Ik ben ...

2012-02-04
  • Jaargang 56
  • nummer 3
‘Ik ben de opstanding en het leven’. Wat hadden deze woorden, wat de woorden die Jezus eerder tot Martha sprak, niet hadden? Want op die eerste woorden reageerde Martha met een mismoedig: ‘dat weet ik wel’, terwijl zij na de tweede meteen haar zus Maria ging roepen, kennelijk om haar ook te laten delen in de troost die zij ontvangen had.

Het antwoord zou kunnen zijn, dat de woorden: ‘je broer zal uit de dood opstaan’, door Martha niet anders konden worden uitgelegd dan als slaand op een verre toekomst, op ‘de laatste dag’, zoals zij zelf ook aangeeft. Wat heb je aan zulke toekomstmuziek, als je nú je broer mist?
Maar, ‘wie in Mij gelooft, zál leven’, is dat niet ook toekomende tijd? Daar kun je ook heel goed in horen: die zal ééns leven ontvangen, desnoods door opstanding uit de dood. Ik denk daarom, dat het nieuwe van Jezus' woorden, ‘Ik ben de opstanding en het leven’, voor Martha in iets anders zat.

Tweeërlei opstanding
‘Ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan’, zei Martha. Hoe wist zij dat? Ik denk dat zij dat in de afgelopen dagen vele malen gehoord had uit de mond van de Joden die gekomen waren om te troosten. Die zullen daarbij wel verwezen hebben naar de profetie van Daniël 12:2: ‘Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken’, want op deze profetie baseerden de Farizeeën hun geloof in een opstanding op de laatste dag.
Alleen, die profetie gaat verder met: ‘sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd’. En dat zette een groot vraagteken achter de troost. Want waar behoorde Lazarus toe, tot de 'sommigen' of tot de 'anderen'?
En gold dat niet ook voor de boodschap, ‘je broer zal opstaan’, uit Jezus mond? Jezus had immers ook verkondigd (Johannes 5:28,29), dat er naast mensen die zullen ‘opstaan om te leven’, ook mensen zullen zijn die zullen ‘opstaan om veroordeeld te worden’. Dus ook wanneer Jezus zei: ‘je broer zal opstaan’, was het maar de vraag, of dat iets was om met vreugde dan wel met vrees tegemoet te zien.

Opstaan het leven in
Maar als Jezus daarna zegt: ‘Ik ben de opstanding en het leven’, en daar dan aan toevoegt: ‘wie in Mij gelooft, zal leven’, dan wordt alles anders. Niet omdat het nu niet meer over een onbepaald verre toekomst gaat, want daar gaat het in feite nog steeds over, maar omdat door wat Jezus nu verkondigt, de onzekerheid wordt weggenomen.
Want ‘Ik ben de opstanding en het leven’ betekent: wat er op de laatste dag met een mens zal gebeuren, hangt niet af van wat hij op zijn rekening heeft staan aan goede dan wel slechte daden, het hangt ervan af, of hij Mij heeft. Wie Mij heeft - en Mij heb je, als je in Mij gelooft - die heeft de opstanding én het leven. Die zal op de laatste dag niet maar alleen opstaan uit het graf - dat zullen alle gestorvenenmaar die zal opstaan het leven in. Dus ook Lazarus: die geloofde in Mij en, wat meer is, Ik houd van hem.

Geen veroordeling
Wat Jezus hier zegt, dat heeft Hij in Johannes 5:24 zó gezegd: ‘Wie luistert naar wat Ik zeg, en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven. Over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven.’ Let erop, dat Jezus niet zegt: ‘hij sterft niet, want hij is overgegaan van de dood in het leven’. Wie in Jezus gelooft kan nog best sterven en het graf in gaan. Maar die mag er zeker van zijn, dat hij, als hij het graf weer uit zal gaan, geen veroordeling tegemoet zal gaan. Want voor diegene is de beslissing al gevallen; in die zin is hij al overgegaan van de dood in het leven.
Ik denk dan ook, dat Jezus met ‘wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven tot in eeuwigheid’, niet bedoelt: die zal nooit sterven, maar: die zal niet voor eeuwig sterven. Het sterven van zo iemand moet vroeg of laat gevolgd worden door een opstaan het leven in, want het enige wat het ingaan in het leven zou kunnen verhinderen, een veroordeling, is uitgesloten.

Het oordeel aan de Zoon
Dus dat Jezus kan zeggen: ‘Ik ben de opstanding en het leven’, heeft alles te maken met wat Hij in 5:22 heeft gezegd, klaarblijkelijk doelend op zichzelf: ‘de Vader heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd’. Daardoor kan die Zoon ‘levend maken wie Hij wil’.
Dat is nogal wat! Heeft Jezus werkelijk tijdens zijn leven op aarde zo 'n hoge dunk van zichzelf gehad? Velen denken dat dit soort uitspraken Hem door de schrijver van het vierde evangelie in de mond zijn gelegd. Maar de volgende keer wil ik een gedeelte uit het evangelie naar Lucas onder uw aandacht brengen, waarin Jezus, zij het minder direct, niet minder pretentieus over zich zelf spreekt.

Drs. Harry Bruins is docent Nieuwe Testament aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie en lid van de NGK van Schiedam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief