In de nood leer je je vrienden kennen (slot)

1979-06-22
  • Jaargang 23
  • nummer 25
Eigenlijk deugt dit opschrift helemaal niet. Ook de beide vorige keren had er moeten staan: in de nood leer je je vriend kennen.
Geen meervoud dus, maar enkelvoud: vriend.
Maar of door mijn schuld of door een fout op de drukkerij ging het direct de eerste keer al mis en kwam er in plaats van "vriend" dat meervoud te staan: "vrienden".
En niet alleen in het opschrift ging het mis, maar ook in de laatste zin van de vorige week. Natuurlijk moest daar staan: in de nood leer je je vriend kennen. Want ik eindigde immers met dat woord van Job: gelukkig, slechts van horen zeggen had ik van u vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd.
Job heeft juist in zijn barre nood die ene vriend leren kennen: God.
Zoals Paulus het door de verdrukkingen des te vaster heeft leren geloven: ja, maar God houdt van me.

Toch heb ik na dat foute opschrift van de eerste keer het zo maar gelaten. En geen correctie aangebracht.
Want het is tenslotte toch wel waar: in de nood leer je niet alleen die ene vriend kennen, God, - maar ook Je vrienden, de mensen die om je heen staan: zijn het werkelijk vrienden?

Zo ging het met Job. In zijn ellende was hij omgeven door vrienden.
Maar toen het er op aankwam bleken het vijanden te zijn, of in elk geval: vreemden. Omringd door zijn "vrienden", staat Job helemaal alleen als hij tegen God zegt: nu heb ik u gezien. Dat hij dat zei, - dat had hij waarachtig niet aan die" vrienden" te danken.
Tenminste niet aan drie van de vier. Dat zei hij juist, hij geloofde juist tégen die vrienden in. In de nood ontdekte hij dat "vrienden"
lang niet altijd echte vrienden zijn.
En toen stond hij helemaal alleen.
Alleen met God.
Vandaar dat enkelvoud: mijn oog heeft u aanschouwd.

En Paulus?
Dat is juist het opvallende: Paulus spreekt in Rom, Sin het meervoud.
Wij roemen in de verdrukkingen.
Wij weten dat de verdrukking volharding uitwerkt.
De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is.

Paulus staat niet alleen. Maar Paulus weet zich omringd door anderen. die naast hem staan, die ook in de verdrukking gekomen zijn, net als hij. En die in die verdrukking het ook ondervonden hebben, dat je in de nood God leert kennen. En met al die mensen, met àl die vrienden sámen zegt hij: wij weten. En daarom kán hij het ook zeggen, omdat hij het met die anderen samen kan zeggen.
Want geloven, dat doe je alleen maar samen. En hopen, - dat doe je samen. En volhouden tegen alles in, - dat doe je alleen maar samen, met je vrienden, Je echte vrienden. Want dan is het namelijk niet meer tegen alles in. Niet meer helemáál tegen alles in.

Hoeveel er ook is, dat het geloven moeilijk maakt, onmogelijk maakt, - er is altijd één ding dat ons toch doet geloven. En dat zijn de anderen, de vrienden.
Dat is de ander. De ander, die gelooft als ik niet meer kan.
En de ander die nog steeds hoopt, als ik op het punt sta, de hoop op te geven. En de ander die liefheeft, toch liefheeft, wanneer mijn liefde aan het eind gekomen is.
De ander, die - gelovend, hopend, liefhebbend - zich aan mij geeft en mij geloven doet: ik geloof met hem mee . Die me hopen doet: ik grijp me aan zijn hoop vast. Die me liefhébben doet, want ik word door zijn liefde aangestoken.

Het is toch niet tegen alles in dat ik geloof. Want dat ik geloof, nog steeds geloof, des te vaster geloof, - dat dank ik aan dat grote geschenk van God, dat hij me zet midden tussen de anderen, die met mij mee geloven, die voor mij uit geloven, en die - als ik het niet meer zeggen kan - het toch blijven volhouden: ja, maar wij weten, ons oog heeft God aanschouwd, we hebben midden in de nood zijn heil ervaren.

Daarom mag dat toch blijven staan: in de nood leer je je vrienden kennen.
De vrienden, - dat zijn die mensen die juist in de nood elkaar meenamen naar God toe. Die het alléén niet zo lang zouden vol houden.
Maar ze zijn dan ook niet alleen. Ze trekken zich op aan elkaars stem en ze worden meegenomen door elkaars woorden. En ze blijven geloven, omdat ze het geloof van de ander zien. En omdat ze het aan het geloof van de ander zien, dat het geen inbeelding is, maar levende werkelijkheid: het heil van God, Dit heil, dat bij Hem mensen weer bij elkaar horen en met elkaar meegaan en aan elkaar zich vasthouden en door elkaar volhouden. Om als vrienden sámen die ene vriend, God, te ontmoeten.
God, die vandaag leeft en vandaag ons, wandelend temidden van benauwdheden, leven doet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief