Klericaal
1980-02-15
Met een Rooms priester praatte ik nog wat na over de bisschoppensynode in Rome. Hij was er niet over te spreken. Het was dan toch maar weer duidelijk gebleken dat de katholieke kerk een priesterkerk was. De “basis”, het gewone volk, telt niet mee. De pastorale medewerkers, waar de parochie op drijft, als gevolg van het grote tekort aan priesters, waren weer in de hoek gezet; zij mogen het werk doen en verder de mond houden en ze moeten zich helemaal stilhouden als ze toevallig van het vrouwelijk geslacht zijn. Het lijkt mij, dat de Roomse kerk daarin verwantschap toont met oude godsdiensten. In Egypte was het indertijd ook zo, dat de goden alleen een relatie onderhielden met de koningen. De Egyptische boeren dienden slechts tot stoffering van het landschap, en, niet te vergeten, tot de betaling van schatting aan de koning aan de tempel. Van dat oude klerikalisme (de priesters vormen een verheven stand boven de leken, het" volk") vind je in onze kerken ook nog een spoor.- Jaargang 24
- nummer 7
Namelijk in de eigenaardige figuur van de predikant. Hij is de enige in de kerkenraad, die zijn ambt tot aan zijn dood behoudt. Hij blijft zelfs in dat ambt, wanneer hij lid geworden is van een gemeente, die hij nooit gediend heeft. Zo kan de krant schrijven over iemand, die zijn zestigjarig ambtsjubileum zal vieren,terwijl de broeder al twintig jaar geleden feitelijk zijn ambt neergelegd heeft. Vanwege zijn leeftijd of de gezondheid. Ik schrijf dit niet meer om aan het adres van de ouderen iets onvriendelijks te zeggen. Trouwens, velen hebben aan hun ambt meer ellende beleefd dan genoegen. Zij mogen rusten van hun moeitevolle arbeid. Zij behoeven het ambt niet langer te torsen. Ik schreef in dit rubriekje eens over “gepensioneerde predikanten”. Iemand viel daarover in een vrijgemaakte kerkbode. “Sinds wanneer worden predikanten gepensioneerd?” vroeg hij. Ik zou niet weten waarom een predikant emeritaat krijgt en een politieman pensioen. Pensioen is toch geen schande? En onze gemeente luistert maar wat graag naar de oude broeder, als hij weer eens spreekt. Hij kan het nog goed, zeggen ze; hij is het niet verleerd. Niemand zit met de vraag: Sprak deze man nu een “ambtelijk” of een “stichtelijk” woord?