Dr Jelle Zijlstra (3)

1979-08-17
  • Jaargang 23
  • nummer 30
N.a.v.het onder deze titel verschenen boek, samengesteld door dr G.Puchinger (uitg. Strengholt, Naarden, f 47,50)

Hoe komt iemand tot een ministerschap?
Slechts weinigen zijn daarvan op de hoogte: hoe een kabinetsformateur werkt, het betrokken zijn van politieke partij en functionarissen daarbij, de manier van het zoeken van kandidaat-ministers enz.
Weliswaar lezen we daarvan iets in de krant, maar 't is veel boeiender iemand zélf daarover te horen vertellen.
Dr Zijlstra doet dat uitvoerig in z'n gesprekken met dr Puchinger.
In 1952 werd hij voor 't eerst, hij was toen 34 jaar, bij die politieke zaken betrokken.
In het vorige artikel gaf ik reeds aan, dat Zijlstra zich als criticus van een P.v.d.A.-studie "De weg naar vrijheid" had gepresenteerd.
Toen in de loop van de kabinetsformatie-1952 bleek, dat de ministerspost op Economische Zaken door iemand van A.R.-huize zou kunnen worden bezet, viel de aandacht op hem. Wat ons achteraf verwondert is, dat het toen tot stand gekomen kabinet onder leiding stond van dr W. Drees Sr.; deze immers gaf daarmee toch ruimte aan de opvattingen en inzichten van Zijlstra en sloeg toen dus die weg-naar-de-vrijheid niet in. Indirect distancieerde de kabinetsleider zich daarmee van de studie-Den Uyl.
De verhouding Drees-Zijlstra was uitstekend. "Ik doe niemand tekort wanneer ik zeg dat onze ministerpresident dr W. Drees de meeste indruk op mij heeft gemaakt. Ik heb altijd een soort vertrouwensrelatie met hem gehad, en die had je toch niet zo gemakkelijk met hem. Ja, hij was een bijzonder man.
Het is moeilijk precies aan te geven waarin en waardoor hij zo'n indrukwekkende minister-president is geweest. Zeker, hij was uiterst bekwaam en volstrekt integer.
Maar die zijn er wel meer. Misschien hangt het samen met een eigenschap, die men benaderenderwijze als onbaatzuchtigheid kan beschouwen.
( .. ) Ook in partijpolitieke zin vond ik hem uniek. Hij was een gepassioneerd aanhanger van het socialisme, maar liet zich niet door achterbannen op sleeptouw nemen." (39).
Dr Zijlstra nam de portefeuille over van dr J. R. M. van den Brink, een bekwaam bankier van R.K.-huize, die ruim 41/2 jaar het departement van Economische Zaken had geleid. Een "vakman" dus.
Niet te verwonderen is, dat de jeugdige nieuwe minister tegen zijn taak opzag. "Wat ik meebracht was een zekere hoeveelheid theoretische kennis, gespeend van vrijwel elke praktisch ervaring." (43). "Het departementale leven moest eerst .wel even wennen, na het vrije academische bestaan. Een departement is een langs hiërarchische lijnen opgezet geheel, en verder ingedeeld in een aantal sectoren meestal directoraten-generaal die zich met bepaalde gedeelten van het totale beleid bezig houden. ( .. ) De dagelijkse leiding van het departement berust in de handen van de secretaris-generaal, waarvan taak en verantwoordelijkheid op de verschillende departementen nog al uiteenliep en misschien nog wel uiteenloopt.
Mijn secretaris-generaal was ( .. ) niet zozeer de administratieve leider van het departement, maar hij was in feite tevens belast met de beleidscoördinatie van de afzonderlijke directoraten-generaal" (43).
Over de situatie, waarin het politieke leven zich bevond zegt hij "De Nederlandse volkshuishouding stond aan de vooravond van een spectaculaire en totaal niet verwachte voorspoed. De periode 1945-1949 was de periode van herstel en wederopbouw, gekenmerkt door soberheid en inspanning.
Iedereen bleef zich ook na dit aanvankelijk herstel, instellen op een lange periode van betrekkelijk lage welvaart ( .. ) niemand van ons bevroedde dat ( .. ) de economie kerngezond was, of, met andere woorden, dat we in de startblokken stonden voor een economische sprint, die niemand had durven verwachten." (43, 44).
Als minister heb je intensieve contacten met de staten-generaal. Het hoogtepunt daarvan en wat ook bijzonder naar buiten treedt, is de jaarlijkse begrotingsbehandeling, met name in de Tweede Kamer.
Die was gesteld op begin december 1952 en op 4 december moest Zijlstra zijn eerste redevoering, de verdediging van de beleidsvoornemens van het kabinet op economisch gebied en van zijn directe taak en plaats daarin, houden. Dit eerste optreden was "met lood in de schoenen". Hij had nl. nog maar weinig voor grote gezelschappen gesproken.
Hij ving toen aan met een algemene schets van de economische situatie. Hoe die ná de tweede wereldoorlog zich ontwikkelde: een sterk Amerika met daartegenover een zwak Europa. Hoe we als Nederland in die situatie leven moeten van in- en uitvoer, kwalitatief goede produkten moeten leveren, tegen lage prijzen. Dat kan enkel als we onze produktiviteit opvoeren, als we de industrialisatie bevorderen, als we in Benelux-verband (een groter geheel) kunnen optreden. In die rede wees Zijlistra opnieuw "De weg naar vrijheid"
af, het overheidsingrijpen kwam bij hem niet als eerste aan bod, indien nodig slechts als een "globaal inprijpen" (248).
Even doet Zijlstra dan, aan het eind, een deur open en komt iets persoonlijks naar buiten. Enkele afgevaardigden hadden namelijk graag "iets willen horen over de 'pensées intimes' van de minister, over zijn principiële kijk op deze (in de discussies behandelde) vraagstukken.
Ik zou daarop nu liever niet diep ingaan, omdat ons dit nu te ver zou voeren. Alleen dit: de grondwet voor de christelijke economische politiek is dat, wat de grondwet van het christelijke leven is: Liefde tot God en liefde tot de naaste en die beide in onverbrekelijke samenhang. Dat is slechts een andere wijze van zeggen dan het stellen en zien van de mens als beelddrager Gods. Dat is zijn waarde, zijn ware menselijke waarde, en in de economische en sociale politiek moet die waarde tot zijn recht komen en gerespecteerd worden."
(249). Deze zeer algemene beantwoording was in de gegeven situatie een juiste. Maar op een heel ander moment gaf hij - hoewel 't toen beslist wèl kon en ook nodig was - ook niet meer dan een algemene tekening. Dat was in 1954, toen het 75-jarig bestaan van de A.R.P. werd gevierd en Zijlstra in een toespraak zei "Dat ook dit terrein (het sociaal-economische) niet ligt buiten het vlak van onze principiële roeping". En even verder "Wanneer wij ons ook maar voor een deel zouden laten dwingen in de schrale, ja onwezenlijke tegenstelling liberalisme-socialisme, hebben wij die toekomst verspeeld.
Het gaat ons uiteindelijk om veel belangrijker dingen". Maar welke dan wel? Hij roert aan dat het uitspreken van de bede "Geef ons heden ons dagelijks brood" in concreto ook wil zeggen "Wil ons een oplossing geven voor onze economische problemen van heden" en dit vragend dienen we ons te "voegen onder het beslag van de Bijbel" (256). Daar blijft het dan bij. Zijn stellingname spitst zich echter duidelijker toe als hij in 1963, op een reünie van S.S.R. uiteenzet, dat er eerder sprake kan zijn van "een politiek van christenen" dan van een echte "christelijke politiek".
Zo'n situatie kan echter ieder moment veranderen, als windstilte verdwijnt en storm opsteekt. "Dan moet de christelijke politiek paraat zijn. Op die hoogtepunten van haar bestaan is de christelijke politieke partij meer dan een vereniging van christenen; dan kristalliseert de politiek van christenen zich tot christelijke politiek." (307).
We keren terug naar 4 december 1952, de eerste begrotingsrede. Die was in de Tweede Kamer goed gevallen.
"Wat ik vooral plezierig vond was dat alle grote partijen goede aanknopingspunten zagen voor instemming met het te voeten beleid; ook de oppositie, de VVD, stelde zich welwillend op." (47).
Het zou te ver voeren de hele politieke levensgang van dr Zijlstra op soortgelijke manier weer te geven.
Ze is overigens wel boeiend en levendig beschreven. We volstaan met hier zijn "politieke carrière"
weer te geven: 2 september 1952-13 oktober 1956: minister van economische zaken in het derde kabinet-Drees; 13 oktober 1956-22 december 1958: idem, in het vierde kabinet-Drees; 22 december 1959-19 mei 1959, idem, tevens minister van financiën ad interim in het tweede kabinet-Beel, 19 mei 1959-24 juli 1963: minister van financiën in het kabinet-De Quay; juli 1963-november 1966: lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; 22 november 1966-5 april 1967: .minister-president, tevens minister van algemene zaken en minister van financiën.
Die laatste periode was heel markant.
We lezen uitvoerig op welke wijze de heer Zijlstra dit kabinet samenstelde, dat tot doet had de nagelaten boedel van het ten val gebrachte kabinet-Cals te ordenen en een basis te leggen voor een duidelijk politieke ploeg opvolgers.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief