JEREMIA

1979-07-13
  • Jaargang 23
  • nummer 27
Onderstroom
Neen, bij Jeremia ligt dat anders. Hij is profeet van Jahweh. Dat wil zeggen: hij geeft niet zijn eigen visie door, maar Gods visie. En God kijkt door de buitenkant. van de situatie heen. Hij blijft niet in de oppervlakte steken. Hij kent en peilt de onderstroom van de gebeurtenissen en omstandigheden.
Die onderstroom is essentieel. Die maakt uit waarheen we op weg zijn en waar we terecht komen. Jahweh kent die onderstroom, omdat Hij die zelf bepaalt en stuurt. Hij bepaalt de gang van zaken en de toekomst.
Daarom kan Hij als enige werkelijk zeggen waar het op uitloopt en waarheen we op weg zijn. Wij kijken altijd tegen de buitenkant aan. Wij zijn van onszelf kortzichtig. Wij kunnen vaak niet beoordelen waar we uitkomen.
Hij wel.
Als een veerman je met een roeiboot over een sterk stromende rivier naar de overkant moet brengen, neemt hij een koers die naar jouw idee helemaal niet bij de aanlegsteiger uitkomt, maar een heel eind ervoor. Jij zou dat niet doen. Jij zou een rechte koers nemen, regelrecht op de aanlegsteiger aan. Het gevolg zou zijn dat je een heel eind voorbij de aanlegsteiger aan de overkant zou komen.
Dat komt omdat jij de' stroom niet kent. En dan weet je niet waar je uitkomt. Dan word je meegesleurd.
Maar de veerman kent de stroom en de sterkte ervan wel. Daarom kan hij je vertellen waar je uitkomt.
Zo is het met God ook. Hij kent de stroom van de geschiedenis, want Hij maakt die zelf. Hij weet ook waar die stroom je brengt. Dat heeft Hij Jeremia aan Israël laten zeggen. Toen iedereen in kortzichtigheid dacht dat het goed ging en dat men een veilige haven zou binnenlopen, kon Hij al vertellen dat het op een schipbreuk zou uitlopen. Toen al liet Hij Jeremia de mensen waarschuwen en hen oproepen hun koers te wijzigen. En toen iedereen in het water lag te spartelen en dacht: nu is het hopeloos; we komen nooit meer aan land en verdrinken in de volkerenzee!
wist Hij dat de stroom hen wel weer aan land zou spoelen. En Hij liet dat door Jeremia zeggen.
Jahweh kan dat laten zeggen, omdat Hij de stroom bepaalt en stuurt. Dat komt direct in vs. 18 al uit: IK breng een keer in het lot van de tenten van Jacob en over zijn woningen zal IK mij ontfermen. De stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen.

Eeuwige liefde
Er is op het moment waarop Jeremia deze woorden spreekt, niemand die dat voor mogelijk houdt. Ik stel me voor, dat Jeruzalem al verwoest is.
De Babyloniërs hebben hun sloopwerkzaamheden grondig verricht. De stad is één grote puinhoop. De bewoners staan op het punt gedeporteerd te worden. Dat lijkt het absolute einde.
Dat alles was niet over hen gekomen als een grillig noodlot, onberekenbaar en zonder de geringste aanleiding.
Integendeel. Ze hadden het verdiend.
Het oordeel was gekomen vanwege de grootheid van hun ongerechtigheden, omdat hun zonden geweldig waren (vs. 14).
Maar midden in zijn oordeel blijft de HERE trouw aan zijn verbond en beloften. Israël mag dan ontrouw zijn en de HERE noodzaken zijn volk te slaan en te tuchtigen, maar dat betekent niet dat Hij het werk van zijn handen laat varen en zijn verlossingsplan laat schieten. Daar is geen sprake van. Ik zal met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen (vs. 11).
Want Ik zal u genezing schenken en u van uw zonden genezer (vs. 17).
Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde (31 : 2).
Zo is de HERE. Als Hij liefheeft, is zijn liefde eeuwig.. Bij mensen is dat anders. Hun liefde kan verkillen en wegebben en omslaan in haat. Maar de liefde van de HERE voor zijn volk kan niet sterven. Dat is een eeuwige liefde. Dat wil niet zeggen dat Hij zijn volk nooit straft en dat het Hem straffeloos kan blijven krenken.
Dat blijkt wel uit de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap.
En als Gods oordelen komen, zijn ze beslist geen kinderspel. Maar ze betekenen niet het einde van Gods liefde. In feite komen ook Gods oordelen voort uit zijn liefde. Er komt geen einde aan Gods liefde. Ze is eeuwig:"En daarom mag Jeremia midden in de ellende aan het volk zeggen: Ik breng een keer in jullie lot en zal Mij over jullie ontfermen.

Open toekomst
Die liefde van God houdt de toekomst open. Dat geldt zowel voor het volk Israël van onze dagen als voor de nieuwtestamentische gemeente.
Er is een toekomst, omdat Gods liefde eeuwig is. Deze wereld eindigt niet met haar ondergang, omdat God de wereld liefheeft.
Het lijkt er wel eens op dat we ver afdrijven van de haven, dat we meegesleurd worden door de stroom en de draaikolken en dat we zullen wegzinken in de nacht. Maar God zegt: mijn liefde is eeuwig. Ik bepaal de stroom. Ik garandeer dat er aan het eind van de vaart land is: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Zo mogen de inwoners van Jeruzalem de ballingschap ingaan. Ze worden meegesleurd in de stroom van de volkerenzee als wrakhout. Maar ze mogen weten dat ze weer boven water zullen komen. Nu worden ze nog verminderd. Er zijn er al heel wat van hen gestorven tijdens het beleg door de honger en het zwaard.
Op weg naar Babel zullen er ook nog heel wat sterven. Maar dan zuIlen ze weer vermeerderd worden, in aantal toenemen. Dan worden de rollen omgedraaid. Dan zullen ze niet meer veracht zijn en vertrapt worden, maar dan zullen hun onderdrukkers het onderspit delven (vs. 19).
En dan komt de Messias. Jacobs vorst zal uit hem voortkomen en zijn heerser zal uit zijn midden opstaan. In vs. 9 wordt die vorst genoemd: David, hun koning, die Ik hun verwekken zal. Dat is een profetie aangaande Davids grote Zoon: Christus.
Hem zal Ik doen naderen, zegt God, om in mijn nabijheid te komen. Want wie anders zou met zijn leven borg kunnen staan en zijn leven ten borgtocht, als onderpand, kunnen geven om tot Mij te naderen (vs. 21)? Dank zij het feit dat de grote Koning uit Davids huis met zijn leven voor hen instaat bij God, zullen zijn onderdanen God tot een volk zijn en zal Hij hun tot een God zijn (vs. 22).
Dat geldt nu ook voor ons. God is onze Vader en wij zijn zijn kinderen, omdat Christus met zijn leven voor ons heeft ingestaan en voor ons heeft borg gestaan. Niemand anders zou dat gekund hebben. Niemand kan ooit zijn broeder loskopen noch aan God zijn losprijs betalen, zegt Ps. 49: 8. Alleen Christus kan dat.
Dank zij het feit dat Hij dat gedaan heeft, zijn wij nu Gods volk en is Hij onze God en Hij heeft ons lief met eeuwige liefde. En evenals bij Israël mag dan ook uit ons midden het loflied opstijgen, vreugdegedruis (vs. 19). Men hoort hen weer lachen, vertaalt de Willibrord-vertaling.
Als Christus Heer van je leven is, kun je lachen van vreugde. Lachen omdat Hij je zonden vergeven heeft en God je liefheeft met eeuwige liefde.
Omdat je toekomst hebt. Omdat je dwars door de maalstroom van deze tijd heen veilig zult landen op de oevers van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief