit ... " (Ez. 35:10).
Maar bovenal van Gods Hand in de geschiedenis: "Ik zal de gunstbewijzen des HEREN vermelden, de roemrijke daden des HEREN, naar alles wat de HERE ons heeft gedaan en naar de grote goedheid jegens het huis Israëls, welke Hij het betoond heeft naar zijn barmhartigheid en naar zijn vele gunstbewijzen." Wat weet je van God zonder (die) geschiedenis in rekening te brengen? Terugzien betekent aan het zingen gaan (vg1.Ps. 78; 106 e.a.).
Gods gunst werd zichtbaar, tastbaar, hoorbaar in Israëls verleden, van het begin af, vanaf Egypte en de Sinaï. Hoor Hem spreken over dit jonge volk: "Zij zijn toch mijn volk, kinderen die niet 'liegen', teleurstellen" (als de 'liegende' vijgeboom van Mt. 21 : 18-22).
Wat een grenzeloos ... vertrouwen! Misplaatst zeggen wij. En wantrouwend denken wij: God weet aHes vantevoren, dus wist Hij best dat Israël Hem bitter tegen zou vallen... Akelig als je zó van God zou moeten denken, verdrietig, hopeloos ... En wat verdrietig voor God zelf altijd zó te (moeten!) denken. Elk van zijn woorden zou een onoprechte bijklank krijgen. Maar zo is het, zo is Hij niet! Hij is en was vol goed vertrouwen. Dat is zijn uitgangspunt. Een levende God wiens verbond ("wij horen bij elkaar") niet bij voorbaat ondermijnd wordt door de verlammende gedachte: paarlen voor de zwijnen - ze deugen toch nergens voor ... Nee, Hij ziet het wel zitten: mijn volk, kinderen die niet trouweloos worden. Je verwacht toch ook van je eigen kinderen niet bij voorbaat het ergste en het slechtste? Nu, de HERE God ook niet!

De Redder is nabij
Sterker nog: "in al hun benauwdheid was ook Hij benauwd ... " Zó dichtbij staat God bij zijn volk, bij zijn kinderen. Als ouders bij hun ziek, gewond, verdrietig, radeloos kind. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zeggen wij over menselijke betrekkingen. zouden wij Gods begaan-zijn met zijn kinderen lager moeten aanslaan? Hij lijdt met hen mee (vg!. Ex. 2 : 23, 24 bijv.) en doet er wat aan. Zo is de levende God, in tegenstelling tot de starre, onveranderlijke Allah van het mohammedaans fatalisme, bijvoorbeeld. Hij is echt "menselijk" zouden we bijna zeggen. Is "mensvormig" (anthropomorph) wel zo'n "vies" woord als het gaat om de levende relatie tussen God en zijn volk, zijn zóón (Hos. 11 : 1)?
"En de Engel zijns aangezichts heeft hen gered": Niet maar: als de nood het hoogst is, is de redding nabij." De Redder is nabij (Ps. 91 : 14-16). Dat heeft veel later een Paulus, toen hij ècht de Bijbel had leren lezen, begrepen: " ... zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging, en die rots was de Christus." (1 Cor. 10 : 4). Maar al bleven er voor profeten als die van Jes. 63 heel wat vragen over als zij zochten en vorsten naar de zaligheid (redding) waarvan zij profeteerden (zoals op welke of hoedanige tijd ... 1 Petr. 1 : 10 v.), zij wisten van Gods Hand in Israëls geschiedenis. En die Hand was altijd nabij: "zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift" (Jes. 49 : 16).

Waar is Hij, die...?
"In zijn liefde en zijn mededogen heeft Hij hen zelf verlost ... ". Wanneer wij, zoals boven gezegd, hier onze argwaan en ons wantrouwen in stelling zouden brengen (Hij wist toch wat voor vlees Hij in de kuip had), dan betekent dat een regelrechte aantasting van de oprechtheid van God. Het zou betekenen een vraagteken zetten bij zijn liefde en zijn mededogen. Maar wat is grievender dan aan iemands liefde en opreohte bewogenheid twijfelen?
Eens sprak Jeremia tot Israël: "Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn... (Jer. 2 : 2).
Moeten wij zo'n betuiging van God brandmerken als huichelarij, als schijnheiligheid? De profeet van Jes. 63 neemt God - en dus ook Gods woordenserieus. Dat behoor je toch altijd te doen? Als hij terugkijkt naar Israëls prille volksbestaan, dan ziet hij Gods Hand: " ... en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds (van weleer)". Wat doe je als vader wanneer je met je kind een eind gaat wandelen? Als zijn kleine beentjes je niet meer kunnen bijhouden, als het moe wordt? Je tilt het op en draagt het verder. Als een kind was Israël vergelijk maar eens de weergaloze schildering in Ez. 16 : 1-14. Als het adelaarsjong, dat door de ouden uit de horst wordt geduwd als het vliegrijk is. God onderschat de angst van het jong niet: Hij ving het angstig fladderend jong op en droeg het op arendsvleugelen naar de berg Sinaï (Ex. 1-9: 4; vgl. Ps. 91 : 4). Zou God niet weten welke angst er leeft bij dat jonge volk dat, uit Gosen gestoten, voor het eerst als volk op eigen benen moet staan en gaan? Maar Hij was nabij: Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van weleer! Eerst als je die woorden serieus neemt, valt de volgende vraag (of is 't een klacht) te verstaan.
Niet de vraag naar een nieuwe leider, naar een nieuwe Mosje (Mozes), bijv. Dayan. De vraag: waar is HIJ, die de herder zijner kudde voerde uit de wateren...? (vs. 11).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief