DOOR WEER EN WIND

1979-06-29
  • Jaargang 23
  • nummer 26
En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
Rom. 8: 26 Wij weten niet wat we bidden zullen, omdat we niet weten hoe Gods weg naar het heil loopt door het lijden van deze tegenwoordige tijd.

Een duidelijke demonstratie van die onwetendheid is de geschiedenis van Jozef.
Ik denk dat Jozef heel goed wist wat hij bidden moest: om bescherming tegen de haat van de broers en om een mooie carrière in de huishouding van Potifar en om spoedige bevrijding uit de gevangenis en om terugkeer naar zijn familie in Kanaän.

Maar ik denk ook dat hij later gezegd heeft: ik wist eigenlijk helemaal niet wat ik bidden moest.
Want al die nare; die vreselijke dingen die me overkomen zijn en waar ik tegenin gebeden heb,die heeft God juist gebruikt om mij en heel mijn volk zijn heil te doen men. Wat heb ik eigenlijk in den blinde gebeden, toen ik zei: laat de broers me niet te pakken krijgen.
Want toen ze me te pakken kregen, toen ze me de ondergang in schopten, - toen heeft God me voor hen uitgezonden om ons allemaal in het leven te houden.

Dat is nu, wat Paulus bedoelt als hij in vers 28 zegt: wij weten dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die Hij verheerlijken zal. Juist als wij zouden zeggen: nu gaat het volkomen mis met ons, dit is het het einde van onze hoop, dit is de overwinning van de
duisternis, juist dan gaat God met ons verder op de weg van het leven en van het licht.

Dáárom weten wij eigenlijk niet wat we bidden zullen. Je bidt om uitkomst, want je wilt leven. Maar de uitkomst blijft uit en wat je zo zeer gevreesd hebt komt toch.
Maar later blijkt dat je juist via deze wanhopige situatie zo ongedacht gezegend bent. Je meent, dat je enige kans op geluk bestaat in dat ene, waarop jij je hart hebt gezet.

En je bidt erom. Maar de kans wordt je ontnomen en je denkt: nu ben ik verloren. En misschien ben je ook wel verloren. Maar vroeg of laat wordt duidelijk dat juist op deze manier het heil in je leven is doorgebroken.

Daarom bidden we wel en we bidden om dat wat ons het beste lijkt. we maken al onze wensen en begeerten aan God bekend. We zeggen: geef ons dit, want we hebben het zo nodig, We vragen: bewaar ons daarvoor, alstublieft, want het zal ons breken. Maar tegelijk moeten we zeggen: we weten het niet. Het zou best eens kunnen zijn dat onze hoop op de heerlijkheid van de kinderen Gods slechts werkelijkheid wordt via het lijden van deze tijd, - het lijden dat wij van ons weghouden.
Wij weten echt niet wat wij bidden moeten, voor onszelf, voor de wereld, voor de mensen vlak naast ons, de mensen die ons zo lief zijn.
We weten niet wat we bidden moeten, als het gaat om hun geluk, om de luister van hun leven.
En we zouden dan ook eigenlijk helemaal niet meer durven bidden, wanneer dat andere niet waar was, dat God zelf ons in onze zwakheid te hulp komt. God de Geest. Dat wil zeggen: die God, die niet op een afstand blijft, die niet uit de verte ons bemoedigend toespreekt, maar die op de een of andere manier - en laten wij niet denken, dat we precies weten, hoe - die op de een of andere manier zich zo met ons inlaat, zich zo aan ons verbindt, dat we zeggen moeten: Hij is in ons gekropen. Hij is in ons bloed gaan zitten. Hij is de dynamiek van ons bestaan geworden.

Wij, - dat zijn wij niet alléén, wij op onszelf, maar dat is ook: God in ons. God die - vaak tegen onszelf in - het geheim is geworden van ons eigenlijke "ik".
Nou, die God is het die, als wij bidden, ook bidt. En zijn vraag, zijn roep om heil, - dat is het eigenlijke van ons gebed geworden.

Ons gèbed, dat zo zwak is, zo verward en onzeker, en toch vol vertrouwen in God. Vertrouwen in die God, die ons vragen hoort, maar in al die vragen - hoe dwaas ze ook mogen zijn, hoezeer tegen ons heil in - toch ook nog iets anders hoort: de roep om werkelijk heil, heil dat Hij alleen geven kan en geven wil: Vader, dit wil ik, maar daarboven uit wil ik , ook nog iets anders, iets wat meer is, - dat gebeuren gaat niet wat ik wil, maar wat u wilt, want dat alleen is goed. Dat alleen is de weg, de vaak zo verschrikkelijke weg, waarlangs uw heil komt.

Dát hoort God in ons gebed. Zelfs als wij het niet zeggen. Want wij zijn vaak slechts dat ene, waaraan ons leven hangt, en we vragen erom met alles wat in ons is. We kunnen soms alleen maar zeggen: o God, dat niet, dát niet. Hoeveel kortzichtigheid is er niet in ons gebed. Hoeveel opstandigheid.
Hoeveel ongeloof en twijfel.
Maar dat is niet het enige. Dat is zelfs niet het voornaamste.
Wij bidden wel. Maar we bidden niet alleen. God zelf bidt in ons.

God die zich zozeer aan ons verbonden heeft dat Hij aan onze kant is gaan staan, dat Hij door ons heen getrokken is. En in wat wij zeggen is ook iets van Hem.
Is, ondanks alles, ook iets van Hem. Is boven alles uit ook iets van Hem. Iets dat ook het onze geworden is. Want wij leven. Maar we leven niet meer op onszelf.
God leeft in ons.

Natuurlijk, zo ben ik niet helemaal.
Er is ook nog een heleboel in me, dat zich aan de Geest onttrekt. En ik kan het één vaak niet eens van het ander onderscheiden. Want het is zo door elkaar verstrengeld dat ik er geen wijs uit kan worden.
Maar God kan er wel wijs uit worden, En als Hij mij hoort bidden, dan hoort Hij veel dat van mij komt, van mij alleen, van mij zoals ik ben zonder Hem. En dat is niet zo best. Maar daarbovenuit hoort God ook nog iets anders. Hoort Hij iets wat van de Geest is, wat van Hem zelf is. Van Hemzelf en mij. Van mij zoals ik ben met Hem samen.

Want ik bid wel. En in de woorden die ik spreek, de wensen die ik uit, is heel wat dat vreemd is aan God, tegen het heil in. Maar dwars door die woorden heen, voor mij onuitsprekelijk, is er de vraag om echt heil. De vraag die ik zelf vaak niet eens tot uitdrukking brengen kan, maar die de Geest voor mij vertaalt naar God toe. De vraag om dat wat me misschien breken zal. Maar toch: de vraag om de luister van mijn leven.

Zo bidden we voor onszelf. Zo bidden we voor de anderen om ons heen. We bidden om alles wat ons en die anderen gezond moet maken, gelukkig, stralend. Maar we weten niet wat we bidden moeten.
Hoe zouden wij dat weten?
Toch bidden we. We bidden onszelf en die anderen naar de zonneschijn toe. Maar God hoort in ons bidden nog iets anders: de vraag van de Geest die in onze woorden meespreekt. God hoort dit: dat we onszelf en die anderen naar Hem toe bidden, naar Hem toe smeken.
Als het moet niet door de zonneschijn heen, maar door de nacht heen. Maar wel naar God toe.
En misschien kunnen we niet eens meer bidden. Misschien zien we geen kans meer, woorden te vinden die het God duidelijk kunnen maken, wat we voelen, wat ons beweegt, wat ons bidden doet.
Misschien kunnen we alleen nog maar kreunen: 0 God, 0 God.
Maar zelfs dan is het God die ons te hulp komt en die zelfs een stomme schreeuw maakt tot een schreeuw naar Hem, een schreeuw die Hij hoort en beantwoordt. Die Hij beantwoordt door te komen.
Te komen door nacht en zonneschijn.
Te komen met zijn heil voor ons, mensen. Te komen nu, vandaag, langs een verschrikkelijke weg, omdat Hij juist zo komen wil, voorgoed, met het leven zelf.
Het leven, dat nu al begint door te breken in ons doodse bestaan.
Doordat we bidden gaan. Doordat de Geest ons te hulp komt. En dan gebeurt het: in mijn ongeloof gevangen bid en smeek ik naar U toe.

De Geest die in ons woont
verzucht en smeekt naar God,
dat Hij ons in de Zoon
doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt.
Kom, Schepper, Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.

Lied 247

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief