De plaats van de vrouw in de gemeente

1979-07-13
  • Jaargang 23
  • nummer 27
Voortgezette gedachtenwisseling

In Opbouw van 20 april schreef br. D. van de Wetering onder de titel "Vrouwenemancipatie - een bijbelse opdracht?" over de plaats van de vrouw in de gemeente.
Hoewel over dit onderwerp al meer geschreven is, daar is zelfs een gebundelde uitgave van verschenen, wil ik toch wegens het belang van de zaak ook van mijn kant een steentje bijdragen.
Vooral na de beslissing van de landelijke vergadering lijkt het me een goede zaak, dat wij over dit onderwerp verder met elkaar blijven spreken.
Hoewel het niet mijn bedoeling is het artikel van br. Van de Wetering op de voet te volgen, zal ik wel hier en daar wat kritische opmerkingen maken naar aanleiding van wat hij schreef.

De vrijmaking van de vrouw
In Gal. 3 : 27-28 schrijft Paulus: "Gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus."
Wat betreft het deelgenoot zijn in het door Christus geschonken heil bestaat er dus volkomen gelijkheid van man en vrouw.
Deze principiële gelijkwaardigheid voor Christus, waarover ook op andere plaatsen in de Schrift gesproken wordt, is van grote betekenis voor de positie van de vrouw.
Niet in die zin, dat de Schrift hier een modern feminisme zou verkondigen.
Gelijkwaardigheid in genade betekent geen identiteit. De eenheid in Christus maakt de vrouw niet tot man.
Zo schreef prof. dr H. Bavinck: "De geestelijke gelijkheid heft de natuurlijke ongelijkheid tussen man en vrouw niet op.".
Tegelijk met de gelijkwaardigheid van man en vrouw noemde hij die van slaaf en vrije. Principieel was dat een uitspraak met diepingrijpende consequenties.
Toch ging Paulus hierbij niet revolutionair te werk. Zo gebood hij, dat de slaven aan hun meesters onderdanig moesten zijn.
Wanneer Paulus deze gelijkwaardigheid van man en vrouw, slaaf en vrije direct in volle omvang voor alle verhoudingen had uitgewerkt, zou hij een maatschappelijke revolutie gepredikt hebben. Zoals steeds, heeft het Evangelie hier ook als een zuurdesem gewerkt. Helaas heeft het lang geduurd, voordat de christenen begrepen, dat slavernij in strijd was met de gelijkwaardigheid van de mensen. Toch was het fundament van de slavernij in beginsel ondergraven.
Zou ook de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor Christus op den duur niet evenzeer ingrijpende gevolgen moeten hebben?
De christelijke kerk heeft zich dan ook terecht ingezet voor de verheffing van de vrouw. Helaas is in de latere middeleeuwen weer verstarring opgetreden.
De Reformatie heeft daar ook niet veel verandering in gebracht, De vrouw zou intellectueel zwakker zijn en daardoor ook lichter te verleiden.
Daarom behoorde de vrouw ook niet te onderwijzen. Men kon daarbij ook nog gebruik maken van het gebod van Paulus, dat de vrouw in de gemeente had te zwijgen.
Vaak werd ook gebruik gemaakt van Oen. 3: 16, waarin God zegt, dat de man over de vrouw zal heersen. Wat een vloek was, werd als een gebod beschouwd. Wanneer hier sprake was van een gebod, zou de man ook nu nog in het zweet zijns aanschijns zijn brood moeten verdienen.
Tenslotte heeft ook de traditie een remmende rol gespeeld bij de vrijmaking van de vrouw.
Br. Van de Wetering meent, dat Paulus zich in 1 Kor. 11 : 2 ook op de traditie beroept. Het komt mij voor, dat hij zich hierin vergist. Paulus prijst de gemeente, omdat ze zich houdt aan de overleveringen, die hij hen heeft doorgegeven.
Het gaat hier echter niet over tradities, maar over wat Paulus hen mondeling in zijn preken heeft doorgegeven. De oude vertaling, die hier spreekt van "inzettingen" is duidelijker.
Paulus wil ons in 1979 niet binden aan de tradities en zeden van die tijd.
Als dat zo was, behoorden de vrouwen geen kort haar te dragen en zou voor de mannen het dragen van lang haar verboden zijn.
Al is de positie van de vrouw in onze tijd zeer verbeterd, er zijn naar mijn indruk nog altijd mannen, die de vrouwen wat lager noteren, dan de mannen. Waarom ontzeggen bv. sommigen aan de vrouwen nog altijd het recht zich buiten haar huis te ontplooien, wanneer de ontwikkeling van de moderne maatschappij daar goede mogelijkheden toe biedt?
De opvatting, dat de vrouw niet buiten haar gezin moet werken berust op een burgerlijke opinievorming, maar niet op de Schrift.
Men haalt daar graag de huisvrouw van Spreuken 31 voor aan. Deze vrouw deed echter juist veel werk, dat in onze tijd voor een ,groot deel buiten huis plaats vindt.
Of een gehuwde vrouw buiten haar gezin zal gaan werken is een belangrijke zaak, maar zij gaat haar, haar man en haar kinderen aan.

De verhouding van man en vrouw in het huwelijk
Ook voor de verhouding van man en vrouw in het huwelijk geeft de Schrift ons richtlijnen. Paulus ging daarbij weer dwars tegen de zeden van die tijd in.
Bij de Romeinen had de man de absolute macht over de vrouw.
Ook bij de Grieken had de vrouw een minderwaardige positie. De heteare moest de man aangenaam bezig houden, de huisvrouw diende voor de opbouw van het gezin en de slavin voor de sexuele bevrediging.
Paulus spreekt echter geheel anders. In 1 Kor. 7 : 3-5 spreekt hij over de wederkerige echtelijke verplichtingen. Dat was voor die mensen van die tijd een dwaasheid.
De man is het hoofd, zo schrijft hij. Dit is echter heel wat anders dan het heersen, zoals we dat bij de Romeinen aantreffen. We lezen ook, dat Christus het hoofd is. Christus zelf zegt daarvan, dat Hij gekomen is als een, die dient. Het gaat hier dus over het dienend leiding geven.
Tot de man wordt ook niet gezegd, dat hij over zijn vrouw moet heersen, maar dat hij zijn vrouw moet liefhebben als zijn eigen lichaam. En de vrouw krijgt te horen, dat zij onderdanig moet zijn. Paulus wijst beide, mannen en vrouwen, op die punten, waar zij nog al eens tekort schieten.
De orde, die Paulus hier aangeeft is nog geldig, al beleven wij dat in onze tijd wel anders dan in de tijd van Paulus.
Mijn bezwaar tegen het betoog van br. Van de Wetering is, dat hij de verhouding van man en vrouw in het huwelijk ook daarbuiten, met name in de kerk wil toepassen. Consequent doorgeredeneerd, zou die verhouding dan altijd een van onderdanigheid moeten zijn.
Hij zal het echter met mij eens zijn, dat Koningin Juliana, hoewel zij als echtgenote onderdanig moet zijn, dit van haar als Vorstin toch niet geldt.
De orde, die God binnen het huwelijk bepaald heeft, is niet normerend voor andere relaties. Wanneer men dat meent, komt men in strijd met de gelijkwaardigheid van man en vrouw, waarover de Schrift zich zo duidelijk heeft uitgesproken.

De zwijgende vrouw
Ondanks de uitspraak van de Schrift, dat man en vrouw voor Christus gelijkwaardig zijn, is vooral in de kerk de vrijmaking van de vrouw maar een moeizaam proces geweest.
Een van de meest gebruikte teksten in dit verband is wel 1 Kon. 14 : 34: "Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen."
Wanneer we deze tekst nader bezien, valt het op, dat Paulus hier aan de gehuwde vrouwen denkt. Immers hij zegt, dat de vrouwen, die iets willen weten, het thuis maar aan hun mannen moeten vragen, Paulus spreekt hier dus niet over vrouwelijke leden in het algemeen.
In de 2e plaats is het duidelijk, dat Paulus in dit verband helemaal niet denkt aan vrouwen, die ambtelijk preken. Het zou immers onlogisch zijn daarop te laten volgen, dat zij het thuis aan hun mannen moeten vragen.
Het gaat hier over gehuwde vrouwen.tdie in de gemeente iets willen vragen.
Daarvan zegt Paulus, dat ze het thuis aan hun mannen moeten vragen.
Het gaat hier over het gesprek in de gemeente.
Ligt het niet voor de hand, dat Paulus in deze tekst aan de vrouwen verbiedt in de gemeente te discussiëren, omdat hij dat zag als een dringen vóór haar man?
Paulus sluit zich hier aan bij het culturele kader van zijn tijd. Daarom zegt hij ook niet, dat God het verbiedt, maar hij merkt op, dat het lelijk staat voor een vrouw om in de gemeente te spreken. De zede van die tijd liet dat niet toe.
Maar is de zede van die tijd nu voor ons maatgevend?
"Met gedekten hoofde."
Wanneer wij de zeden uit de tijd van Paulus nu nog bindend achten, is het ook nodig, dat de vrouwen "met gedekten hoofde" naar de kerk gaan.
Het is onvoegzaam, zo zegt Paulus in 1 Kor. 11, dat de vrouw met ongedenkten hoofde tot God bidt. ' Het is daarom eeuwenlang gewoonte geweest, en in sommige kerken is het dat nog, dat vrouwen en meisjes in de kerken een hoed droegen.
Persoonlijk zou ik graag zien, dat deze gewoonte weer terugkeerde, omdat ik het mooier vindt. Niemand zal er in onze kring echter nog voor durven pleiten, omdat 1 Kor. 11 er over spreekt.
Het ging daar ook over een heel ander probleem.
De vrouwen droegen in die tijd een sluier. Paulus kiest nu niet voor of tegen een bepaalde zede, maar hij wil, dat de vrouw zich nergens als man, maar overal en altijd als vrouw zal gedragen.
En dat heeft ook voor ons nog betekenis.
De sprekende vrouw Het is in dit verband ook van belang op de sprekende vrouw te letten.
Paulus spreekt er o.m. over in 1 Kor. 11. Hij zegt daar, dat de vrouwen, die bidden of profeteren, dat met gedekten hoofde moeten doen. Hier is sprake van vrouwen, die in het openbaar profeteren en bidden. Het is toch wel waarschijnlijk, dat dit in samenkomsten van de gemeente plaats vond.
Br. Van de Wetering schrijft hierover, dat onderricht geven is wanneer men zijn eigen leer op eigen autoriteit brengt, terwijl men bij het profeteren woordvoerder van God is en niet met eigen autoriteit spreekt.
Afgezien van het feit, dat mij deze onderscheiding onjuist voorkomt (ik heb de indruk, dat br. Van de Wetering hier bij profeteren alleen denkt aan voorspellen), het verhaal klopt ook daarom niet, omdat de vrouwen ook mogen bidden.
Daarbij is men in elk geval niet woordvoerder van God.
Over de gelijkwaardigheid van de vrouw, en dus over het spreken van de vrouw, lezen we bij Paulus nog veel meer.
Zo noemt hij Prisca met haar man (haar in de eerste plaats) zijn medewerkers.
In Rom. 16 noemt hij Maria, waarvan hij zegt, dat ze veel heeft "gearbeid", een woord, dat speciaal het werk in het evangelie en in de gemeente aanduidt.
Hetzelfde wordt gezegd van Tryphena en Tryphosa en Persis.
In Rom. 16 wordt gesproken over Phoebe de diakones (dienares der gemeente staat in onze vertaling). Men kan erover twisten of zij diakones in ambtelijke zin is geweest, maar zit er een principieel verschil in het feit, of men deze dienst heeft bekleed met of zonder ambtelijke aanstelling door de gemeente?
Uit de brieven van Paulus kan men geen enkel argument ontlenen voor de stelling, dat de vrouw niet het geordende ambt bekleed heeft. Integendeel, in 1 Tim. 5 : 9 is sprake van een geordende taak voor weduwen in de gemeente.
Uit de vele door Paulus genoemde vrouwen wijs ik tenslotte op Phil. 4 : 5, waarin Paulus schrijft, dat Euodia en Syntyche tesamen met hem in de prediking van het Evangelie hebben gestreden naast zijn overige medewerkers.
Al deze medewerkers ziet Paulus op voet van gelijkheid met zichzelf, "Wie plant en wie begiet staan gelijk, alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn werk. Want Gods medewerkers zijn wij."
Vrouwelijke diakenen De discussie houdt zich nu vooral bezig met het diakenambt.
- In de Schrift is herhaaldelijk sprake van diakonessen. Al is het niet zeker, dat dit een ambtelijke functie betekent, -het tegendeel is evenmin aan te tonen. Heel de tegenstelling, die men maakt tussen gaven (charismata) en een dienst (diaken) is vals. De Schrift weet daar niets van.
De apostel Paulus noemt zelf zijn apostolisch ambt een gave, die Christus aan zijn gemeente heeft geschonken.
Daar is nog een ander argument voor de vrouwelijke diaken.
In 1 Tim. 3 : 11 is nl. sprake van de vereisten voor vrouwelijke diakenen.
In onze vertaling is wel toegevoegd "hun" en zo gelezen zou het betekenen, dat hier sprake is van de eisen, die men heeft te stellen aan de vrouwen van diakenen.
Het is echter onwaarschijnlijk, dat dit de bedoeling van Paulus was.
In de eerste plaats, omdat er even tevoren niet gesproken wordt over de eisen, die men zou moeten stellen aan de vrouwen van ouderlingen. Het zou toch een onlogische zaak zijn, dat vrouwen van diakenen wel en die van ouderlingen niet aan bepaalde eisen zouden moeten voldoen.
Misschien kan men uit deze woorden van Paulus wel afleiden, dat men in die tijd geen vrouwelijke ouderlingen kende.
Het zou ook een vreemde zaak zijn, dat men erkennend de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor Christus, aan de vrouw een ambt onthoudt, waarvoor zij bij uitstek geschikt is.
Naast de beschouwingen van br. Van de Wetering wilde ik het bovenstaande aan de lezers van Opbouw ter overweging geven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief