Dichters over de begrafenis van een dichter (3)

1980-12-19
  • Jaargang 24
  • nummer 48
leder mens is uniek, dus ook alle dichters. Ze zullen zich dus ook op hun eigen, unieke wijze uiten.
Dat heeft ook de pas gehuldigde dichteres Ida Gerhardt gedaan.

Begrafenis M. Nijhoff

Gedenk nu de aarde opengaat
het kind, dat leefde in zijn gelaat
en dat de lei heeft volgeschreven.
God alleen wist dat het nadien
de grote nieuwe brug wou zien.
De engelen gaven vrijgeleide.

Hij is reeds aan de overzijde.

Prachtig is dit gedicht. Het spreekt van een grote liefde voor de dichter en zijn werk.
Als zij zegt: het kind dat leefde in zijn gelaat, typeert ze Nijhoff prachtig.
Hij had inderdaad iets kinderlijks in zijn gezicht. Het wonderlijke is, dat hij dat zelf ook zag. Uit het gedicht van Nijhoff dat hier volgt hoort U ook meteen waar de lei vandaan komt waarover Ida Gerhardt het heeft.

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik; was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik in mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Wat prachtig heeft de dichteres die lei in haar gedicht gebruikt. Immers Nijhoff is aan het einde van zijn leven gekomen en was dus uitgeschreven.
De lei had ook leeg kunnen blijven.
Maar Ida Gerhardt zegt: de lei is volgeschreven.
Als zij daarna over de grote nieuwe brug spreekt, is het weer een gedicht van de overledene dat haar hiertoe inspireert.

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hooft vol van het landschap, wijd en zijd ...
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
0, dacht ik, 0, dat daar mijn moeder voer.
Prijst God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Alleen een groot en fijngevoelige kunstenares kan zo'n gedicht omzetten in het heden.
Toen Nijhoff naar Bommel ging om de nieuwe brug te zien, zag hij die niet alleen, maar had ook nog een wonderlijke ervaring. Hij hoorde een vrouw ringen: Prijst God. Toen hij dat hoorde dacht hij direct 'aan zijn vrome moeder, die dagelijks psalmen zong.
Ida Gerhardt zet dit in het heden, op haar manier. Nijhoff ziet nu de grote nieuwe brug. De brug naar de eeuwigheid.
De dichteres is er van overtuigd dat de engelen hem vrijgeleide gaven. Dan is hij ook bij zijn moeder.
Dit gedicht zegt niet alleen iets over Martinus Nijhoff, het typeert -evengoed Ida Gerhardt,

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief