Pastorale notities
1979-08-10
In oude kerk-ordes is veel wijsheid te vinden. In die van Genève, uit 1561, staat dat huwelijksproblemen eerst aan de kerkeraad voorgelegd zullen worden en pas daarna, als geen verzoening tot stand kwam, aan de raad van de stad. In een kort stukje als dit is geen gelegenheid om in te gaan op de vraag, of Calvijn bepalingen als deze wel gewild heeft in deze vorm. We hebben hier te maken met de verhouding tussen overheid en kerk. Maar afgedacht daarvan, er stak iets goeds in. Onze kerkeraden lijden aan functie-verlies. De vergaderingen kunnen wel lang duren, maar dat komt dan meestal doordat de kerkeraad tegelijk dagelijks bestuur is en dus benoemingen moet doen en beslissingen nemen over gebouwen en salarissen. En de vergaderingen duren vooral lang, doordat mensen van buiten de gemeente de kerkeraadstafel bezaaien met stencils en foto-kopieën; dat neemt de laatste maanden weer sterk toe. Alsof de kerkeraad een adres is om lectuur naar toe te zenden en alsof de kerkeraad er toe verleid mag worden om lectuur te gaan verspreiden. Wanneer we kerkeraad hebben, dan denk ik wel eens: wat is het moeilijk, om hier samen te zijn als herders van de kudde. We willen dat allemaal, maar vaak worden we beziggehouden met dingen die niet op onze weg liggen en de zaken waarover we wél bezig moeten zijn, die worden niet naar ons gebracht. Men wil daarvoor een meer “professionele” aanpak en begeleiding. Het één behoeft trouwens het ander niet uit te sluiten. Doch hoe weinig wordt er nog aan gedacht, dat we een kerkeraad hebben en dat de laatste lettergreep van dat woord er aan herinnert, dat die mensen ertoe geroepen zijn om aan de kerk raad te geven.- Jaargang 23
- nummer 29