Zon over Galilea

1980-02-08
  • Jaargang 24
  • nummer 6
Aan Gods hand...
Het was geen toeval dat Jezus naar Galilea ging en zich te Kapernaüm vestigde, nadat de wegbereider uit de weg geruimd was. Je zou kunnen zeggen: Jezus ging aan Gods hand door Gods land. Mattheüs laat dat uitkomen door Jesaja te citeren: " ... het volk dat in duisternis is gezeten, heeft een groot licht gezien, en voor hen die gezeten zijn in het land van de schaduw des doods, is een licht opgegaan." Dat geldt uitdrukkelijk voor "het land Zebulon en het land Naftali, aan den zeeweg, over den Jordaan, Galilea der heidenen."
Mattheüs verwijst daarmee naar de situatie als getekend in Jes. 8 : 23-9 : 16. Het is oorspronkélijk de tijd van de assyrische overheersing en de wegvoering in ballingschap van het tienstammenrijk, Israël. Geen wonder dat Jesaja spreekt van duisternis en schaduw des doods.
De nacht is gedaald over Galilea (als in mei 1940 over Nederland, als over zoveel landen ook anno 1980, nog steeds) en het wordt maar niet licht. In wanhoop, in doffe ellende zitten de mensen neer, als geslagenen - ze missen zelfs de kracht overeind te komen. Niet één Job, maar een land vol mensen als Job.
Mensen gezeten in het land van de schaduw des doods. Het is een beeld: hebt u wel eens gezien hoe de dood een mens nadert, een hand op hem legt? Je kunt het hem aanzien. Het sterven komt nabij. De dood krijgt je in zijn greep.

... door Gods land
Zo heeft Jesaja het gezien in zijn tijd. Hij zag hoe de dood toegreep in Galilea, hoe zijn schaduw zich legde over het land, hoe het leven uit de mensen verdween. Hij zag hoe de zon over hun landstreek onderging, hen in diepe duisternis achterliet. Het land was bezet, werd ontvolkt.
Vreemden overheersten, deporteerden naar willekeur. De nacht daalde en er kwam maar geen morgen, hoe vaak men ook treurig riep: wachter, wat is er van de nacht? Duisternis spreidde zich over land en mensen. Gezichten werden somber en grauw, kregen een doodskleur. De geestkracht van de mensen was gebroken: gebukten en gebeukten (Lied 121 : 4). Er zat geen leven meer in. Zelfs de hoop, die doet leven, was dood. Zo zag God het - Jesaja moest het maar zeggen. Is er een zonsverduistering over Israël gekomen? Wordt Israël gelijk aan Egypte? Komt er geen einde aan de nacht? Kan God dat aanzien?
In Egypte duurde het drie dágen. In Galilea lijkt het eindeloos ... Zou God zijn genä vergeten, nooit meer van ontferming weten? Het wonder is dat dit niet het geval is. Hoor: Het volk ... heeft een groot licht gezien ... Over land en mensen is een licht opgegaan. De zon gaat weer schijnen over Galilea. Het licht keert weer en met het licht het leven en de vreugde: "Gij hebt het volk vermenigvuldigt, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit"
(Jes. 9 : 2).Voor uw aangezicht: het wordt dus weer feest in de tempel, in Gods huis.

Op Gods tijd
Dát gebeurde er, vertelt Levi, toen Jezus' tijd gekomen was en Hij aan zijn werk begon. Galilea kan nu weten dat de zon is opgegaan en de duisternis gaat wijken. Licht en leven en vreugde keren weer.
Israël kan nu wéten: "een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op zijn schouders", met wat Jesaja daar verder over mag zeggen. Het Licht dezer wereld is reddend verschenen.
Reddend, ja, want: "Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." Van toen aan: een duidelijke tijdsbepaling. Wanneer dus?
Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was (vs. 12). Het ondubbelzinnige woord van de Doper gaat in vervulling: "Hij moet wassen (toenemen, uitgroeien), ik moet minder worden" (Joh. 3 : 30). Maar het merkwaardige is, dat de inhoud van Jezus' prediking exact op dezelfde manier wordt samengevat als die van Johannes de Doper (Mt. 3: 12; 4 : 17). Dat lijkt vreemd, want terwijl de situatie is veranderd blijft de boodsohap dezelfde. Had er in het geval van Jezus' prediking niet moeten staan: nóg naderbij gekomen? De tijd staat toch niet stil? M.i. zou je moeten denken aan al die uitspraken zeg van Joël (2 : 28-32) tot Petrus (Hand. 2 : 16-21) - al blijft het lang niet beperkt tot die twee inzake de komst van "de dag des HEREN". Die dag is er niet maar één keer, aan het eind van de geschiedenis. Elke keer dat God reddend dan wel straffend optreedt, is de "dag des HEREN" gekomen. Die dag is steeds veel dichter bij dan men hoopt of zorgeloos denkt.
Datzelfde lijkt mij te geiden van het Koninkrijk der hemelen. Omwille van de Joden, die Gods Naam te heilig vinden om uit te spreken, noemt Mattheüs het zo. Maar we mogen het rustig omzetten in: het Koninkrijk Gods, met als bijklank: het koningschap (van Jahweh). Het is niet maar één keer, aan het eind van de geschiedenis, nabij. Nabij is het, nabij is Jahweh als Johannes (de grootste der profeten, Mt. 11: 11) aan zijn arbeid begint. Nabij is het ook wanneer het ogenblik van Jezus' optreden is gekomen: God is nabij!

God is nabij
Toch zou je bijna zeggen: was dat nu alles? Je zou een climax verwachten na de toelichting dat nu de zon was opgegaan over het land van de schaduw des doods. Maar als je hoort dat Jezus wezenlijk niets anders zegt dan Johannes, werkt dat als een anticlimax. Was dát verwachting, gewekt door (de God van) Jesaja?
Was dat ècht álles? En Mattheüs (zouden we hem niet het eerst noemen) zal zeggen: ja!
Ik wás Levi de tollenaar, maar Jezus bracht mij tot inkeer, bekering (9: 9). En Petrus en Andreas enz. zullen zeggen: ja! (4 : 18 v.v.). En Maria Magdalena (Luc. 8: 2) en de schoonmoeder van Petrus (Mt. 8: 14-17) en Jaïrus (9: 18:"26) en die man met de verdorde hand. (12 : 9-14) en die verlamde (9: 1-8), die twee blinden (9: 27-34), melaatsen en talloze zieken (8 : 16, 17). Zelfs mensen uit Syrië (4 : 25); zélfs een Romeins officier en diens knecht (8 : 5-13).
Om over de bevrijdende wijze van Jezus' prediking nog maar niet (of juist wél) te spreken: "de scharen stonden versteld over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden." De laatsten ontleenden hun gezag aan wat zij van hun voorgangers hadden overgenomen ("de ouden", 6 : 21 enz.).
Als Jezus sprak, sprak Hij alsof God zelf aan het woord was, rechtstreeks (vgl. Joh. 10 : 14). Daar kon die verlamde van meepraten, toen hij pardoes te horen kreeg: "Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven."
Zo goed als de schriftgeleerden te horen kregen "dat de Zoon des mensen macht (bevoegdheid) heeft op aarde zonden te vergeven'" (Mt. 9 : 1-8). In het land van de kerkelijke boekhouders werd aan kwijtschelding, vergeving niet gedacht...
Bekeert u - komt tot andere gedachten, tot ander inzicht! Dan deelt u in de verlossing en bevrijding teweeggebracht door God, uw Koning I Dát is Góds visie op "een groot licht", op zonneschijn in het leven: bekeert u! Dát heet verlossing (Jezus - Jozua - Jahweh redt). Dát geeft vreugde voor Gods aangezicht (Jes. 9)!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief