Dr Jelle Zijlstra (2)
1979-08-10
N.a.v. het onder deze titel verschenen boek, samengesteld door dr G.Puchinger (uitg. Strengholt, Naarden,f47,50) - Jaargang 23
- nummer 29
De in 1948, op 30-jarige leeftijd gepromoveerde Zijlstra kon direct aan de slag. Hij werd nl. benoemd als een van de drie hoogleraren, die een op te richten economische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam zouden moeten bemannen.
Dat ging toen echter zó maar niet. "Ik herinner me uit die benoemingsperiode nog een zitting van het College van Curatoren, onder leiding van dr J. Donner, waarbij ik aan de tand werd gevoeld met betrekking tot mijn opvattingen over de economische wetenschap in verband met de grondslag van de Vrije Universiteit. Ik heb toen gemeend de vraag te moeten stellen of het daarvoor nodig was om mij te baseren op de grondslag van de Wijsbegeerte der Wetsidee, omdat ik meende dat men dit aan de Vrije Universiteit min of meer zou aannemen. De voorzitter van het College van Curatoren formuleerde echter zo duidelijk een ontkennend antwoord, dat ik althans van die zorg ontheven was. Men diende uit deze feitelijke mededeling niet af te leiden dat ik niet een zeer grote bewondering heb voor hetgeen door de grondleggers van deze wijsbegeerte is tot stand gebracht." (27).
Ook hier weer het volstaan met een min of meer formele en heel voorzichtige situatietekening. Geen duiding van de betekenis van Gods Woord voor het wetenschappelijk werken en van zijn eigen plaats daarin.
"De Vrije Universiteit was in vergelijking met vandaag onvoorstelbaar klein; het aantal hoogleraren - gewoon plus buitengewoon was naar mijn schatting veertig of vijftig. We hadden dus nog al contact met elkaar. Ik herinner mij dat een aantal hoogleraren van alle faculteiten na onze vestiging in de Vossiusstraat 39 belet vroegen het ging nog al vormelijk toe in die dagen - voor een kennismakingsvisite ( .. ) Er was ook een zekere tegenstelling tussen aanhangers van de wijsbegeerte der wetsidee en een aantal hoogleraren die daar zeer duidelijk niet veel van moesten hebben." (31) "Als ik terugdenk aan (prof.) Okma, dan is dat voor mij welhaast de belichaming van het begrip wijsheid.
Ik herinner mij een boeiende discussie met hem over wat men tegenwoordig maatschappelijke structuren noemt. Hij zei toen in een bepaalde wending van het gesprek: 'Wij hebben geen blauwdruk van een ideale maatschappij, en wij moeten ook niet trachten zo'n blauwdruk te verkrijgen.’ Ik steigerde ietwat, want ik wilde het eigenlijk wél. Hij heeft toen rustig uiteengezet, dat ons niet méér gegeven is dan in concreto belemmeringen uit de weg te ruimen, die de komst van het Koninkrijk Gods belemmeren: 'Om een paar daarvan op te ruimen, heb je een leven lang nodig. Het zoeken van een blauwdruk kan niet anders dan je aandacht afleiden'." (32) Vier jaar lang heeft Zijlstra in Amsterdam kunnen werken. Toen kwam een directe relatie met de politiek.
"In zekere zin was ik in die tijd met betrekking tot de politiek in het algemeen, en zelfs met betrekking tot de Anti-revolutionaire Partij een grensganger. Ik kom uit een wat je zou kunnen noemen goed anti-revolutionair nest. Ik ben altijd lid van de Anti-revolutionaire Partij geweest, en heb tot op heden nooit op enige andere partij gestemd.
Maar de gang der dingen bracht met zich mee, dat ik van lieverlede althans iets opschoof van de periferie naar het centrum van de actieve politiek. Er was in die tijd in de anti-revolutionaire kring een grote belangstelling voor de economische problemen. Bij de jongere generatie leefde sterk de gedachte dat op het gebied van de economische en financiële politiek de Anti-revolutionaire Partij behebt was met een collectie achterhaalde denkbeelden. Men verwachtte derhalve wel iets van jonge moderne anti-revolutionaire economen." (34) Dat spitste zich voor hem toe, toen in 1951 de Partij van de Arbeid "De weg naar vrijheid" publiceerde, een boek waarvan vooral de heer Den Uyl vorm en inhoud had gegeven.
Zijlstra ontving het verzoek van de redactie van het weekblad Economisch-Statistische Berichten een recensie te verzorgen en hij publiceerde in dit blad een drietal artikelen, later afzonderlijk uitgegeven onder de titel "Economische orde en economische politiek". De tekst van deze bijdragen is door Puchinger volledig opgenomen.
Zijlstra brengt in die stukken de economische processen ter sprake.
Kernvraag is: behoren die gecentraliseerd beheerst te worden, dan wel is decentralisatie te verkiezen?
Zal alle economische macht in de top samengebald worden (en dan bij de overheid), dan wel kunnen te nemen beslissingen op lagere niveaus (de-centraal) vallen, bij de deelnemers aan het economisch gebeuren: ondernemers, middenstand, banken e.d. De P.v.d.A. verwerpt weliswaar de totalitaire staat, doch wil wèl komen tot het centraal beheersen van die processen. Heel kernachtig stelt Zijlstra - en laten we er op letten, dat het in 1952 geschreven is - "dat een maatschappelijke orde, die staatkundig gezien een democratie is, en economisch gezien alle productiemiddelen concentreert in handen van de staat, een huis is, tegen zichzelf verdeeld." (220). Socialisatie -
een correctie, die nodig kan zijn op een algehele vrijheid van handelen van deelnemers in het maatschappelijk proces - leidt zo licht tot een groei van overheidsbemoeienis en daarom is nodig dat "het geheel van de publieke sector relatief klein is en blijft ten opzichte van de particuliere sector." (222) Na aandacht te hebben gegeven aan kapitaalproblemen (sparen en investeren) komen de economische machtsverhoudingen ter sprake en het is opmerkelijk zo actueel deze uiteenzettingen ook thans, na 25 jaar, nog zijn. In "De weg naar vrijheid" werd het pleit gevoerdvoorzichtig weliswaar - productie en consumptie ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. De overheid moet kunnen ingrijpen, ja zelfs komen tot reguleren: "een produktiewet, een investeringswet en een kredietwet" (232). Daartegenover merkt Zijlstra op, dat naar zijn stellige overtuiging "ordening een veel vruchtbaarder weg (is) dan socialisatie" (232).
De P.v.d.A.-studie zegt dat grote inkomensverschillen tussen volken of volksgenoten leiden tot "verstoren van de gemeenschap, (zij) belemmeren de vrijheid en kweken revolutionale spanningen' (234) en overheidsingrijpen is derhalve volstrekt noodzakelijk. We moeten komen tot minimum- en maximum inkomens, uniform voor alle bedrijfstakken, diensten enz. Wie méér verdient dan volgens vast te stellen schalen toelaatbaar is, ziet dat meerdere geblokkeerd (afgenomen).
Het is bestemd voor financiering van een inkomens-aanvulling van anderen. Zijlstra acht dit tot een "voor de politieke democratie onverteerbaar brok" (236), nog afgezien van de praktische (on)uitvoerbaarheid ervan.
Deze pericoop vervolgt dan met de vermogensverhoudingen, waarbij erfrecht en inkomensgroei aan bod komen. De overheid doet daar via de belastingwetgeving een aanslag op. Diezelfde overheid kan door een actieve geldpolitiek in de economische processen nationaal en internationaal regulerend optreden, stimuleren of beperken (kredietverlening, deviezenverkeer) en daarmede trachten verstoorde evenwichten te herstellen.
Zijlstra heeft de typisch socialistische tendenzen van het streven van de P.v.d.A., neergelegd in "De weg naar vrijheid", zeer beslist afgewezen.
Hij erkende wel - en hier komen progressieve opvattingen t.a.v. oude AR-stellingen duidelijk naar voren - "dat het werk ook voor ons als economisten een 'uitdaging' vormt. Hoe men ook moge denken over het 'positieve' of 'normatieve' karakter van de economische wetenschap, wij hebben ons als economisten te mengen in - zelfs leiding te geven bijde wel zeer complexe economischpolitieke strijdvragen van de dag: dat is onze zeer bijzondere verantwoordelijkheid."
(240) Dat was in 1952, toen politici bezig waren een nieuw kabinet te formeren.
Was het wonder dat de aandacht op dr Zijlstra werd gericht om de portefeuille van Economische Zaken te gaan beheren?