Beschermheer van heksen

1979-07-27
  • Jaargang 23
  • nummer 28
Komt u wel eens een heks tegen? Waarschijnlijk niet. Ze lopen onder ons niet veel rond. Maar enkele eeuwen geleden zag men er vele. Men zag ze vliegen. Men zag overal heksen, vooral in ongewenste personen. En die werden dan zekerheidshalve opgeruimd. We spreken over een doodgezwegen hoofdstuk uit de historie van het Christendom.

Vanaf de late middeleeuwen werd onder een heks iemand verstaan, die een verdrag met de Duivel zou hebben gesloten, teneinde het kwade in de wereld te bevorderen. Die heksen zouden met bedwelmende vergiften, met tovermiddelen en door belezing hun medeschepselen leed berokkenen.

Gewoonlijk heetten heksen vrouwen te zijn - er kwamen echter ook mannen voor, die heks genoemd werden. Terwijl in Groot-Brittanië een "gemengde" heksenorde bestaat, die nogal eens van zich doet spreken. 1) Dat laatste is niet verwonderlijk. Na de eeuw van het rationalisme ".- de negentiende eeuw, die alles wilde zien, horen, begrijpen, nameten, registreren en binnen eigen denkvermogen opbergen - kwam de slinger naar het andere uiterste: alles wat onredelijk, onmeetbaar, oncontroleerbaar en bovennatuurlijk schijnt wordt aanvaard. Het is niet verwonderlijk, dat de eerste spiritistische verschijnselen werden genoteerd, alweer in Groot-Brittanië, omstreeks de laatste eeuwwisseling, toen het rationalisme overrijp werd.

In de "duistere" middeleeuwen dus kwam het heksengeloof op. Men zag in alle tegenspoed niet zo zeer de hand Gods als wel de "kwade hand".
Men wist meer over het Boze Oog te vertellen dan over Gods vriendelijk aangezicht. Naast grote vroomheid in kloosters en kluizen kwam volmaakt heidendom voor. Wie de sterkste verhalen wist bouwde een kring van "gelovigen" op en de siddering voor het onbekende maakte, dat de leiders geloofd werden. De gechristianiseerde wereld lag opnieuw in de greep van de medicijnmannen.

Hele volken - zonder levenszekerheid, zonder toevluchtnemend geloof in onze Heiland, geconfronteerd met alle onzekerheden, rampen, epidemieën, oorlogen, wreedheden, plunderingen - concentreerden hun angsten in ongeremde haat tegen "spoken", "heksen", heksenmeesters, heksensabbatten en de baarlijke Duivel zelf. In hun ijver om hun "huizen" te reinigen vergaten ze die huizen behoorlijk te bewonen - zodat elke uitgedreven demo on een legertje van demonen meebracht en het schoongemaakte huis opnieuw betrok. 2)

Deze heksenvervolging kreeg haar naam en gestalte, toen de kerk er zich mee bemoeide. Men was al zo ver, dat men de jaarlijkse bijeenkomsten van heksen met de Satan wist te dateren op 1 Mei; de naam van de feestnacht was Walpurgisnacht en de plaats: op de Blocksberg in de Harz, W.-Dld. Het was 1484 en twee Duitse inquisiteurs kregen van paus Innocentius VIII de aanbeveling mee, om heksen uit te roeien. Wist Innocentius veel? Zijn naam beloofde niets.

Maar de twee inquisiteurs wisten wel hoe ze het moesten aanpakken. Al in 1487 was hun theologische bodem gelegd: hun boek "De Heksenhamer" kwam uit. Daarin wisten beide boeven Institutoris en Sprenger haarfijn aan te geven: hoe je heksen moest herkennen, hoe tot bekentenissen te brengen en hoe ze af te slachten. En dat weet u ook wel: wanneer eenmaal een theologische basis onder enig streven is gelegd, moet je zelfs bedrijvers van ongerechtigheid de ruimte geven.

Onder bescherming dus van de kerk, onze moederkerk, heeft men eeuwen lang menselijke wezens vervolgd, die van demonie, toverij en contact met de Satan werden verdacht. Deze heksenvervolging nam grote vormen aan: er zijn steden en dorpen door ontvolkt. Achteraf erkennen wij dat deze gesel "een uiterst, bedenkelijk sociaal-psychologisch verschijnsel" is geweest, "een der beschamendste episoden van de geschiedenis van het Christendom". 3) Wie immers een mond open deed tegen de wankele rechtspraak, werd zelf doelwit van verdenking en beschuldiging. Vanwege de ongrijpbaarheid van het bestreden kwaad nam de rechtspraak het niet nauw: elke foltering kon pas beëindigd worden wanneer het slachtoffer had bekend; nog liever na het noemen van een aantal gefingeerde medeplichtigen.

De moderne politieke folterprocessen kunnen bij de kerkgeschiedenis in de leer zijn geweest.
Met afschuw keren wij ons af van deze gruwelijke periode uit de geschicdenis van de "christenheid"; waarbij we even opmerken dat deze periode nog niet overal ter wereld is afgesloten; en waarbij wij ten overvloede vastleggen, dat niet de reformatie een punt zette achter de heksenvervolgingen, overgenomen uit de Roomse boedel. 4)

Toch komt u vandaag waarschijnlijk geen heksen tegen. Niemand zegt dat ze er niet zijn, maar indien wel dan zijn ze niet meer vogelvrij. En dat is enig winstpunt. Hoe is die ommekeer gekomen? Hoe is het christendom van deze ziekte verlost?

De waarheid gebiedt hier de naam van een Nederlands theoloog te noemen, van de Amsterdamse predikant Balthasar Bekker. Een interessant mens, waarvan we iets meer mogen weten. Het feit alleen al, dat een theoloog een einde wist te maken aan een theologische klopjacht, maakt hem dapper, zo niet beroemd.
Os Bekker was geboren in 1634 (maar dat wist u al) in het Friese plaatsje Metslawier (en dat wist u nog niet). Hij ging naar de hogeschool te Groningen, later naar de Franeker academie, huwde daar met een dochter van professor Fullenius, werd rector van de Latijnse School aldaar, en begon in 1657 als gereformeerd predikant te Oosterlittens, oud zijnde 23 jaar.

Tot zover ging alles wetenschappelijk goed. Maar op deze leeftijd begon hij zich aan te wennen: alle dingen zelf te onderzoeken en niets op gezag van anderen te geloven. Hetgeen vreselijk gevaarlijk is. Hij ging les geven aan theologische studenten, waarbij hij zijn pupillen ongetwijfeld met zijn critisch beginsel vertrouwd maakte. Dat gaf voldoende reden om ds Bekker verder onderwijs aan toekomstige predikanten te verbieden.

Toen hem het mondeling doorgeven van zijn wetenschap onmogelijk werd gemaakt, koos hij de schriftelijke weg. Hij schreef een boekje "Vaste spijse der Volmaakten". U denkt aan Paulus en aan de schrijver van de brief aan de Hebreeën? Terecht. 5) Ds Bekker trachtte zijn lezers tot volmaaktheid, tot volwassenheid te brengen; daartoe trachtte hij hen los te krijgen van de platgetreden paden en tot zelfstandigheid in het lezen, beoordelen, verwerken en geloven te brengen.

Blijkbaar hebben zijn critici hem niet begrepen. Misschien ook kende men Paulus' woorden aan Corinthe onvoldoende om het verschil in melk en vaste spijs te begrijpen. Maar toen ds Bekker een tweede boekje publiceerde, dat men wel en terdege begreep al was het in het Latijn geschreven, werd zijn "Vaste spijse" verboden!

Dat tweede boekje was een verdediging van Descartes tegen een onredelijke veroordeling van theologische zijde. Descartes was de Amsterdamse filosoof van de twijfel. Vandaag wordt gezegd, dat de twijfel het begin van wijsheid is, immers het onderzoeken van alle dingen, met behoud van het goede. Maar in die tijd gold twijfel aan algemeen-erkende-zaken als ketterij, Bekker zag dat anders. Die had al jong gemerkt, dat theologen elkaar klakkeloos kunnen naspreken - men zie slechts de Bijbelcommentaren vanaf de vroegste rabbijnen. Bekker begreep dat naspreken geen wetenschappelijk nieuws oplevert. Hij verstond ook dat twijfel een breekijzer kan zijn, dat oude rommel helpt opruimen en nieuwe schatten te voorschijn brengen. Toen men dat tweede boekje gelezen had begreep men, dat ook het eerste boekje uiterst gevaarlijk moest zijn ... voor de theologische kraam. Als gezegd: het boekje werd verboden lectuur.

Via Loenen aan de Vecht en Weesp kwam ds B. Bekker als gereformeerd predikant te Amsterdam terecht, in 1680. Daar ging hij door met schrijven: zette zijn lezers tot critisch denken aan. In 1683 was het een "Ondersoek van de Beteekeninge der Kometen", waarmee hij zoveel natuurkundige wijsheid uitstalde, dat het met kometen samenhangende bijgeloof een geduchte knauw kreeg. In 1688 kwam zijn exegese van het boek Daniël uit - in 1691 kwam eindelijk zijn levenswerk in het licht: twee delen van "De betooverde Weereld".

Zij sloegen in als een dubbele donderslag. Heel de kerkelijke wereld verzette zich met hand en tand tegen deze nieuwlichterij. Ds Bekker ging echter door en publiceerde in 1693 zijn derde en vierde deel van dit boek, dat belangrijker zou worden dan "De Heksenhamer". Hij was er zeker van, dat hij in dit boek naar de Schrift sprak en aan het christendom beter gestalte gaf dan in hoogkerkelijke heksenvervolgingen gebeurde.

Het heeft hem persoonlijk de strop bezorgd. Hij is op 7 Augustus 1692 uit het ambt gezet. Zijn reactie was een "Kort en waarachtig verhaal", in hetzelfde jaar gepubliceerd. Hij wilde wel theoloog zijn, maar dan een Bijbels theoloog; een die met het gezag van de Bijbel spreekt en niet als de Schriftgeleerden. 6) Zo heeft ds Bekker, zijn ambtelijk leven riskerende en verliezende, iets gedaan voor zijn medemensen-in-nood, zowel vervolgden als vervolgers.

Hij werd een beschermer van weduwen, wezen en vervolgden. Zijn boek heeft doorgewerkt. Met behoud van alle straf-overwegingen moest de kerk - de reformatorische eerst, later de katholieke - de juistheid van 's ketters publicaties beamen en een einde maken aan haar onchristelijke terreur.

De geschiedschrijvers erkennen achteraf Bekker's grote trouw als ijverig herder en uitstekend catecheet, zijn kundigheid van uitnemende geleerdheid. 7) En voorts zorgde de Heere wel voor deze zijn knecht: de stad Amsterdam heeft per abuis tot zijn dood toe zijn jaarwedde doorbetaald.

1) Nog in 1974 verscheen een werk "Heksen en Demonen", anoniem te Helmond uitgegeven onder nr. ISBN 902526507 3. - 2) Mtt. 12: 44 - 3) dr H. Bianchi in Kok's Chr. Encycl. II - 4) met gepaste onbescheidenheid moge ik verwijzen naar mijn artt. "Het Lied van de Heks", Opbouw 1965 en 1975 - 5) 1 Cor. 3 : 2 en Hebr. 5 : 12 - 6) Mtt. 7 : 29 - 7) Kok's Chr. Ene. 2e dr. pag. 537 dl I, z.n.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief