De plaats van de kerk in de twintigste eeuw

1979-08-10
  • Jaargang 23
  • nummer 29
De middelbare school van de havenstad Oban telt ongeveer 1500 leerlingen.
Dat zijn kinderen uit het stadje zelf, van het platteland, voor een aanzienlijk deel ook van de eilanden afkomstig. Velen zijn in pensionaat, komen lang niet elk weekend thuis, ontgroeien de huiselijke sfeer en gaan eigen meningen vormen, of nemen deel aan groepsmeningen. Daarbij speelt de huiselijke sfeer natuurlijk een rol: men staat positief of negatief tegenover levensinstellingen, die thuis - vaak op moeilijk bereikbare eilanden - overeind zijn gehouden. Wie daar positief tegenover staat heeft gauw de naam van onnadenkend conservatief te zijn; wie het ouderlijk huis overboord gooit kan een even ongewenste uitschieter betekenen.
Toch houden de uitersten elkaar op zo'n school aardig in evenwicht, althans wanneer geen halfvolwassen leraar zijn ongecontroleerde meningen aan zijn pupillen tracht op te dringen.

Jaarlijks wordt voor deze 1500 leerlingen een wedstrijd uitgeschreven in het maken van een opstel, een essay zogezegd: waarbij zowel de weergave van een goed opgebouwd inzicht als de hantering van een zuiver taalgebruik voorname rollen spelen. De drie beste opstellers worden op een lunch genodigd en even in het zonnetje gezet; hun opstellen worden gepubliceerd.
We zijn zo gelukkig geweest het als best bekroonde opstel te bemachtigen en voor u te vertalen. We geven het u dus nu door - zonder het met de
inhoud eens te zijn, zelfs zonder daar blij mee te wezen. En tekenen er bij aan: dat het voor ons allen goed kan zijn te weten, welke meningen leven onder jongelui, die het binnen twintig jaar voor het zeggen hebben.
De titel van het bekroonde opstel staat hier reeds boven.

De kerk is altijd de bakermat van zedelijkheid en tucht geweest in beschaafde Christelijke kringen. 1) Sedert eeuwen heeft zij bovendien velen voor armoede of erger bewaard, door geldelijke steun te verlenen. Weduwen, wezen en andere behoeftigen in harde Georgeaanse of Victoriaanse tijden konden voldoende steun krijgen om in leven te blijven - in ruil voor enige uren berouwvol en boetvaardig knielen of een vlot opzeggen van de catechismus. 2)

Het was echter Lloyd George in 1905, die met de edelmoedigheid van een Welsh de kerk achterstelde bij zijn sociale politiek. Nu was het niet meer nodig om een gebed in een jas om te zetten, of een schuldbelijdenis af te leggen voor een brood. 3) Het was oneindig gemakkelijker om naar Sociale Zaken te stappen dan om in zak en as te knielen en de wraak van de Almachtige te riskeren. Langzamerhand werd de greep van de kerk op de gemeenschap zwakker. 4) Dit proces is tot vandaag doorgegaan; nu moet de kerk ploeteren en grijpt naar elke strohalm om niet onder te gaan. 5)

De kerk is de laatste jaren van de twintigste eeuw een aardige maar nutteloze versiering. Ze verschaft kleur en plechtigheid en wat sentiment met kerstfeest - maar doet weinig meer. 6) De vrije kringen van vandaag hebben geen tijd of plaats voor een instituut, dat ons zou willen vertellen hoe te denken en te handelen. We denken graag dat we ver genoeg van de grotten en dierenvellen af staan, om zelf te 'beslissen wat goed en kwaad is, wat moreel en immoreel is, wat kan en wat niet kan.
Het lichaam van de kerk is versmald tot een mond, die steeds oude meningen over nieuwe onderwerpen verkondigt en die we maar laten praten. 7) Zoals de achteruitgang van kerkbezoek en het sluiten van kerkgebouwen bewijzen, is het einde nabij en de kerk schijnt een enkele reis naar haar ondergang te hebben genomen. 8)

Slechts oudere geslachten, die hun einde voelen naderen, houden een kerk overeind en hun redenen zijn niet alle even geloofwaardig. Voor velen is het een ingeroeste gewoonte sedert hun jeugdjaren, om Bijbel te lezen en teksten 'te kennen. Voor anderen is het een sociaal genoegen om Zondagse kleren te tonen en mooie stemmen te laten horen voor de rest van de gemeente en - aangezien dit hun enig belang bij de kerk is - schijnen ze geboeid naar de spreker te luisteren, terwijl ze in werkelijkheid denken aan wat de volgende week hun zal brengen. En ook kan kerkbezoek worden gestimuleerd door vrees, waardoor de zondaar teruggehaald wordt in de spreekwoordelijke schoot, na een lang en misschien minder fraai leven. Als de dood hen besluipt willen zulke verloren zonen en dochters graag een achterdeur naar de hemel zoeken. 9)

De sleur van de wekelijkse kerkgang spreekt hen, die vandaag of morgen de gemeente zouden moeten vormen, weinig aan. Alleen bij bizondere gelegenheden: Pasen, Kerst, doop, huwelijk of een begrafenis, lopen de kerken vol, vanwege blijde of droevige gevoelens. Zo'n gebruik maakt de kerk niet veel beter. Maar hoe kunnen wij ook, die onze moraal in 10) hoofdzaak uit radio en televisie puren, enig antwoord geven op de leer van de kerk, die ons zo weinig zegt?

De gemiddelde stedeling van vandaag heeft weinig gemeen met de Jood, die de Rode Zee doortrok, en in de twintigste eeuw zien we geen brandende braambossen meer. 11) Een gebouw is een lege schil en om Christen te zijn is kerkgang niet 12) nodig. Het is heel wat belangrijker de medemens te helpen dan langdradige gebeden te componeren. In de snelle twintigste eeuwse wereld, waarin we leven, is de daad belangrijker dan de praat. De kerk levert alleen de praat en mensen van heden hebben niet het geduld om naar al te veel gepraat te luisteren. 13) In de twintigste eeuw is de kerk een stervend instituut en dat kan niet gekeerd worden. Zij doet politieke meningen horen, die niemand overneemt en biedt sociale en morele leiding, die niemand wenst. In de strijd om het bestaan is de kerk al te ver achtergebleven om ons ooit in te halen.
Het is zelfs te laat om de kerk te raden 14) de politieke prijs te geven en zich tot de religie te beperken - hetgeen in feite haar voornaamste werk zou moeten zijn. De kerk is, hoe dan ook, getuimeld van haar hoge plaats in de maatschappij en kan niet meer hersteld worden.

Zo, dat is toch wel harde taal voor een verlegen, bleek meiske van vijftien, zestien lentes. Ze is geen harde wetenschapster, kon eerder teleurgesteld zijn in haar idealen over een goede kerk. De beperkte rol 1), die ze de kerk ziet spelen, wijst o.i. in de richting van spijt. Ze zou de kerk als ons aller moeder willen zien. En de miserabele methoden, die de Britse kerken volgens de Zondagschoolverhalen en kerstboekjes hanteerden, liegen er niet om. De binding van berouw aan maatschappelijke steun (van religie aan welvaart) is altijd een gevaarlijk wapen van de kerk geweest: zie maar naar Rusland. 3) Zo iets breekt vroeg of laat op 4). En onbarmhartig ziet ze - naar we menen zonder enig genoegen, eerder met verdriet, de kerk kunsten maken om haar leden vast te houden 5).

In deze streken is de kerk inderdaad vol bij enkele gelegenheden. Daar buiten komen er weinig kerkgangers op. Velen slechts van tijd tot tijdnaar behoefte. 6) Als de kerk niet profeteert, niet meer durft zeggen: "Zo spreekt de Heere", praat ze in de lucht 7). De schrijfster heeft een oor om te horen - maar ze hoort Gods stem niet ondubbelzinnig. Dat moet slecht aflopen 8), dat is wat ze onfeilbaar aanvoelt. Het zijn oude dames (en enkele oudere heren) die wekelijks opkomen - om welke reden dan ook. 9) Jeugd ziet scherp en oordeelt zonder aanzien des persoons. Wordt haar mening niet gevraagd? Ze vraagt de mening van de kerk niet.

Dat sleur ons leven bepaalt acht zij onmenselijk. Terecht. Dat onze mening tegen een premie van kijk- en luistergeld gevormd wordt, acht zij even onzedelijk als de rest. 10). En dat oude en wonderlijke geschiedenissen opgedist worden, waar de moderne mens grote moeite mee heeft 11), schijnt haast ontoelaatbaar. Van "kerk" (= eigendom van onze Heer) naar "kerk" (= kerkgebouw) is een kleine stap, die ook wij onnadenkend vaak maken. Zo wordt de vrucht geoordeeld naar zijn schil 12). Blijft over de essentie van het Christendom: geen praat maar daad. Op zichzelf weer goed gezien, ze heeft de brief van Jacobus aan haar zij. 13). En als de kerk - in plaats van Gods licht te doen schijnen in de duisternis van onze tijd - achter dwaallichtjes aan geleid wordt, dan heeft zij de boot gemist. 14)

Gode zij dank, dat de kerk eigendom van onze Heer en Heiland is. Dat zij niet afhangt van. welsprekende mensen, maar van de liefde van haar Verlosser. En dat daar een toekomst is voor de gemeente des Heren, ook wanneer kwade arbeiders, onnutte slaven, en praatjesmakers haar naam schijnbaar te gronde hebben gericht. En Gode zij dank, wanneer een teleurgestelde jeugd nog een mond open doet om, ons, kerkmensen, op onze tekortkomingen te wijzen. Onze kinderen hebben geen stenen nodig, maar brood.

We kregen de gelegenheid (en hebben die haastig benut) om het meiske even ten overstaan van haar lerares-Engels te spreken. En hebben haar gezegd: lees Jacobus' brief nog eens goed over. Dan zul je zien dat hij aan jouw kant staat wat betreft: geen praat maar daad. Maar je zult ook zien dat Jacobus áchter die daad een geloof wenst te zien, zonder welk geloof de daad een erg verkeerde daad zou kunnen worden. En tenslotte zegt de Bijbel, dat dit geloof alles te maken heeft met de spreekwoordelijke schoot!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief