Het verhaal van de rijke jongen (2)
1979-07-13
Probeer Jezus en die jongen eens even te zien.- Jaargang 23
- nummer 27
Eerst die jongen: vol goede bedoelingen, wellicht ook vol met goede daden; maar alles wat hij heeft prijsgeven, dát gaat niet.
En dan Jezus: Hij is op weg naar net kruis, Hij is bezig om alles prijs te geven, Hij is bezig in Zijn eigen leven werkelijkheid te doen worden: wie niet op de tweede plaats zet ... Jezus zet zichzelf op de tweede plaats om die jongen de eerste plaats te kunnen geven.
Jezus en die jongen.
Twee mensen in gesprek.
Maar Jezus' spreken is méér dan praten alleen, Zijn spreken is meteen woordbediening: een appèl op het hart van een zondig mens, maar een liefdevol appèl. Maar het is een woordbediening zonder directe vrucht. Tussen die beiden in blijft liggen het struikelblok van de aardse goederen. Jezus volgen is niet altijd gemakkelijk.
Die jongen wil wel maar er zijn krachten die hem tegenhouden.
Tegen die krachten kan hij niet op, misschien nóg niet; misschien is hij later met lege handen bij Jezus . teruggekomen.
Er zit méér aan dit verhaal vast.
Het is goed om onszelf eerst eens af te vragen of die jongen uit dat verhaal soms ook op ons lijkt.
Misschien kan die vraag beter zó worden gesteld: lijken wij soms op hem?
Die vraag is van belang, ook als we verder gaan met het verhaal.
Want als we iets van die jongen inmiddels hebben ontdekt in onszelf, dan kan dát ons er voor bewaren afstand van hem te nemen.
We moeten maar proberen dicht bij die jongen te blijven staan, het liefst pal naast hem!
De woordbediening van de Here Jezus, hoe goed die ook mag zijn, heeft geen direkte vrucht. De jongen luistert, kijkt Jezus misschien nog even aan en gaat heen. Gods Woord maakt hem niet blij, maar droevig. Dat kán. Want God kan soms véél, heel veel, vragen.
Jezus moet teleurgesteld zijn geweest, toen die jongen het éne nodige niet zag zitten. Zo liefdevol iemand de weg wijzen en die poging dan toch nog zien mislukken, dat moet de Heiland iets hebben gedáán.
De discipelen hebben geluisterd tijdens het gesprek van Jezus en de jongen. Jezus kijkt hen aan en wijst hen er op dat rijkdom gemakkelijk een verhindering kan worden voor het binnengaan in het koninkrijk van God. De aandacht wordt van die jongen afgeleid en de boodschap wordt concreet gemaakt voor een groter publiek. En dan volgt er een preek die de discipelen bijna wanhopig maakt. "Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het koninkrijk van God te komen." Als je zo'n preek hoort is het dan zo vreemd om te vragen wie dan nog zalig kan worden?
Immers, wat is rijk? Wie is vandaag, in onze moderne welvaartsstaat, niet rijk? Het antwoord van Jezus op die vraag is duidelijk. Hij wijst omhoog. God kan alles, bij Hem is alles mogelijk. Als het goed komt, dan is dat geen werk van mensen maar van God.
Zijn wij ook zo verslagen als de discipelen? Of hebben we voor onszelf toch nog een uitweg gevonden om onder de klem van Jezus' woorden uit te komen? De bijbel lijkt het ons gemakkelijk te maken.
In Mark. 14 lezen we immers dat er een vrouw bij Jezus komt om Hem te zalven. Een albasten kruik met mirre wordt in een paar seconden leeggegoten. Dat was alles bij elkaar heel wat: het jaarloon van een arbeider (zie Matth. 20 : 9).
Zou het niet beter zijn geweest om die kruik met mirre te verkopen en de opbrengst aan de armen te geven? Deze vraag wordt aan Jezus gesteld, maar van de hand gewezen: .,De armen hebt ge immers altijd bij u en gij kunt hen weldoen wanneer gij maar wilt ... " Jezus schuift de armen duidelijk op zij terwille van Hem Zelf. En dus ligt de conclusie voor de hand dat de woorden van Jezus tot de rijke jongen blijkbaar niet gelden voor alle situaties en voor iedereen. En met onze parate bijbelkennis weten we jan ook nog te vertellen dat Jezus zelfs aan de tollenaar Zacheüs (Luk. 19 : 1 e.v.) de eis om alles aan de armen te geven niet stelt.
En Zacheüs komt vrijwillig ook niet verder dan de toezegging dat hij de helft van zijn bezit aan de armen zal geven. Ook al kán rijkdom een verhindering zijn voor het geloven (1 Tim. 6 : 9 en 10), het hóeft blijkbaar niet. En trouwens, Abraham behoorde ook niet tot de armen!
(slot volgt)