Basel, de kerk en de moskee
2012-02-04
Op donderdagmiddag 29 september 2010 werden in Basel zo’n honderd toehoorders in een collegezaaltje gepropt om een gastcollege bij te wonen van de Duitse hoogleraar dr. Hans Schneider. Op de voorste rij zat prof. Ulrich Gäbler met zijn vrouw: het was die dag immers zijn feestje!- Jaargang 56
- nummer 3
In het vorige nummer van Opbouw schreef ik over de ochtend- en avondbijeenkomst; nu wil ik iets doorgeven van wat deze middag aan de orde kwam.
Daarbij geef ik eerst weer wat de heer Schneider naar voren bracht, en wil ik daarna lijnen doortrekken naar de praktijk van vandaag.
Piëtisme
Professor Schneider heeft zich gespecialiseerd in de geschiedenis van het Piëtisme. Dat is een stroming binnen het protestantisme die gekenmerkt wordt door aandacht voor het innerlijk. Lees enkele regels van bijvoorbeeld gezang 439 uit het Liedboek voor de kerken, en je krijgt gevoel voor de innige vroomheid die voor het Piëtisme kernmerkend was en is:
Hoe glanst bij Gods kinderen het innerlijk leven.
Wat hun door de Koning des lichts is gegeven,
dat houden zij teder naar binnen gekeerd. (1e couplet)
Wel schijnen zij enkel geringen van buiten,
maar innerlijk zijn zij als lieflijke bruiden,
het sieraad, de kroon en de glorie van God. (2e couplet)
Dertig jarige oorlog
Nu was het Schneider op die middag in september erom te doen, dat de Piëtisten nogal wat tegenkanting hebben ervaren. Juist doordat hun belangstelling uitging naar wat Gods Geest uitwerkt in het menselijk hart, hadden zij weinig op met de kerk als instituut, en stonden zij kritisch ten opzichte van een christendom dat het vooral van de rechte leer verwachtte. In Duitsland bracht dat ze in conflict met de autoriteiten van de Lutherse kerk, en ook met de overheden. Daarbij moeten we bedenken, dat in de eerste eeuwen na de Reformatie nog geen sprake was van de scheiding tussen kerk en staat. De vorsten bepaalden in aanzienlijke mate welke godsdienst hun onderdanen aanhingen. Zo was het huidige Duitsland rond 1600 een lappendeken van gebieden die hetzij rooms-katholiek, hetzij Luthers, hetzij Gereformeerd waren. De belangrijkste vorsten sleepten een groot deel van Europa vervolgens mee in een verbitterde strijd om de macht.
De tegenstelling tussen Rooms-Katholieken en Protestanten werkte daarbij als olie op het vuur. Gedurende de Dertigjarige Oorlog deden zich vreselijke slachtpartijen voor, waaraan pas een einde kwam met de Vrede van Münster (1648). Toen werd onder andere bepaald, dat de vorsten aan religieuze minderheden het recht zouden toekennen om in besloten kring erediensten te houden. Alleen: dat recht gold alleen de ‘grote drie’: rooms-katholieken, Lutheranen en Gereformeerden. Alle overige religieuze groeperingen werden beschouwd als sekten die aan deze vrijheid van godsdienst geen deel hadden.
Dat was ook het lot van de Piëtisten in Duitsland.
NGB artikel 36
Even een zijsprong: allen die ouderling, diaken of predikant worden in onze kerken, verklaren zich akkoord met een visie op de staat die een eind in deze richting gaat. Ik bedoel artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Dat is geschreven in de lijn van Calvijn. Nu had deze een andere kijk op de verhouding van overheid en kerk dan Luther.
Toch bepleit ook artikel 36 een staatsinrichting, waarbij één bepaalde godsdienst bevoorrecht wordt. Ik citeer:
De taak van overheden is ‘niet alleen acht te geven op de openbare orde en daarover te waken, maar ook de hand te houden aan de heilige kerkedienst, [alle afgoderij en valse godsdienst te weren en uit te roeien, het rijk van de antichrist te vernietigen,] de voortgang van het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen en het Woord van het Evangelie overal te doen prediken, opdat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt.’
Ook hier is dus van een scheiding tussen kerk en staat geen sprake. Toegegeven: op aandringen van Abraham Kuyper hebben de Gereformeerde Kerken in 1905 verklaard, dat zij de zinsnede die tussen vierkante haken staat niet langer bindend achten. Maar dan nog. De overheid krijgt volgens deze visie wel degelijk de taak om actief mee te werken aan de verkondiging van het evangelie. Of dat zich verdraagt met het huidige beleid van de overheid om bijvoorbeeld kerk en moskee gelijke rechten toe te kennen, is natuurlijk de vraag. Lezers die blij zijn met de scheiding tussen kerk en staat, zullen zich dan ook wellicht afvragen of zij voortaan nog wel hun handtekening
willen zetten onder de NGB…
Pleidooi voor tolerantie
Terug naar de Piëtisten. Hoewel die officieel tot de Lutherse kerk behoorden, werden ze met wantrouwen bekeken.
Dat had ermee te maken dat zij zich zo kritisch opstelden tegenover het kerkelijk instituut. De kerkelijke én wereldlijke autoriteiten vreesden dat ze met een sekte te maken hadden. Dat betekende dat de Piëtisten als een soort ‘illegalen’ behandeld werden; veel ruimte voor hun geloof kregen ze niet. Anders gezegd: het ontbrak hun aan godsdienstvrijheid.
Dat leidde ertoe, dat juist in de kringen van de Duitse Piëtisten een steeds sterker pleidooi voor tolerantie viel te beluisteren. Professor Schneider benoemde dat als een opmerkelijk gegeven. Vaak wordt immers gedacht, dat je voor tolerantie juist niet bij christenen moet zijn. En inderdaad: de brandstapels waarop in de zestiende eeuw zowel rooms-katholieken als Gereformeerden ter dood werden gebracht, wekken nu niet bepaald de indruk dat men in de christelijke kerk zo verdraagzaam was. Vooruitstrevende denkers in de zeventiende eeuw dachten met afschuw terug aan de Dertigjarige Oorlog. Was die niet hoofdzakelijk aan religieus fanatisme te wijten?
Hun stelling was: hoe dieper aanhangers van een religie ervan overtuigd zijn dat zij de absolute waarheid kennen, des te onverdraagzamer worden zij ten opzichte van mensen met een andere godsdienst of overtuiging. Maar is dat echt zo?
Dwang werkt niet
Schneider bracht naar voren, dat de Piëtisten niet alleen vanuit hun ervaring als ‘underdog’ opkwamen voor meer tolerantie. Zij hadden daarvoor ook principiële redenen.
In de eerste plaats leidde hun aandacht voor het innerlijk ertoe, dat zij scherp zagen dat dwang in godsdienstige zaken niet werkt. Je kunt mensen dwingen tot bepaalde rituelen, maar niet tot een innerlijke overtuiging. Alleen als de Geest de ogen van het hart opent, kan een mens het Licht der wereld gaan zien. Maar dat betekent dat zowel wereldlijke als kerkelijke autoriteiten moeten ophouden met het opleggen van hun wil aan mensen. Juist christenen en christelijke overheden hebben reden om mensen de vrijheid te laten om hun eigen innerlijke overtuiging te volgen.
Echtheid
In de tweede plaats vonden de Piëtisten – zoals gezegd – de rechte leer minder belangrijk. Diepe en praktische vroomheid was voor hen het kenmerk van ware christenen. Of, in de woorden van Gottfried Arnold (1666-1714): ‘Niet de waarheid is het criterium voor het christen-zijn, maar de echtheid.’ Échte christenen waren dan ook overal te vinden, niet alleen in de Lutherse kerk, waar de leer op orde was, maar ook in bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk. Graaf Von Zinzendorf ( 1700-1760), een van de beroemdste vertegenwoordigers van het Piëtisme, verklaarde dat hij van zijn grootmoeder had geleerd dat er ten diepste geen onderscheid was tussen de Katholieke, de Lutherse en de Gereformeerde religie.
Hij ging mee met die uitleggers die Jezus’ gelijkenis over onkruid en tarwe (Matteüs 13:24-30) betrekken op de kerk: in zowel de Lutherse, als de Gereformeerde, als de Rooms-Katholieke kerk, is de waarheid vermengd met leugen.
Maar dan is over en weer tolerantie geboden! Interessant is, dat men die hoe langer hoe verstrekkender ging opvatten.
Ruimte voor minderheden
Aanvankelijk vroegen de Piëtisten alleen maar toestemming om in de privésfeer hun overtuiging te mogen volgen.
Later ging men echter verder, en pleitte men ervoor dat ook in de publieke ruimte verschillende godsdiensten gedoogd werden. Een van de motto’s van de Franse Revolutie werd reeds door de Piëtisten aangeheven: de overheid moet alle burgers gelijk behandelen! Zo werd heel het sinds 1648 bestaande systeem ter discussie gesteld. De tijd brak aan dat het met de bevoorrechting van één bepaalde religie gedaan was; voor religieuze minderheden kwam meer en meer ruimte. Niet alleen de aanhangers van de Verlichting, maar ook die vrome Piëtisten hebben daartoe bijgedragen, aldus professor Schneider.
Gelijke rechten?
Ik heb deze kerkhistorische beschouwing zo breed weergegeven, omdat ze de actualiteit raakt. Ik noemde het hierboven al: omdat de overheid in Nederland niet één bepaalde religie bevoorrecht, kent ze kerk en moskee gelijke rechten toe, ook in financieel opzicht. Daar worden door christenen wel eens vraagtekens bij gezet. Is dat beleid niet veel te soft? In landen als Iran en Saoedi-Arabië wordt de kerk verschrikkelijk tegengewerkt. Zouden wij de imams dan in de watten moeten leggen? Maar ons kan te denken geven, dat de scheiding van kerk en staat in het voordeel gewerkt heeft van christenen als de Duitse Piëtisten. Zij hebben geleden onder het beleid van de overheden om de ene religie te bevoordelen ten koste van de andere. Trouwens, nog geen 200 jaar geleden kon ons eigen geestelijke voorgeslacht, de Afgescheidenen, daarvan meepraten. En hoe zou het anno 2012 voelen voor onze broeders en zusters die op de SGP stemmen, dat steeds harder geroepen wordt dat hun visie op de rechten van vrouwen niet langer getolereerd kan worden?
Meer dan onverschilligheid
Ik zelf werd er in Basel in elk geval bij bepaald, dat de tolerante houding van een staat die zich neutraal opstelt tegenover de verschillende kerken en religies, een groot goed is. Daarbij is te bedenken dat het begrip tolerantie betekent, dat je dingen verdraagt waar je het mee oneens bent. Vaak roepen mensen ‘dat we tolerant moeten zijn’, als het gaat om gedragingen of stromingen die ver van ze af staan. Maar dan drukken ze eerder een houding van onverschilligheid uit. Tja, wanneer dingen je koud laten is het makkelijk om ze te verdragen… Maar tolerantie houdt in, dat je uit de grond van je hart afstand kunt nemen tot een religie, en je er toch toe verplicht om de aanhangers ervan net zoveel juridische ruimte te gunnen als jezelf krijgt. De Duitse Piëtisten hadden door, dat het druk zetten van de overheid op religieuze minderheden niet in het belang is van Gods Koninkrijk. Dat wordt gebouwd ‘door Woord en Geest’. Ofwel: een christen die geprikkeld wordt door het geschetter vanaf de Nederlandse minaretten, heeft ten diepste geen heil te verwachten van een overheid die de moskee achterstelt bij de kerk. De Piëtisten zouden zeggen: ‘Zoek in je verhouding tot de Islam je kracht in de verkondiging van het evangelie en het verlichtende werk
van de Geest.’
Een bescheiden vervolg
De verhouding van kerk en staat; de vrijheid van godsdienst; het dreigend gebrek aan tolerantie en de grenzen van de tolerantie: over dit alles is vandaag de dag in Nederland genoeg te doen.
Denk aan de discussies over het boerkaverbod, en het in de Eerste Kamer gesneuvelde wetsvoorstel inzake ritueel slachten. Denk ook aan de verontwaardiging over schoolbesturen die geen leraren willen accepteren die in een relatie leven met mensen van hetzelfde geslacht. Er is geen sprake van dat ik in een volgend artikel ook maar enig recht zou kunnen doen aan deze ingewikkelde problematiek. Aan de andere kant zullen sommige lezers om zo te zeggen met een graat in de keel achterblijven na mijn opmerkingen over artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Alleen al aan hen ben ik dan ook verplicht, in alle bescheidenheid nog een aantal opmerkingen over dit onderwerp te maken. Ik ga er mijn best voor doen dat u ze in het volgende nummer van Opbouw aantreft.
Dr. Ad van der Dussen is kerndocent bij de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding en predikant van de NGK Eindhoven.