Nehemia's goede werken

1979-09-07
  • Jaargang 23
  • nummer 33
Die Nehemia is toch eigenlijk een prachtkerel geweest. Ga eens na wat hij voor Gods volk, voor Jerusalem, voor de tempel, voor Gods naam heeft gedaan. Hij was in Babel in hoog aanzien, hij had rustig aan het hof kunnen blijven. De meeste Joden die het daar goed hadden zijn er immers gebleven? Maar nee, Nehemia moest en zou de grote reis van drie, vier maanden aangaan, om Jerusalem te herbouwen. Door goed gerucht en kwaad gerucht. In tegenstand en moeite, in gevaar en gebrek. Vechtend tegen de vijand binnen en buiten de muren. Hij plantte zijn geloofsenergie over op de oudsten, vuurde alle medewerkers aan, was de motorische stimulans in het gigantische herstelwerk, zorgde voor de armen door een sociale omwenteling teweeg te brengen, zifte alle heidense elementen uit het bondsvolk en bracht nog grote financiële offers ook. Wat een wonder, dat hij op een onbewaakt (?) ogenblik zijn diepste gedachten uit zijn pen zag vloeien: "Gedenk mij, mijn God, ten goede alwat ik aan dit volk gedaan heb" 1).

Daar. Het stond op zijn papyrusrol, met onuitwisbaar schrift. En daar bleef het niet bij. In zijn laatste hoofdstuk komt een soortgelijke ontboezeming nog drie keer voor. Kijk maar.

Nadat hij vastgelegd heeft wat hij deed om de tempel te reinigen en de tempeldienst te herstellen, legde hij zijn binnenste opnieuw bloot: "Gedenk mij, mijn God, hierom en wis de weldaden niet uit, die, ik aan het huis van mijn God en aan zijn instellingen bewezen heb 2)".

En nog is het einde niet. Nadat hij de sabbath hersteld heeft zegde hij voor Gods aangezicht: "gedenk mij ook hierom, mijn God, en ontferm U over mij naar uw grote goedertierenheid 3)". - Tenslotte, nadat hij resumeerde hoe hij Gods volk gezuiverd heeft van heidense vermenging (waartoe hij zelfs een hogepriester uit de tempel moest zetten) bad hij nog eenmaal: "Gedenk mij, mijn God, ten goede" 4).

Het is zonneklaar dat Nehemia een prachtkerel is geweest. Hij heeft voorbeeldig werk verricht. Hij was, zeggen we, het instrument in Gods hand om Gods beloften van herstel uit te voeren. Hij was een kostbaar instrument, dat onfeilbaar werkte. Alleen - hij was geen dood werktuig, maar een levend mens; met eigen gedachten, eigen kennis, bekwaamheden, middelen en talenten. Afgedacht daarvan, dat we volstrekt niets lezen over een opdracht die de Heere hem verstrekt heeft, deed hij Gods wil met een volkomen hart, met geheel zijn verstand en met alle krachten.

En dan trekt het toch uw aandacht dat deze Nehemia - nog wel op de hoogtepunten van zijn objectieve geschiedschrijving - zo echt menselijk zijn goede werken voor Gods aandacht brengt. En daar iets over vraagt.

Niet daarvóór iets vraagt; hij vraagt namelijk geen beloning. Daar rijzen toch vraagtekens, nietwaar? Klopt dit wel op Zondag 24 van onze catechismus?
Dat onze goede werken niets betekenen voor God? Dat onze beste werken onvolkomen en met zonde bevlekt zijn?

We kunnen elkaar wel antwoorden: Nehemia kende onze catechismus blijkbaar niet. We kunnen ook zeggen: het is heel niet zeker of Nehemia die woorden zelf heeft geschreven - dan wel of een latere kroniekschrijver, een of twee eeuwen na hem, aan Nehemia die woorden in de mond gelegd heeft, daarmee eigenlijk een heilwens voor Nehemia uitsprekende.

We staan voor het feit, dat Gods onfeilbare woord ons hier voorbeelden geeft: hoe we onze goede werken voor Gods aangezicht mogen neerleggen wanneer we een beroep op zijn goedertierenheid doen!
Zoals de Schrift ons vaker voor feiten kan plaatsen, die in onze belijdenis niet geheel verdisconteerd zijn. Bijvoorbeeld. Pauhis schrijft van Abraham, dat deze niet door de werken maar door zijn geloof is gerechtvaardigd 5). Maar Jacobus schrijft dat Abraham uit zijn werken is gerechtvaardigd en dat zijn geloof pas te voorschijn kwam uit zijn werken 6).

Die tekst van Paulus is hier niet bij toeval aangehaald. Het is namelijk de tekst, waarop Zondag 24 is gebaseerd, Wij hebben, uit Zondag 24, zulk een afkeer van goede werken gekregen, dat we daar typische Roomse afgoden aan ruiken. Luther nog veel meer. Luther beweerde dat Jacobus' brief (die ons immers leert dat ons geloof pas uit de werken blijkt) een "strooien brief" was, waarmee hij de kachel nog wel eens zou aanmaken!

Nu staat het wel vast dat onze goede werken, voorzover goed en voorzover van ons, geen bijdrage tot onze vrijspraak vormen; beter gezegd: geen aanvulling betekenen tot Christus' unieke verdienste voor ons, geen overweging betekenen in Gods absoluut-vrijmachtig welbehagen. Laten we elkaar dit voorhouden.

Maar laten we daarnaast vaststellen, dat Zondag 24 over de goede .werken wel bizonder schraal, troosteloos en weinig bemoedigend spreekt.
Met weglating van alle gegevens van Jacobus. En van Nehemia. De wel toegevoegde Schriftplaatsen zijn bovendien weinig steekhoudend en nog al zwak. Zodat deze afdeling eindigt met de onvermijdelijke vraag: maakt deze leer geen goddeloze en zorgeloze mensen? Antwoord: nee, want de goede werken komen tóch wel ...

Nehemia zag dat anders. Die durfde zijn goede werken frank en vrij voor Gods aangezicht te leggen. Hij stond daarin trouwens niet alleen. Was het niet David, die met voorbijzien van zijn zonden en tekortkomingen zong: mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots 7)? Was het niet dezelfde David die dichtte: ik heb in onschuld gewandeld, ik wandel in uw waarheid, ik was mijn handen in onschuld, ik wandel in onschuld 8)?
En was het niet Job, die in een crisis al zijn goede werken uit het verleden voor Gods aangezicht uitstalde 9)? - Ja, zo kunnen we doorgaan. Om uit te komen bij de zielen, vermoord terwille van Gods Woord, die om bloedwraak smeekten op grond van hun onschuld 10).
Zo Nehemia. Die heeft zich letterlijk uitgesloofd, zelfs zonder dat hij een speciale opdracht had. Hij kon het niet langer aanzien, dat Jerusalem verwoest was en het gedurig offer stil stond. En toen hij al zijn krachten, talenten en mogelijkheden benut had vroeg hij eerlijk: gedenk mij ten goede, mijn God. Hij leefde allerminst in de verwachting van een eindoordeel als: ge zijt een onnutte slaaf geweest en hebt slechts gedaan wat ge doen moest 11). Eerder verwachte hij een bejegening als: wèl gedaan, gij trouwe en goede slaaf; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik U stelten; ga in tot de vreugde van uw heer 12). En dat hij daarbij zijn verdiensten niet in rekening kon brengen, maar van de goedheid van zijn Heer afhankelijk bleef, blijkt wel uit zijn herhaalde uitspraak: "dat dit werk met de hulp van onze God gedaan was" 13) en "ontferm U over mij naar uw grote goedertierenheid" 14).

Daar is een oud verhaal over de bouw van een kathedraal. U weet wel, zo'n bouw eiste verscheidene generaties van arbeiders voor alles klaar was. Iemand stond naar dat tijdloze werk te kijken. Hij vroeg aan een voorbijgaande arbeider: wat doe je nu eigenlijk? - Ik, antwoordde de man, ik bouw een kathedraal, zie je dat wel? - Hij vroeg aan een andere arbeider: wat doe jij nu eigenlijk? - Ik, was het sombere antwoord, ik sjouw stenen, dat zie je toch wel?

Kijk, zo verschillend kunnen we ons leven bezien. We mogen Gods medearbeiders zijn. We kunnen ook (zei Kant) onze verdammte Pflicht doen.
Het eerste barst van de arbeidsvreugde. Het laatste ontneemt ons alle levensvreugd.

Als we onszelf en elkaar eens wat meer arbeidsvreugde zouden toestaan zouden we dan niet veel werk in Gods koninkrijk met meer blijdschap, met meer dankbaarheid en met meer élan kunnen verrichten? En zou onze God niet blij zijn met onze goede werken?

1) Neh. 5: 19 - 2) 13: 14 - 3) 13: 22 - 4) 13: 31 - 5) Gal. 3 : 66) Jac. 3 : 21, 22 - 7) Ps. 131 - 8) Ps.26 : 1, 3, 6, 11 - 9) Job 29 en 31 - 10) Opb. 6: 9, 10 - 11) Luc. 17: 10 - 12) Mtt 25: 21 - 13) Neh. 6: 16 14) 13 : 22.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief