VERANDEREN (1)

1979-06-22
  • Jaargang 23
  • nummer 25
Wij veranderen. Persoonlijk. Kijk maar eens in het foto-album van 10 jaren geleden. Ook gemeenschappelijk.
Denk maar aan onze kerken van 10 jaren geleden. Wij hebben zelfs sinds kort een nieuwe naam.
Die veranderingen voltrekken zich niet alleen aan ons uiterlijk. Ook van binnen veranderen we. In ons geloof, in ons denken, in ons gedrag.
In dit artikel wil ik mij bezig houden met veranderingen in de gemeente van Christus.
Ik las daarover een goed artikel in een boek getiteld "A new face for the church", "Een nieuw gezicht voor de kerk". Het is geschreven door de Amerikaan L. O. Richards (uitgave Zondervan) die ten aanzien van onze nederlandse kerken een buitenstaander is, maar als bijbelgetrouw christen onze medestander.
Zijn overwegingen leken mij de moeite waard temidden van de vragen waarvoor ook onze gemeenten - afzonderlijk en in hun samenleven - zich gesteld zien.
Veranderen kan je ten goede en ten kwade. Daarom gaan veranderingen altijd gepaard met spanning. Je kan er bang voor zijn: want de hele toekomst kan beïnvloed worden door een verandering ten kwade. Je kan je erover verheugen, want veranderingen scheppen nieuwe mogelijkheden, als het veranderingen zijn ten goede.
Stilstand is voor de gemeente van Christus verboden. In Exodus 25 : 15 lezen wij van de ark van het verbond een opmerkelijk detail: "de draagstokken zullen in de ringen van de ark blijven, zij zullen er niet uit verwijderd worden." Dat wordt zo geboden omdat de Here wil dat de ark ten allen tijde mobiel blijft.
Voorttrekt.
In 2 Korinthiërs 3 wordt gezegd: 'wij allen, die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid' tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is." (vs. 18).
Dat gaat niet zonder spanning. Hoe veranderen wij? Ten goede of ten kwade? Zijn er bijbelse grondlijnen aan te geven voor veranderingen in de gemeente?
Met die vragen houdt zich Richards bezig in het nu volgende artikel.
Als aanloop wijst hij op de snelle veranderingen in onze kultuur en samenleving. Wat een verschil tussen 1879 en 1979! Denk aan uiterlijke dingen als de vrije zaterdag
en de mobiliteit van de gemeenteleden, de stress van een totaal ander arbeidspatroon, en de beschikbare vrije tijd. Maar ook in het geestelijk leven zijn de verschillen groot: ik noem maar woorden als: ontkerstening, vereenzaming, massificatie, consumptie, enz.
Iedere tijd stelt de gemeente van Christus opnieuw voor de uitdaging: hoe moeten wij in deze samenleving het beeld van Christus vertonen? Dat kan niet zonder een levende gemeente te zijn die zich op andere wijze dan vroeger instelt op de problemen en noden en vragen van déze tijd.
"Iedere gemeente krijgt te maken met veranderingen. Men kan verandering tegengaan en de status quo handhaven. Of men aanvaardt het als noodzakelijk, dat er veranderingen moeten komen en zoekt Gods hulp en leiding, om de veranderingen te laten leiden tot het beoogde doel nl. die bijbelse en kreatieve levensvormen te vinden, waarbinnen de Here werken kan."
Welke bijbelse grondlijnen geeft Richards aan als dragende beginselen bij alle veranderingen?

1. Wij moeten werken binnen onze bestaande gemeenten.
Van hieraf citeer ik Richards: "Sommige mensen die naar vernieuwing zoeken, eisen dat wij de kerk van vandaag verlaten. Het duurt te lang voordat zij verandert.
Het is té moeilijk. .Je kan er niet aan beginnen... Deze hele manier van denken lijkt mij verwerpelijk.
Het is een ontkenning van alles waar vernieuwing volgens de beginselen van het Evangelie op uit is.
Want ze negeert de principes waar de vernieuwing juist op gefundeerd moet zijn nl. dat het lichaam van Christus één is; dat iedere gelovige een geestelijke gave heeft, die nodig is in het lichaam; dat de doodgewone christen de sleutelpositie heeft in de vitaliteit van de kerk; dat ieder van ons kan worden omgevormd in een gemeente, die de functies. vervult waarvoor zij is bestemd.
De christen die vasthoudt aan het traditionele moet één met ons blijven.
Hoe durven wij ons af te scheiden in onze drang tot vernieuwing, om zo het lichaam van Christus te scheuren?
Paulus' oordeel over zo'n schisma is duidelijk: als gij u zó verdeelt, "zijt gij dan niet vleselijk en leeft gij niet als onveranderde mensen"? (1 Cor. 3 : 3). Hoe kunnen wij er de nadruk op leggen dat iedere "gewone" gelovige een gave ontvangt , van de H. Geest, om zo gebruikt te worden voor het lichaam, terwijl wij intussen juist die mannen en vrouwen in de steek laten wier gave we nodig hebben? Iedere gemeenschap van gelovigen, die de Heilige Geest bezit en deel heeft aan het leven van Christus, kàn groeien en veranderen en vernieuwing van het eigen leven ervaren.

2. Zij, die leiding geven in onze kerken moeten die gelegenheden scheppen, die kreatieve veranderingen mogelijk maken.
Deze stelling weerspiegelt mijn visie op twee gevaren die de leiding van onze gemeenten bedreigen. Het éneevaar is dat zij die leiding geven onder druk van sommigen, alle pogingen tegengaan om veranderingen aan te brengen. Het andere gevaar is even reëel dat zij die leiding geven, overtuigd van de noodzaak van veranderingen, onwijs te werk gaan, veranderingen opdringen en zelf de loop ervan in handen nemen.
Dit laatste is niet alleen gevaarlijk, het is ook zelfvernietigend. Als de bijbelse grondlijnen van volledige deelname van de gemeente in het zoeken en volvoeren van Gods wil, niet wordt gerespekteerd, zullen de kerken steeds meer worden gescheurd en enkelingen gewond raken.
De veranderingen die zó worden opgedrongen zullen net zo lang standhouden als de druk voortduurt waaronder zij tot stand kwamen.
Gedwongen veranderingen duren niet lang. Daarom gebruikte ik de uitdrukking "gelegenheden scheppen dat kreatieve veranderingen kunnen plaatsvinden." Dit lijkt mij dè opdracht van hen die leiding geven in de gemeente vandaag.

3. Het "succes" van veranderingen zal afhangen van de persoonlijke geestelijke groei van de gemeenteleden, en van hun gevoel van vrijheid om openlijk en eerlijk deel te nemen aan het veranderingsproces.
De mensen helpen om te groeien en vrij te worden om deel te gaan nemen aan zulke aktiviteiten heeft alles te maken met echt gemeentezijn.
Dat betekent zulke persoonlijke banden met elkaar op te bouwen dat de gaven van de Heilige Geest daarbinnen en daardoor kunnen gáán functioneren. In het kader van zulke verhoudingen zullen gemeenteleden vrij groeien om zichzelf te zijn en geestelijk kunnen groeien [laar mate de Geestesgaven in dienst aan elkaar worden beoefend. Het moet een zaak van eerste belang zijn voor de gemeente om gelegenheden te scheppen voor zulk een wederzijdse dienst.

4. De resultaten van verandering in een bepaalde gemeente zullen onbekend zijn.
Er mogen en kunnen geen specifieke voorspellingen over het resultaat van veranderingen gemaakt worden. Iedere gemeente moet haar eigen problemen oplossen, die te maken hebben met tijd, plaats en frequentie van bijeenkomsten, met de opvoeding van kinderen, de manier waarop zij meent het evangelie te kunnen uitdragen en de wijze waarop zij meent aan haar gemeenschap inhoud en vorm te geven. De uiteindelijke vormen en uitkomsten moeten ook bij de aanvang van het proces opengelaten worden.
Deze open doelgerichtheid hoeft voor niemand bedreigend te zijn, al kan het zo wel eens ervaren worden.
Het is veeleer het bewijs van onze toewijding aan het Heer-zijn van Christus. Wij laten Hem vrij om ons te leiden en wij laten onszelf vrij om aan die leiding gehoor te geven. Zo gaan wij uit in een land, zonder te weten waar wij komen zullen."

Dit zijn de 4 bijbelse richtlijnen die Richards ons voorhoudt in zijn boek: "Het nieuwe gelaat van de Kerk". De volgende keer zal ik hier nader op ingaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief