Onze God in de hemel 1)

1979-07-13
  • Jaargang 23
  • nummer 27
Deze psalm 115 moeten wij plaatsen tegen het einde van de babylonisch ballingschap of in de tijd dat het teruggekeerde Israël opnieuw de eerste stapjes zette op de oude beloftegrond van Kanaän.
Dus, in de dagen van Zerubbabel.
De hele zaak van Gods heilsplan met Israël hing toen voor 't oog aan een zijden draadje. Zou er wel een Israël overblijven? En voor dat Israël een toekomst? We weten dat de verwereldlijking onder Gods volk hard bad toegeslagen. De grote hoop bleef in Babel achter en bad zich de belofte vam God uit het hoofd gezet. Bij weinigen leefde nog de grote verwachting. Dat bleek wel uit de kleine getallen die Zerubbabel uit Mesopotamië had meegebracht. Daar slaat het ook op, wanneer verderop in de psalm aan Israël kinderzegen wordt beloofd.
Die was ook nodig.
Te midden van deze troosteloosheid begint deze psalm te bidden: "Niet ons, 0 HERE, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw." Een weerklank is dit woord op wat de profeet Ezechiël eerder gezegd had in de ballingschap. Hij mocht toen een herbegin aankondigen van God voor Israël in Babel en hij moest daarbij zeggen: "Zo zegt de HERE: Niet om uwentwil doe Ik het, huis Israëls, maar om mijn heilige naam ... (Ez. 36 : 22).
Goed Here, zegt psalm 115 nu, helemaal mee eens: niet om onzentwil, maar dóe het dan toch maar! Inderdaad om Uw naam.
Geef die eer! Want uiteindelijk zijn niet wij het die beschaamd worden, wij die de dragers zijn van al Uw grote woorden, maar Uw naam die aan die grote woorden het eerst verbonden is, die lijdt schade. Doe daar wat aan!

Want de heidenen spotten. Onze buren in de straten van Babylon honen. Wij horen ze zeggen met een klank van triomf in hun stem: 't Wil nog niet zo lukken, hè, daar in Jeruzalem? En hier ook, jullie krijgen er niet veel mensen voor warm, voor die terugkeer. Ach, Here, waarom zouden de heidenen zeggen: waar is toch hun God?
Weet u, dat dat de ergste pijn is die ons kan treffen, dat wij in de naam van onze God worden aangetast?
Bij veel van wat de wereld tegen ons zegt, moeten wij beschaamd de ogen neerslaan, Er zit vaak een kern van waarheid in, ook al is de kritiek zelf hatelijk en niet opbouwend. Wij merken dan weer, dat wij alleen maar dank zij Gods vergeving kunnen bestaan.
In ons zelf zijn we niets.
Maar pas echt pijnlijk wordt het, wanneer de wereld onder een schijn vam gelijk gaat vragen: waar is nu toch jullie God? Psalm 42 zegt dat dat een doodsteek in ons gebeente is. Want waar moeten wij heenvluchten als Hij er zelf eens niet zou zijn? Als onze enig overblijvende vastheid wordt aangevochten?

Nu zijn er christenen die zeggen: en dáárom zijn gebedsverhoringen voor ons hèt godsbewijs. Hij heeft immers gezegd: bid en gij zult ontvangen? Nu, dus bidden wij en dus ontvangen wij. En dat tonen wij aan de wereld als bewijsstuk.
Als ze vragen: waar is nu uw God?
dan zeggen wij: hier is onze God!
Kijk maar!
Hebben zij gelijk? Onze psalm zegt iets anders. Op de heidense vraag: waar is toch jullie God, zegt deze dichter niet: zie, hier is onze God.
Nee, hij kijkt de broederkring rond en ziet in de ogen van de mensen dat zenuwachtige: konden wij nu maar eens zeggen, aanwijzen, aantonen: zie hier is onze God.
Konden wij toch voor die heidenen het godsbewijs maar eens kant en klaar op tafel leggen. Maar dan schudt de man van dit lied het hoofden zegt: onze God, broeders, is toch in de hemel? Hij doet al wat Hem behaagt.
Wij hebben toch geen God op bestelling, zoals de wereld goden heeft van zilver en goud; goden die ze op elk gewenst moment kan laten opdraven? Wij kunnen toch niet op elk moment dat wij kiezen een druk op de gebedsknop geven en de verhoring rolt eruit? Zo is toch onze God niet?
Toch gaan wij vaak zo met de Here om. Dan zitten wij in moeilijkheden en zeggen: nu een teken van Uw bestaan, Uw aanwezigheid, Uw kracht, of 't hoeft voor mij niet meer! En achteraf zien we, hoe dwingerig we bezig waren.
God liet trouwens ook wel duidelijk zien dat Hij er was, maar we keken in de verkeelde richting. Wij Heten Hem geen vrijheid, maar bonden Hem aan ons verlanglijstje. Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Daarom is eerbied het eerste woord in ons geloof.

Zie ik het goed, dan bestaat er tegenwoordig in de opvoeding en in de catechese de neiging om God voor onze kinderen aannemelijk te maken, om Hem aan te praten, te 'verkopen'. Bij die houding is dat woord uit psalm 115 dat onze God in de hemel is, natuurlijk een spaak in het wiel. God als de majesteitelijke, de verhevene, de heilige verkondigen, dat is in strijd met de grondbeginselen van onze verkoopkunde.
Toch moeten wij oppassen met deze tact en deze tactiek van ons.
En wij moeten ook niet vrezen, ook niet voor onze kinderen. Toch vrezen wij. Dat blijkt hieruit dat wij proberen G~ voor onze kinderen acceptabel te maken. Wij zeggen dan: God is je grote vriend.
Maar beseffen wij wet dat wij met dit zinnetje een groot geloofsgeheimenis uitspreken? En dat geloofsgeheimenissen niet op straat liggen? Alleen voor het geloof toegankelijk zijn? Dat zoveel mensen vandaag mopperen op God, komt mede doordat zij verkeerd gecatechiseerd zijn. God is je grote vriend, ja, maar dat is niet vanzelfsprekend en alleen in Christus waar.
Het is net als met het kinderversje: de politie is je beste kameraad.
Dat is ook een lied, dat ingegeven is door vrees. Deze vrees: onze kinderen accepteren geen gezagsverhoudingen meer. Laten we daarom dat wat een gezagsverhouding is, vriendschap noemen. Maar de politie kan dat natuurlijk niet altijd waarmaken, dat-ie je beste kameraad is. Straks krijg je een bekeuring van zo'n man, Weg kameraad!
Waarom gebruiken wij niet nauwkeurig de woorden van de Schrift, namelijk dat God ons om Christus' wil genadig is? Dat is iets anders.
Het woord 'vriend', juist als je het als enige aanduiding voor God gebruikt, suggereert iets dat er niet is, althans er niet altijd is, namelijk vertrouwelijkheid en doorzichtigheid.
Maar rondom het woord 'genade' hangt een sfeer van heiligheid, want genade is de gunstige gezindheid van een hogere voor een lagere.
Maar daar horen wij liever aan voorbij. Wij vrezen dat onze kinderen later niet zullen geloven en daarom denken we: laten we God maar als een vriend voorstellen, dan is Hij misschien wel aanvaardbaar voor hen. Maar zo schepen wij ze in de puberteit met grote problemen op en ze gooien het godsbeeld dat wij ze meegegeven hebben, in gruzelementen. Ze moeten ook wel, want ze lopen er mee vast.

Maar, zal iemand zeggen, ik heb zelf als volwassene toch ook wel moeite met een God in de hemel, die doet al wat Hem behaagt.
Vooral dat woord 'behaagt'. "Het behaagde de Here, uit ons midden weg te nemen ... " Is God dan zo dat Hij in zulke dingen behagen schept? Moeten wij dat echt geloven?
Nee, God is geen sadist. Hij doet al wat Hem behaagt - dat is een uitdrukking die niet een lelijke karaktertrek bedoelt aan te geven bij God, maar de uitdrukking duidt op 't majesteitelijke van God.
Het is inderdaad de vraag of dat vandaag in onze taal nog overkomt, maar zo is 't in ieder geval wel bedoeld. Hij is de Here, Hij doet wat goed is in zijn ogen.
Het majesteitelijke, dat staart in deze psalm op de voorgrond. Maar als dat eenmaal op de voorgrond gesteld is, dan mogen wij vervolgens ook zeggen, dat wij deze majesteitelijke God kennen als de Vader van onze Here Jezus Christus.
Door zijn heiligheid heen komen wij bij zijn genade.
Deze genade en liefde van God in Christus zijn er de oorzaak van dat verderop in deze psalm herhaaldelijk wordt opgeroepen om Hem te vertrouwen. "Israël, vertrouw op de HERE." Enzovoorts. "Want Hij is onze hulp en ons schild." Hij is dat op zijn wijze als God in de hemel. Wij moeten Hem daarin vrijlaten. Wij kunnen Hem daarin ook vrijlaten. Want de hemel is ook de plaats vanwaar Hij de grootste armslag heeft. De hemel duidt op zijn vrijmacht, maar ook op zijn almacht.
Soms, als wij bidden, geeft de Here ons in zijn goedheid om zo te zeggen antwoord per kerende post.
Terwijl Hij ons bij andere gelegenheden niet schijnt te horen. Als Hij ons zo direct antwoordt en ons op onze wenken bedient, is dat niet om zichzelf voor ons overzichtelijk en doorzichtig en acceptabel te maken. Nee, Hij geeft ons dan een teken ter bemoediging; waar we weer een poosje op kunnen teren als we in het donker voortstappen. "Israël, vertrouw op de HERE," - wordt ons daarmee dan gezegd.
Maar er wordt nooit gezegd: Israël, kijk de Here op de handen. God is voor het nieuwsgierig verstand een groot raadsel. Maar voor 't gelovig hart is Hij een rots. Wij begrijpen Hem niet, maar wij vertrouwen Hem wel.

1) Toespraak voor de Alle-dag-kerk, 4 april 1979.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief