JEREMIA
1979-08-24
Die Geest is er niet alleen voor volwassenen, maar ook voor kinderen.- Jaargang 23
- nummer 31
Ze zullen Mij allen kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, zegt de HERE.
Wij hebben altijd weer de neiging het geloof van kinderen niet helemaal voor vol aan te zien. Jawel, zeggen we, natuurlijk geloven ze wel. Maar het is toch niet je dát. Het ene moment zijn ze vroom, het andere moment halen ze kattekwaad uit. Er is bij hen nog niet voldoende ernst. Ze zijn ook niet zelfstandig. Ze praten alleen maar na wat hun is voorgezegd. Je kunt ze nog niet voor vol aanzien, ook niet in hun geloof.
Waarom doen wij altijd zo gereserveerd over geloof bij kinderen? Omdat we geneigd zijn de verhouding tot God telkens weer te zien als een zaak van regeltjes en voorschriften en ingewikkelde constructies, die je allemaal moet kennen en begrijpen voordat er sprake kan zijn van een kennen van God. Wij denken telkens nog weer, dat de verhouding tot God bepaald wordt door een pakket verordeningen.
En daar zijn kinderen nog niet aan toe; Maar zo is het niet. De verhouding tot God hangt niet van ons verstandelijke ontwikkelingspeil af en ook niet van onze leeftijd, maar van het werk van Gods Geest in ons hart. En die Geest werkt niet minder bij kinderen dan bij volwassenen.
Zo is het in het nieuwe verbond, zegt de HERE. Dat is het verbond waartoe wij en onze kinderen behoren.
Onze kinderen en wij mogen de HERE kennen. Juist omdat het in de verhouding tot de HERE niet om een pakket regeltjes gaat maar om het hart, hebben volwassenen niets op kinderen voor. Voor de HERE tellen kinderen even vol mee als volwassenen.
Hij geeft hun zijn Geest even goed als aan volwassenen. Als we dat niet zien en onze kinderen toch bewust of onbewust op een lager plan zetten, beantwoorden wijzelf niet aan het niveau van het nieuwe verbond.
Dat geldt trouwens ook ten aanzien van dat andere punt dat karakteristiek is voor het nieuwe verbond: ze zullen niet meer ieder zijn naaste en broeder leren: ken de HERE. Onze praktijk is nog maar al te vaak dat dat nog wel nodig is en dat we het er zelf bij laten zitten. Dan zijn we meer geïnteresseerd in andere dingen dan in de HERE en laten we die dingen voorgaan. Het gevolg daarvan is, dat onze kennis van Hem afbrokkelt.
Dan komt de klad in onze verhouding tot Hem en vervreemden we van Hem. Dan beginnen we het contact met Hem te verliezen en leven we beneden het peil van het nieuwe verbond.
Maar dat hoeft niet. Wanneer we de Geest maar de ruimte geven. Wanneer we Hem laten werken in ons hart en Hem niet tegenwerken, schrijft Hij in onze harten de wet van Jahweh, zodat wij van binnen uit Hem kennen en liefhebben en in zijn wegen wandelen. Wijzelf en onze kinderen.
JEREMIA 40: 7-41 : 15
Denk aan de vrouw van Lot
Het babylonische leger is vertrokken.
Jeruzalem is een puinhoop. Alleen de allerarmsten zijn achtergebleven onder de leiding van Gedalja, die door de Babyloniërs als stadhouder is aangesteld. Zij mogen een nieuw begin maken.
Uiteraard is dat een begin binnen de door de Babyloniërs vastgestelde grenzen. Ze hoeven b.v. niet te dromen van een rol in de wereldpolitiek.
Ze hoeven niet te rekenen op een stuk politieke zelfstandigheid en invloed.
Ze hoeven geen illusies te koesteren over de herbouw van Jeruzalem, over een stralende, schitterende tempel, of over een bloeiende cultuur. Al die dromen en verwachtingen zijn tegelijk met de tempel en Jeruzalem in rook opgegaan. Er is een nieuw begin voor de mensen die achterblijven. Maar het is een begin met duidelijke beperkingen en het vereist daarom ook een andere oriëntatie.
Dat is vrijwel altijd zo. Wie de kans krijgt bij puinhopen opnieuw te beginnen, moet zich de beperkingen van het begin bewust zijn. Wie dan omziet naar de grandeur en de mogelijkheden van het verleden en geen ge-
-noegen neemt met de beperkingen, maakt geen werkelijk nieuw begin.
Hij leeft nog in het verleden. Hij kan dat niet loslaten.
Waar dat het geval is, komt met niet van de grond. Daar blijft men steken.
Daar verstart en verstijft men tot iets waarin geen beweging meer te krijgen is, tot iets doods en onvruchtbaars, zoals de vrouw van Lot.
Zij kon ook het verleden niet loslaten.
Haar rijkdom en bezit van toen hielden haar in hun greep. Ze mocht een nieuw begin maken. Die kans kreeg ze van God. Het was een begin met beperkingen. Zo’n begin wilde ze niet. Het verleden interesseerde haar meer. Daar was ze nog met haar hart. Daar lééfde ze nog.
Maar wie leeft in het verleden, gaat dood voor het heden. Hij is het al.
Lots vrouw werd een zoutpilaar, verstard in haar hang naar wat ze moest achterlaten. Die hang maakte haar ongeschikt voor het nieuwe begin dat God haar wilde geven en haalde de vaart uit haar. Ze bleef achter en keerde zich om. Daarmee behoorde het nieuwe begin voor haar tot het verleden en werd ze gegrepen door de dood.
Zamel de oogst in
De houding van Lots vrouw is het gevaar dat elk nieuw begin bedreigt.
Het verleden niet kunnen loslaten, terugverlangen naar vroeger, achterom kijken, dat alles maakt een mens - en ook een gemeente - onbruikbaar en ongeschikt voor het koninkrijk van God (vgl. Luc. 9: 62). Je vastklampen aan het verleden en blijven hangen aan wat geweest is, maakt je onbruikbaar voor God en voor het nieuwe begin dat Hij geeft.
Daarom is het de grote vraag: wat gaan de achtergebleven Joden in Juda nu doen? Benutten ze de kans die ze van God krijgen of zullen ze onbruikbaar voor Hem zijn?
Alies wijst erop dat ze de kans benutten zullen. Dat is niet in het minst te danken aan de man die door de Babyloniërs als stadhouder over hen is aangesteld: Gedalja. Hij is nuchter en reëel. Hij beseft dat het geen zin heeft te dromen over het verleden en te proberen de oude toestand weer terug te krijgen. Hij is zich de beperkingen bewust. Hij wil niet verder springen dan zijn polsstok lang is. En daar gaat hij zijn volk in voor.