De identiteit van de Nederlands Gereformeerde Kerken (slot)

1980-02-08
  • Jaargang 24
  • nummer 6
Vanwege een misverstand over de plaatsruimte in ons blad, ben ik nog niet toegekomen aan het schrijven van het laatste artikel in mijn gesprek met ds De Jong.
Gezien de aandrang, die er van verschillende kanten uitgeoefend is, haast ik mij om tot een afronding te komen. Over de zaken drie aan de orde zijn gesteld, de binding aan de belijdenis, het kerkverband en het gezag van de Heilige Schrift heb ik het mijne al gezegd.
Tot besluit moeten mij nog een paar dingen van het hart.
Er komen in de artikelen van ds De Jong uitlatingen voor, die ik van hem niet gewend ben en ook niet had verwacht. In zijn tweede artikel op pag. 266 distantieert de schrijver zich van de moderne schriftkritiek, maar voegt daar 'aan toe: "Van de andere kant, degenen, die zeer sterk hameren op de 'absolute onfeilbaarheid van de ganse Heilige Schrift kenmerken zich vaak door onkunde als het gaat om details van de inhoud. Dit komt, zo is mijn ervaring, zo vaak voor, dat ik tussen het een en het ander een samenhang, zelfs een onderlinge afhankelijkheid vermoed: Laten we maar niet al te nauwkeurig lezen, want daar komen alken maar moeilijkheden van."
Het vermoeden in deze passage uitgesproken is niet bepaald vleiend voor degenen, die zich eerbiedig aan het gezag van de Schrift willen houden. De vraag dringt zich op, wie ds De Jong hier op het oog heeft. Bij het lezen van deze woorden moest ik denken aan voorgangers in de geschiedenis van onze kerken als S. Greijdanus, K. Schilder en B. Holwerda.
Dit waren beslist geen mannen, die niet al te nauwkeurig lazen, omdat ze anders in moeilijkheden zouden komen. Hoe uitvoerig ging S. Greijdanus op zijn colleges en in zijn commentaren op moeilijkheden en vragen bij de exegese in en hoe nauwgezet en intens waren de genoemde broeders met de Schrift bezig.
Een paar jaar geleden heb ik in artikelen over O. Noordmans gewezen op ontwikkelingen rondom de leer van de heilige ontvangenis van onze Here Jezus Christus. In het boek "Christelijk Geloof" van H.
Berkhof, uitgekomen in 1973, staat te lezen, waarom velen in onze dagen van mening zijn, dat de leer weergegeven in de woorden: "Ontvangen van de Heilige Geest geboren uit de maagd Maria" niet tot de oorspronkelijke prediking heeft behoord en daarom niet thuis hoort in de apostolische geloofsbelijdenis. Nu zag ik dezer dagen in het boek "Het vuur blijft branden", dat in het blad de Reformatie van 16 aug.1940 de controverse rondom genoemd belijden in een hoofdartikeI al aan de orde werd gesteld. Men was dus in onze kring behoorlijk bij de tijden durfde de zaken best onder de ogen te zien. Het werk van genoemde voorgangers e.a. heeft velen in onze kerken gestimuleerd tot Schriftonderzoek; ik ken broeders, die op 'latere leeftijd Grieks en Hebreeuws zijn gaan leren om de Schrift beter te kunnen verstaan.
Wanneer collo De Jong andere ervaringen heeft op dit punt is het de vraag of en in hoeverre, die in de kring van onze kerken van toepassing zijn.

Aan het slot van zijn artikelen zegt de schrijver dat er veel gewonnen zou zijn "wanneer we b.v. op de catechisatieles verlost worden van de krampachtige, gelijkhebberige, spitsvondige discussie tussen predikanten catechisant over dingen, die er echt niet zoveel toe doen".
Aan deze algemene, onbillijke kritiek op zo'n zwaar onderdeel van het werk van onze predikanten heeft niemand iets. We leven in een tijd, waarin de kerk en de ambtsdragers van de kerk het nogal eens moeten ontgelden, helaas ook in de kolommen van Opbouw.
Dit is een verdrietige zaak, want ons blad beoogt de Opbouw van het gereformeerde leven.
Ik treed nu niet in bijzonderheden; al ben ik tot nadere verantwoording zeker bereid, maar volsta met te zeggen dat ik het betreur nu ook in de· artikelen van ds De Jong krenkende passages aan te treffen. Onze predikanten staan week aan week voor de moeilijke opgave om de jeugd van de gemeenten te onderwijzen en te winnen voor de goede zaak. Zij moeten optornen tegen de geest van onze tijd en al wat de wereld van onze dagen de jonge mensen te bieden heeft. In mijn ervaring in onze kerken behoren discussies als door ds De Jong genoemd al lang tot het verleden.
Voor de inzet van de ambtsdragers in onze kerken, die voor zoveel dingen komen te staan heb ik respect. Zeker, er worden fouten gemaakt; hoe kan het ook anders.
In de gemeenschap van Christus' kerk kunnen fouten gemaakt worden en die zullen gedragen en verdragen moeten worden; daarvoor zijn we juist gemeente.
Bij afbrekende kritiek heb ik altijd de neiging om voor de kerken te gaan staan en ik kan het moeilijk verdragen wanneer er getrapt wordt tegen zaken die ons lief moeten zijn.
Vervolgens is mij uit gesprekken en brieven gebleken, dat het aanstoot heeft gegeven dat in de artikelen werd gesteld, dat wanneer de bereidheid er niet is om tot de door ds De Jong bepleite identiteit te komen, we beter doen over de verschillen met andere Gereformeerde Kerken maar heen te stappen. Met collo De Jong ben ik van mening dat we ons rekenschap moeten geven van onze plaats als kerken in het geheel van het lichaam van Christus en het zou mij een lief ding waard zijn, wanneer het tot een hereniging of vereniging van kerken van gereformeerd belijden zou komen.
We zullen echter het uiterste moeten doen om die weg samen te gaan en daarom hoop rik maar dat de woorden van ds De Jong niemand aanleiding geven om de zaak die ons bezig houdt in eigen verantwoording op te lossen door uit te wijken naar elders en dat hiervoor ook geen aanleiding wordt gegeven.
Als Nederlands Gereformeerde Kerken hebben we de verantwoording allereerst voor de eigen gemeente, maar ook voor elkaar, voor de zendingsarbeid namens de kerken in Zuid-Afrika verricht, voor de verzorging van de emeritipredikanten, voor de weduwen en nog zoveel meer dat, dank zij aller medewerking en gaven mogelijk is.
Laat daarom ieder zijn verantwoordelijkheid kennen en laten we voorzichtig met elkaar omgaan, want we zijn weinig in getal en een kleine kerkelijke gemeenschap vraagt bijzondere trouw.
Daarom nog een enkel woord over de reacties op het schrijven in Opbouw.
Eerst zullen we moeten constateren dat de artikelen van ds De Jong verontrusting hebben verwekt in de kerken. Vragen rondom het gezag van de Schrift liggen erg gevoelig in Gereformeerde kerken en als het vermoeden rijst dat aan dit gezag getornd wordt gaan de mensen zich afvragen waar dit op uit zal lopen.
De artikelen in Opbouw zijn bij onderscheiden broeders en zusters overgekomen als een reductie, zo al niet aantasting van het gezag van de Schrift en dat valt te betreuren.
In mijn bespreking van de artikelen heb ik duidelijk stelling genomen en, naar ik meen, aangetoond, dat er nog al wat misverstanden liggen en van aanranding van de Schrift niet gesproken kan worden.
Nieuwe verontrusting ontstond, toen in november een aflevering van de mededelingen van de Stichting Nederlands Gereformeerd Seminarie verscheen, waarin de redactie niet alleen mededelingen verstrekte, maar in een artikel .Drs H. de Jong en onze kerken" van de hand van A.K. zich geroepen achtte de kerken van voorlichting te dienen op een wijze, die ik alleen maar kan kwalificeren als een aanval op ds De Jong, zijn werk en het blad Opbouw.
In het voorafgaande heb ik ds De Jong en Opbouw mijn kritiek niet bespaard, en ook al zijn er passages in het artikel van A.K. waarmee ik kan instemmen, toch wil ik mij nadrukkelijk distantiëren van deze kritiek en wijze van handelen.
Het seminarie heeft met de toezending van dit bulletin de vrede van de kerken en de zaken die in het geding zijn niet gediend.
Kerkenraden die hebben besloten de toegezonden bulletins niet aan de gemeente uit te reiken hebben m.i. wijs gehandeld. Want nu lopen we het risico dat de verontrusting over het optreden van het Seminarie gaat wedijveren met die over de artikelen in Opbouw en kan er een klimaat ontstaan, dat niet bevorderlijk is om samen verder te gaan in zaken waarover in de kerken verschillend gedacht, waaronder ook de opleiding en begeleiding van de a.s. predikanten vallen.
Op de inhoud van het artikel van A.K. ga ik nu niet in, omdat in het het oog de opvattingen van de broeders van het seminarie over wat men noemt de verwetenschappelijking van de theologie een rol spelen en een discussie daarover buiten het kader van deze artikelen valt.
Daarom volsta ik met te zeggen dat het eenvoudig niet waar is, wanneer A.K. de conclusie trekt dat de artikelen van ds De Jong in Opbouw "liggen op hetzelfde onverantwoorde niveau als het werk van de moderne "bronnensplitsers" die de theologische faculteiten bevolken en met behulp van speculatieve arbeidsmethoden, waarvoor elke man van degelijke wetenschap zich zou generen (merkwaardig dit beroep op de wetenschap uit deze pen v.d.K.) de bijbelboeken van hun gezag beroven".
Wie ook maar enigszins op de hoogte is van bronnensplitsing en historisch kritisch onderzoek van de bijbel, kan duidelijk het verschil zien tussen wat in deze kringen geleerd wordt en wat ds De Jong in zijn artikelen aan de orde stelde.
Aan het slot van deze bespreking gekomen wil ik nog opmerken dat we moeten voorkomen dat de kerkelijke pers de plaats gaat innemen van het kerkverband. Onze kerken hebben ook in dit opzicht een geschiedenis en weten hoeveel spanningen en ook scheuringen in kerken het gevolg zijn geweest van polemiek in de pers, waarin allerlei beschuldigingen worden gelanceerd. Wanneer er in gemeenten of in kerkenraden bezwaren leven en er beschuldigingen vallen die te maken hebben met de confessionele trouw is een artikel gauw gepubliceerd en een verklaring of uitspraak van een kerkenraad vindt gauw haar weg naar de pers.
Wanneer er klachten zijn of bezwaren moeten deze op kerkelijke vergaderingen of bij door de kerken aangewezen instanties aan de orde gesteld worden, zo wordt de vrede gediend en gaan we met elkaar om in Christus' kerk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief