DEMOCRATIE EN ABORTUS PROVOCATUS

1979-08-17
  • Jaargang 23
  • nummer 30
Ter inleiding
Eén van de meest besproken onderwerpen van vandaag is wel het wetsontwerp betreffende de regeling van de abortus provocatus. Niet alleen binnen politieke partijen, maar ook op de scholen, in allerlei verenigingsverbanden en zelfs binnen de kerken staat dit onderwerp volop in de belangstelling.
Op zich is dat verheugend, omdat het wijst op een grote betrokkenheid bij dit serieuze onderwerp. Anderzijds kan het een zeer verwarrende uitwerking hebben, doordat de vele discussies van steeds meer verschillende invalshoeken dreigen uit te gaan.
Mede daardoor blijken mensen met dezelfde principiële uitgangspunten t.a.v. abortus provocatus tot tegengestelde conclusies te komen. Op zichzelf behoeft dat geen probleem te zijn. Het wordt dit echter wel wanneer die tegengestelde conclusies aanleiding geven tot twijfel aan elkaars uitgangspunten.
Dat dit gevaar helaas niet denkbeeldig is blijkt bijvoorbeeld uit diverse publicaties van de Reformatorisch Politieke Federatie m.b.t. standpunten inzake de abortus-wetgeving in CDA-kring. Ik voel geen behoefte om in Opbouw een standpunt van een politieke groepering te verdedigen of te weerspreken. Genoemd gevaar dreigt echter ook in de discussies binnen onze kerkelijke gemeenten. Mede tegen die achtergrond wil ik graag enkele gedachten over dit onderwerp op papier zetten. Gedachten die zich toespitsen op het kader waarbinnen iedere abortus-wetgeving tot stand, moet komen: de Nederlandse democratie, alsmede de overheid en de wetgeving binnen de democratie, als belangrijke factoren in het vraagstuk van de wetgeving t.a.v. de abortus provocatus.

De visie op de overheid
Een belangrijke rol in de discussies over het abortus-wetsontwerp speelt de visie op de overheid. Zowel het standpunt dat de beslissingsbevoegdheid t.a.v. abortus provocatus geheel bij de vrouw berust, als het standpunt dat de overheid onverkort tot taak heeft het ongeboren leven te beschermen bevatten een visie op de overheid die voor een belangrijk deel bepalend is voor het uiteindelijke standpunt. Ook de verschillende conclusies waartoe zij, die abortus provocatus op zich pertinent afwijzen, blijken te komen vinden grootdeels hun grond in een verschillende visie op de overheid. Het lijkt dan ook zinvol bij de vraag rond de taak van de overheid stil te staan. Een standpunt dat in reformatorische kring veel aanhangt vindt stelt dat de overheid primair tot taak heeft de Bijbelse normen te handhaven. Als middel hiertoe beschikt zij over wetgevende bevoegdheid en machtsmiddelen - het zwaard - om naleving van wetten af te dwingen. Deze visie op de taak van de overheid vinden we ook in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en in de standpunten van sommige reformatorische politieke partijen. Toch moeten we ons afvragen of deze visie voor alle overheden in alle tijden gehandhaafd kan blijven en of deze visie anno 1979 op onze overheid kan worden toegepast.
Om die reden wil ik enkele kanttekeningen bij deze visie maken. In deze visie staat de wetgeving de overheid - als dienaresse Gods - ten dienste om de Bijbelse normen te handhaven. In het democratisch staatsbestel dat wij kennen komt de wetgevende bevoegdheid echter niet slechts de overheid toe. Zij deelt deze bevoegdheid immers met de volksvertegenwoordiging, het parlement. Sterker nog: de overheid kan geen wet uitvaardigen zonder de medewerking van het parlement. Andersom kan het parlement echter wel zelfstandig gebruik maken van de bevoegdheid om wetten uit te vaardigen. Kortom: de overheid is als wetgever volledig afhankelijk van het parlement, de volksvertegenwoordiging.
Hetzelfde geldt overigens m.b.t. het gebruik van machtsmiddelen door de overheid om de naleving van de wetten af te dwingen. Wanneer wij nu desondanks van de overheid eisen om de normen die God de mens in de Bijbel stelt middels de wetgeving te handhaven, dan vragen wij van de overheid feitelijk het onmogelijke, wanneer de meerderheid van de volksvertegenwoordiging andere eisen aan de overheid stelt. Ook van christen politici zouden we hiermee het onmogelijke eisen. Anders gezegd: deze eis kan het een christen feitelijk onmogelijk maken het overheidsambt te bekleden.
Aanhangers van bovengenoemde visie op de overheid, die dit erkennen, stellen dat desondanks de overheid zo veel mogelijk zal moeten trachten de Bijbelse normen te handhaven. Afgezien van de zware verantwoordelijkheid die we daarmee bij christen politici leggen in het bepalen van de grens van het toelaatbare, heb ik met deze aanvulling grote moeite. Immers: terugreden erend naar de oorspronkelijke visie op de taak van de overheid resulteert deze aanvulling In een wetgeving die zoveel mogelijk, maar in de praktijk toch slechts ten dele de Bijbelse normen handhaaft.
Het resultaat is derhalve een wetgeving die een compromis bevat tussen Bijbelse en wereldse normen, waarvan de verhouding variabel is. Politiek kan leiden deze visie tot een eindeloze "touwtrekkerij" door christen politici om deze verhouding in het voordeel van de Bijbelse normen te beslissen!
Immers: het is hun taak de Bijbelse normen zoveel mogelijk in de wetgeving te handhaven. Dat andersdenkenden juist tegengesteld zullen reageren behoeft geen betoog. Een dergelijk compromis tussen Bijbelse en wereldse normen lijkt mij onaanvaardbaar. Gods normen laten een compromis met wereldse normen niet toe, ook niet in de wetgeving van een natie. Zo'n wetgeving kan m.i. dan ook niet door christen politici worden nagestreefd.

Democratie contra theocratie
Een dergelijke wetgeving, een compromis tussen Bijbelse en wereldse normen is typerend voor de democratie, die zich daarin onderscheidt van de theocratie, de staatsvorm van het Oudtestamentische Israël. Wat in de democratie niet mogelijk is, een wetgeving geheel naar Bijbelse normen, is in de theocratie wèl mogelijk. In het theocratische Israël was het gezag, de macht van de overheid, de koning, niet gebonden aan "democratische" wetten. Integendeel, de macht van de koning was direct verbonden aan Gods gezag. En dat fundamentele verschil met de democratische overheid stelde de koning persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik van zijn macht in Gods dienst, teneinde Gods normen te handhaven. Die verantwoordelijkheid had de koning, de overheid tegenover God en tegenover het volk dat hij daarin moest voorgaan. Een verantwoordelijkheid die even zwaar was als de straf voor een onjuist gebruik van zijn macht. Hoewel het Oudtestamentische Israël als enige ware theocratie als zodanig een unieke positie inneemt, geldt de bovengenoemde verantwoordelijkheid niet alleen voor de theocratische koningen van Israël. Dezelfde verantwoordelijkheid rust ook op andere overheden. We kunnen hierbij denken aan de Kanaänitische koningen uit het Oude Testament, maar óók aan de Griekse en Romeinse keizers, en zelfs aan de Nederlandse overheden voor 1848 (invoering van de parlemantaire democratie). M.i. rust deze verantwoordelijkheid op alle overheden die regeren met een door mensen onbeperkte macht. Van al deze overheden mag dan ook een wetgeving naar Bijbelse normen verwacht worden.
In de praktijk zal de wetgeving binnen deze staatsvormen echter of geheel of geheel niet gebaseerd zijn op Bijbelse normen. Dit blijkt reeds uit de geschiedenissen van de Oudtestamentische koningen die "deden wat goed is in de ogen des Heren" óf "wat kwaad is in de ogen des Heren."
In tegenstelling tot deze staatsvormen berust de macht van de overheid in de democratie echter niet bij individuen, maar - in laatste instantiebij het gehele volk. Immers, het volk, vertegenwoordigd in een wetgevende vergadering - het parlement - bekrachtigt de wetten, waaraan de overheidsmacht gebonden is. Wetgeving naar Bijbelse normen is derhalve binnen de democratie slechts mogelijk indien een geheel volk naar Gods normen wil leven. Een paradijs op aarde, dat wij in deze bedeling niet mogen verwachten .Stellen we desondanks ook aan de democratische overheid i.c. de christen politici daarin de eis de Bijbelse normen in de wetgeving te handhaven, dan vermengen we m.i. de democratie met theocratische elementen, hetgeen moet leiden tot een wetgeving, die gebaseerd is op een onaanvaardbaar huwelijk tussen Bijbelse en wereldse normen.

De democratische wetgeving
Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de democratische wetgeving geen normatief karakter kan dragen, althans niet in de zin van het handhaven van bepaalde levensbeschouwelijke normen. Dat is een vergaande, maar m.i. onvermijdelijke conclusie, die vergaande consequenties heeft voor de democratie. Immers: ontsloeg de regering van een kwade overheid in het Oudtestamentische Israël het volk al niet van haar verantwoordelijkheid om naar Gods normen te leven, binnen de democratie wordt de verantwoordelijkheid van het volk op dit punt nog veel sterker geaccentueerd. Ligt de verantwoordelijkheid om Gods normen te handhaven in de theocratie primair bij de overheid, in de democratie ligt die verantwoordelijkheid geheel bij het volk. Dit brengt mij dan ook tot de conclusie dat de democratische wetgeving zich dient te beperken tot het stellen van regels dus géén levensbeschouwelijke normen - gericht op het garanderen van de ruimte en de vrijheid die het de burger, het volk, mogelijk maakt deze verantwoordelijkheid te dragen. Hierin ligt op het terrein van de wetgeving m.i. de taak van de democratische overheid. Hierin ligt ook de taak van de christen politicus, Hij zal zich moeten beijveren voor een wetgeving die het het volk mogelijk maakt naar Bijbelse normen te leven. Hierin ligt de verantwoordelijkheid van de christen politicus tegenover God en tegenover het volk. In het verlengde daarvan zal de overheid ook middels de wetgeving regels moeten stellen die garanderen dat de vrijheid van de één niet ten koste gaat van die ander.
Samengevat: de democratische wetgeving mag naar mijn mening geen poging zijn om Bijbelse normen te handhaven, maar moèt een garantie zijn om naar Bijbelse normen te kunnen leven. Hierin ligt m.i. voor christenen de waarde van de democratie, Een waarde, die m.i. slechts overtroffen kan worden door een ware theocratie als bestond onder koning David.
Deze visie op de democratie, haar overheid en haar wetgeving heeft onvermijdelijk consequenties voor de beoordeling van het wetsontwerp m.b.t. de abortus provocatins. Abortus provocatus, zonder dat daarbij het leven van de moeder in het geding is, moet m.i. naar Bijhelse normen pertinent worden afgewezen. Gezien het voorgaand mag dit echter binnen de democratie niet leiden tot een wettelijk verbod van abortus provocatus.
M.i. moeten we dat standpunt ook hier handhaven. Een verbod van abortus provocatus op grond van deze Bijbelse norm leidt onvermijdelijk tot een wetgeving, waaronder in deze wet de Bijbelse norm geldt, terwijl in tal van andere wetten wereldse normen zullen gelden en Bijhelse normen met voeten getreden worden. Het leidt onvermijdelijk tot een wetgeving die abortus provocatus naar Bijbelse normen verbiedt, maar prostitutie en kansspelen tegelijkertijd toelaat: een m.i. onaanvaardbaar compromis tussen Bijbelse en wereldse normen.

Bescherming van het ongeboren leven
Als aan de Bijbelse normen in de democratische wetgeving niet zondermeer kunnen resulteren in een verbod van de abortus provocatus, kan misschien de bescherming van het ongeboren leven hiervoor een grond opleveren.
Immers: de democratische overheid, die regels moet stellen om het volk de ruimte en vrijheid te garanderen, die nodig is om haar verantwoordelijkheid te dragen, dient tevens regels te stellen die bescherming bieden tegen het misbruik van die vrijheid door anderen. Ik vrees echter dat ook deze weg naar een verbod van abortus provocatus in de democratie dood blijkt te lopen. De jongste geschiedenis heeft met haar afschuwelijke werkelijkheid van duizenden abortussen per jaar aangetoond dat de democratische overheid de machtsmiddelen mist om een effectieve bescherming van het ongeboren leven middels de strafwetgeving te kunnen bieden. Uitbreiding van die machtsmiddelen is - afgezien van de politieke haalbaarheid en de mogelijke ongewenste gevolgen voor andere terreinen - m.i. een heilloze weg. Bescherming van personen door de democratische overheid is in de meeste gevallen eerst mogelijk nadat de betrokken personen hiertoe een beroep op de overheid doen. Dat beroep op de overheid, dat van essentieel belang is voor een effectieve bescherming via de strafwetgeving, ontbreekt het ongeboren kind ten ene male.
Bescherming van het ongeboren leven middels de strafwetgeving kan m.i. - en de praktijk heeft het bewezen - dan ook nauwelijks effectief zijn.
De vraag werpt zich tenslotte op of de democratische overheid misschien over andere middelen beschikt om het ongeboren leven effectiever te beschermen.
Misschien dat die middelen er zijn. Te denken valt aan het bestrijden van de oorzaken van een groot aantal abortussen. Verbetering van de voorlichting, vereenvoudiging van de adoptiewetgeving, verbetering en stimulering van de hulpverlening. Het lijken op dit moment lapmiddelen.
Toch meen ik dat onze democratische samenleving in deze richting alternatieven zal moeten vinden voor het wettelijk verbod van abortus in haar theocratische tegenhanger.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief