Pastorale notities

1979-08-24
  • Jaargang 23
  • nummer 31
In de tijd dat het kerkorgel nog geen electrische windmachine had, moest een man de blaasbalg volpompen. Hij was de “calcant”; dat was de officiële naam. Friese orgelmakers, die Hollands schreven, noemden hem de “puistertrapper”, een woord waarvan de Hollanders kippevel kregen. In één van de grote kerken aan de Friese kust van de Zuiderzee stond voor die functionaris een instructie geschreven, op het schot van de orgelkast: “Tegelijk met den os en den ezel beginnen.”
Dit was niet als een belediging bedoeld voor de overige kerkedienaren, de organist en de predikant, maar het was een aanwijzing voor de orgeltrapper, wanneer hij beginnen moest. Het was de gewoonte, dat vóór aanvang van de dienst gedeelten uit de Schrift gelezen werd. Door een voorlezer. Die eindigde met de Tien Geboden en daarna hief de gemeente de “voorzang” aan. Tijdens de voorzang kwam dan de dominee op.
Ook vroeger waren er dus althans twee, die nauwlettend luisterden naar de voorlezing van de wet: de organist en zijn assistent. Je krijgt niet vaak de indruk, dat de gemeente als geheel er goed naar luistert. Maar als je de wet eens niet leest, dát valt meteen op. Net als met de klok op je kamer. Niemand luistert naar het tikken, niemand hoort het zelfs, maar toch kijkt iedereen op, zodra ze stilstaat. Wanneer de Christelijke leefregels uit het Nieuwe Testament worden voorgelezen, elke week een ander gedeelte, dan is het muisstil in het gebouw. Dan wordt er echt geluisterd en daar gaat het toch maar om. Heilige teksten, zoals de Tien Geboden, kunnen soms bijna doodgezegd zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief