Zo was het (35)
1980-01-25
Na vier jaar in Friesland "gestaan" te hebben verhuisden we naar Voorthuizen, Van de Friese weidevelden naar de Vale Ouwe, de Veluwe. Dat was een hele overgang. Een gemeente in Friesland heeft een andere "ligging" dan een kerk op de Veluwe. Ik zeg niet dat de ene gemeente beter is dan de andere. Maar ze zijn verschillend, anders. Dat hangt samen met de versohillende aard van Friezen en Veluwenaren. Mogelijk zelfs wel met het onderscheid van landstreek. Het is merkwaardig dat de bevolking van de Friese Wouden anders is dan die van de Friese Greiden. En dat de mensen van vissersplaatsen verschillen van stedelingen. Zeeuwen zijn weer anders dan Noordelingen. Hoe dat alles in mekaar zit kan ik niet verklaren. Maar. die verschillen zijn er. M.i. wordt daarmee door synoden of hoe die samenkomsten ook mogen heten te weinig gerekend. Wat in de éne gemeente wèl kan en mogelijk moet, kan in een andere beslist niet. Wat hier nuttig is is daar niet tot nut. Dát merkte ik al in 1932 bij m'n overgang van Hommerts naar Voorthuizen.- Jaargang 24
- nummer 4
In m'n eerste gemeente heerste een zeker vanzelfsprekendheidsgeloof. In m'n tweede gold meer "het gaat zo gemakkelijk niet". Dat kwam bijv. uit bij de toegang tot het Heilig Avondmaal. Als in Hommerts een belijdend lid ontbrak, dan kon men er zeker van zijn, dat hij of zij ernstig ziek was. Of slaande ruzie had met familielid of buurman. Als bij huisbezoek gevraagd werd, waaróm men Avondmaal vierde, was het antwoord vaak: dat hoort zo. Ik ontkende dat niet. Maar stelde toch wel eens de vraag of dat de enige reden was. In Voorthuizen was dat heel anders. Als jongelui Belijdenis van hun geloof hadden afgelegd, kwamen ze als regel wel aan het Avondmaal. Maar later kwamen ze vaak weer onder invloed van "vrome" ouders of grootouders of de omgeving van zogenaamde zware broeders of zusters. En hadden geen vrijmoedigheid meer. De geref. kerk heette wel een "oase" in de woestijn van "valse mystiek" zal ik maar zeggen. Maar er drong wel vrij veel zand in die oase door. Naarmijn mening is de in wezen heidense mystiek in sommige kerken of gemeenschappen nooit helemaal overwonnen. Dat alles hangt ook wel samen met de meer verstandelijke inslag van Friezen en de meer gevoelige aard van Veluwenaren. In Friesland was wel het gevaar van te grote vrijmoedigheid (dat hoort zo!), op de Veluwe de dreiging van te veel onvrijmoedigheid. Een eeuwenoude traditie speelt ook een grote rol.
Een en ander moet natuurlijk invloed hebben op de aard van de prediking. Niet dat de preekheer zich moet aanpassen aan een verkeerde mentaliteit. Hij moet zich niet schikken naar een bepaalde "ligging". Maar hij moet er wel mee rekenen. Ik was in 1932 niet zo wijs, dat ik dat deed. Of ik nu wel zo wijs zou zijn? Een vraag die ik niet waag te beantwoorden.
Wanneer wordt een mens eigenlijk echt wijs? Er zijn mensen, die altijd dwazen blijven. Dat kan ook een preker overkomen. Ik zal mij niet onder de wijzen rekenen. Wie dat wel doet zal waarschijnlijk onder de dwazen gerekend moeten worden.
Toentertijd was ik in elk geval zo dwaas, dat ik met kracht en geweld tegen de valse mystiek inging. In jeugdige overmoed dacht ik dat kwaad er bij de hoorders wel uit te timmeren.
Ik koos teksten en preekte daarover - tégen misvattingen van de weg het behoud. Ik kan geen voorbeelden geven, want ik bewaarde geen enkele preek. Maar naar mijn herinnering streed ik tégen het steunen op eigen ervaringen. Tégen de zogenaamde bevinding of wat men daaronder verstaat. Tégen de traditie en tégen verkeerde opvattingen over wedergeboorte.
Tégen de opvatting van verkiezing en verwerping als een soort noodlot. Dat haalde naar ik langzamerhand merkte niets uit. Sommigen vonden het wel prachtig. Maar de leden, die ik wilde bereiken, keerden zich van mij af. De "zwaarsten" zeiden mij onbewimpeld, dat ik er geen kennis aan had." Een jongen van 16 jaar liet mij weten, dat ik doodonbekeerd was. Het werd mij wel duidelijk, dat ik met "er opslaan" niets bereikte. Maar hoe moest het dan wel? Dat stond mij niet helder voor de geest. Tot een wijze ouderling eens tegen mij zei: "Dominee, u moet zo niet verder gaan. U slaat zo hard op de bokken, dat de schapen ook schichtig worden." Ik moest hem dat wel toestemmen. En vroeg hem hoe het dan wèl moest. Toen heeft hij mij nader onderwezen. Zoals eertijds Apollos, een man vurig van geest, nader onderricht werd door een prachtig stel mensen: Priscilla (zij voorop!) en Aquila. In Efeze. (Hand. 18:26). Hoe het dan volgens hem wel moest? Hij zei ongeveer het volgende. U moet beginnen met rustig en geduldig naar de “zwaarmoedigen" te luisteren.
Proberen hen te begrijpen. Hoe zij tot deze opvattingen komen. Mogelijk zit er ook nog wel wat goeds bij hen. U moet niet álles veroordelen en verwerpen. In de tweede plaats moet u hen trachten te lokken door het Evangelie. Dat heeft de Heiland u toch ook opgedragen? Als dat niet helpt dan helpt al dat er op timmeren ook niet.
Van deze broeder heb ik toen wel geleerd. Helaas waren we het in de studeerkamer niet eens. Zijn we het ook nooit eens geworden. Hij heeft mij later mee geschorst. Hij hield tenslotte meer van Kuyper en de synode, dan van z'n herder en leraar. Hij kón niet anders. Omdat hij gepokt en gemazeld was in het "houden voor wedergeboren". Maar ik ben overtuigd, dat hij het deed met een bloedend hart, zal ik maar zeggen. Zo gaat dat soms in de kerk. Ziet wat theologie vermag! Tot op de huidige dag!
Maar nu terug naar m'n preken. Ik heb geprobeerd naar de "zware" broeders te luisteren. Heb veel oude schrijvers gelezen en bestudeerd. Honderden bladzijden. Ben er niet veel wijzer van geworden. Maar heb m'n zware broeders wel beter verstaan. Ze hadden tegen een vanzelfsprekendheids-
geloof wel wat gelijk. Dat heb ik erkend. En verder hen trachten te winnen door het Evangelie. Dát is de kracht Gods tot behoud. Als dát niet helpt, dan helpt niets. Heeft m'n prediking veel vruchen gedragen? De eeuwigheid zal het openbaren, zoals men vroeger zei. Ik weet dat onze arbeid niet ijdel is in de Here." Wat gedaan wordt in afhankelijkheid van en in gemeenschap met de Here is niet tevergeefs. Een enkel teken daarvan herinner ik mij ook wel. Eens preekte ik over de tekst Jesaja 50: 10: "Wie onder u vreest de HERE, wie hoort naar de stem van zijn knecht? Wanneer hij in diepe duisternis leeft, van licht beroofd, vertrouwe hij op de naam van de HERE en steune op zijn God". De preek was ter voorbereiding van het Avondmaal. De volgende zondag zag ik een oude broeder toegaan tot de Tafel des Heren. Hij vertelde mij in de week daarop, dat die preek hem over de drempel had heengeholpen. Zulk een geval kan de preker zeldzaam bemoedigen. Dat is wel eens nodig ook.
Langzamerhand drong het tot mij door, dat ik mij moest houden aan de opdracht van de Heiland. Voorop de verkondiging van de Blijde Boodschap. En dan de gemeente voorhouden alles, wat Hij ons bevolen heeft.
Van sommige ouderlingen en gemeenteleden heb ik daarbij wel hulp gehad. Maar helaas van collega's niet. We hadden van elkaar wel wat kunnen leren. Maar we deden het niet. We ontmoetten elkaar wel. Maar over onze preken hadden we het zelden. Of nooit? We hadden eens in de maand een samenkomst, beurtelings in een van de pastorieën. Naar mijn herinnering spraken we over van alles en nog wat, behalve over ons eigenlijke werk. Dat is niet zo best, maar zo was het. Dat zal in andere kringen ook wel ongeveer zo zijn. Spreken dokters vaak met elkaar over hun vak? Het is te hopen. En de dominees tegenwoordig? Ik hoop het.
Wij deden het toentertijd niet. Toen heb ik voorgesteld elke maand op onze samenkomst (coetus heette dat in vaktaal!) een preekvoorstel te houden. Met daarna een kritische bespreking. Dat werd aangenomen. En zoals dat gewoonlijk gaat: de voorsteller moest er dan maar mee beginnen. Ik was om zo te zeggen de pineut. Ik was trouwens blij, dat wij wat zinnigs zouden doen.
Op de eerstvolgende samenkomst hield ik een preek. Van de vorige zondag denk ik. Er volgde natuurlijk kritiek. Maar die was welwillend. Toen werd no. 2 aangewezen voor de volgende keer. Hij was volbloed Kuyperiaans.
En hield een Kuyperiaanse preek. Waarvan ik al eens in deze serie een voorbeeld heb gegeven. Over de tekst: "wordt vol van de Heilige Geest". M'n collega zat behoorlijk vast in de theologie van Kuyper. Er volgde een vrij scherpe kritiek. Van mij, maar anderen vielen mij bij. Toen zou de beurt geweest zijn aan een derde. Maar er bood zich niemand aan! Een oude collega, die naar leeftijd aan de beurt was, smeekte om vrijgesteld te worden. Wat graag werd toegestaan. Hij was door veel lijden in z'n leven zó geteisterd, dat hij veel moeite had met het maken van een preek. Van hem werd verteld, dat hij elke zomer - in de tijd van gasten - dezelfde preek hield over: Simson, malende in de molen.
En de anderen? De één had geen tijd, een ander zou juist met vakantie gaan, en een derde had wat anders. Het eind van het lied was, dat het plan van de preekvoorstellen als een nachtkaars uitging. Jammer, maar waar. Wat daarachter zat? Bang voor kritiek? Gebrek aan zelfvertrouwen?
Gebrek aan vertrouwen in de mildheid van collega's? Wie het weet mag het zeggen.
Preken van een ander hoorde ik vrijwel niet. Op de vergaderingen van de classis kwamen de eigenlijke taken van een do vrijwel niet aan de orde. 't Ging meestal over zaken van organisatorische aard: Rapporten van kerkvisitatie, van deputaten zus en zo, traktementen enz. Wel werden er preekvoorstellen gehouden. Maar dan door kandidaten, door broeders die het nog moesten leren.
De kritiek op die voorstellen was meestal niet mals. Die werd vrijwel alleen door de do's uitgebracht. Trouwens een classis is hoofdzakelijk een zaak van de predikanten. Soms zitten de ouderlingen er maar voor spek en bonen bij. Bijvoorbeeld bij de examens. In mijn tijd een soort herhaling van wat al aan de Universiteit was gebeurd. Een vrij dwaze zaak naar mijn mening. Gelukkig schijnt daar verandering ten goede in gekomen te zijn. Soms werd gevraagd naar de Hebreeuwse en Griekse tekst! Alsof ouderlingen geen leden van de classis waren. Daarbij beleefde ik wel eens vreemde zaken. Vreemd was het dat en kandidaat de kritiek zelf niet te horen kreeg. Hij mocht een tijdje "buiten staan". Daarna werd hem meegedeeld of het examen kon doorgaan of niet. Van de kritiek kon hij dus niets leren.
Eens beleefde ik het volgende. Een kandidaat hield een voortreffelijke preek. Maar men hoorde hier en daar en Barthiaans klank. Dat vertrouwden sommigen niet. Er werd voorgesteld het onderzoek niet door te laten gaan. En de kandidaat een nieuwe preek te laten maken. Gelukkig ging het examen wèl door. Er was immers alle gelegenheid nader onderzoek te doen naar die Barthiaanse smetten. Dat viel nogal mee. Bedoelde kandidaat is later een krachtige bestrijder geworden van Barth!
Bij die gelegenheid deed zich nog iets vreemds voor. Ik had de kandidaat geprezen omdat hij kennis had genomen van de opvattingen van Barth, Dat ontlokte aan een collega de volgende woorden. Letterlijk kan ik ze vanzelf niet weergeven. Maar ze luidden ongeveer als volgt: "Wat ik daar van br. Jager hoor, doet me veel verdriet. Wij gereformeerden van Nederland zijn zeer gezegend. Wij hebben de beste theologen van heel de wereld: Kuyper en Bavinck. Hebben wij daaraan niet genoeg? Moeten wij nu kennis nemen van een nieuwlichter als Barth? De opmerking van Jager heeft mij zeer bedroefd". Een klaar bewijs hoe predikanten soms gevangen zitten in de greep van grote theologen. Tot schade van henzelf en van de gemeenten. Ik vond dat maar een vreemde zaak.
Nog vreemder vond ik het volgende geval. Een examinator moest onderzoek doen naar de kennis van het O.T. Het zal bekend zijn, dat het oorspronkelijk geschreven is in de Hebreeuwse taal. Verondersteld wordt, dat alle prekers in die taal min of meer thuis zijn. Bedoelde examinator was dat blijkbaar niet. Want terwijl de kandidaat z'n preekvoorstel hield, in de kerk, zat de ondervrager in de achterste bank naarstig een collegedictaat na te kijken. Dat hij in z'n studententijd van een professor had opgeschreven. Hij vroeg altijd uit hetzelfde bijbelboek en bestudeerde daarbij hetzelfde dictaat. Nu was er bij de gevraagde tekst een zeer moeilijke kwestie. Van tekst en uitleg. Die moeilijkheid werd aan de kandidaat voorgelegd. Deze kwam er niet uit. Waarna de examinator hem nader onderwees. Hij vertelde er wijselijk niet bij, dat hij, een uur geleden, zelf ook geen duidelijke voorstelling van de oplossing had. Maar dat hij die uit een dictaat had opgediept!
Waarom ik dit vertel? Omdat dit vaak zo toeging? Natuurlijk niet. Maar zo gebeurde het ook wel eens. Dominees zijn ook maar gewone mensen.
Met hun gebreken en zwakheden. Professoren zijn dat trouwens evenzeer.