Boekbespreking

1979-09-07
  • Jaargang 23
  • nummer 33
Dr J. van Bruggen, Het huwelijk gewogen.
Uitgegeven bij Ton Bolland in Amsterdam. f 17,50.

Een uitleg van 1 Korinthe 7. Door dr J. van Bruggen, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te Kampen.

Al lezende kom je onder de indruk van de gedegen studie die Van Bruggen over dit moeilijke hoofdstuk geleverd heeft. In acht hoofdstukken wordt vers voor vers open gelegd.

Vijf bijlagen kompleteren deze studie, waarbij Van Bruggen gegevens uit o.a. de evangelieën aandraagt om een aantal vragen diepgaander te beantwoorden.
Uit deze studie blijkt nog eens te meer, dat de gereformeerde exegese geen dor en doods bedrijf is, zoals vele moderne bijbelwetenschappers ons vandaag willen doen geloven.

integendeel: waar het exegetische handwerk zo kundig bedreven wordt, kunnen verrassende ontdekkingen niet uitblijven. Van Bruggen heeft daartoe een goede bijdrage geleverd. Ik ben hem er dankbaar voor.
Met nadruk wil de nieuwtestamenticus uit Kampen in dit boek beklemtonen, dat de bijbel in 1 Kor. 7 geen tijdgebonden uitspraken doet, maar dat 1 Kor. 7 een duidelijke boodschap heeft voor hier en nu.
Heel duidelijk stelt hij dat in de inleiding, wanneer hij schrijft: "Wie 1 Korinthe 7 wil dicht doen, doet de hele bijbel dicht. Wie de bijbel echter opent als het Woord van God, mag zijn ogen niet sluiten voor 1 Korinthe 7." (blz. 6).

In zijn exegetische arbeid is Van Bruggen zich steeds bewust van de brugfunktie, die de exegese heeft te vervullen met het oog op de verkondiging.
Toen en daar, hier en nu horen immers in de verkondiging bij elkaar. En vanuit deze betrokkenheid van het Woord van God op de praktijk van het cmhristelijk leven, toen in Korinthe en vandaag hier in onze westerse samenleving, zegt Van Bruggen fijne en toch ook scherpe dingen over het leven van getrouwden en ongetrouwden, van gescheiden levende mensen, weduwen en weduwnaars.

Erg blij ben ik met de opmerkingen, die Van Bruggen maakt m.h.o. op de ongehuwden. De ruimte die de bijbel voor hen maakt krijgt van hem de volle aandacht. Er worden goede woorden over gezegd. Voor nog een andere groep wordt een volle plaats ingeruimd. De vrouwen. Allereerst wordt Paulus uit de hoek gehaald van de anti-feministen, waar hij ten onrechte in is gedrukt, en vervolgens wordt duidelijk gemaakt dat Paulus juist oog heeft voor de positie van de vrouw, zowel binnen als buiten het huwelijk. "De apostel formuleert niet vanuit de man, maar vanuit de mens .. hij stelt man en vrouw hier op één lijn. Elk overheersingsmodel ontbreekt hier." (blz. 12).

Wat mij betreft had Van Bruggen dat wel wat duidelijker mogen laten zien vanuit de scheppingsgegevens. Genesis redeneert toch heel nadrukkelijk vanuit het harmonie-model. De mens is allereerst mens voor Gods aangezicht, dan ook mens in de polaire verhouding van mannelijk en vrouwelijk, waarbij de man voorop gaat zonder te heersen. Door de zondeval is dit voorop gaan van de man in het harmonie-model doorgeslagen naar de onderdrukking van de vrouw in het overheersingsmodel. Ik meen, dat zowel onze Here Jezus als de apostel in hun spreken over de man-vrouw relatie de woorden van de beginne laten doorklinken.
Dat Van Bruggen dit ook wel geproefd heeft blijkt uit een passage op blz. 38, waar het overheersings- en het harmonie-model naast elkaar geplaatst worden: "De liefde ontziet en respekteert de naaste. De hartstocht eist en dwingt. De liefde weet te wachten en te luisteren. God stelt man en vrouw niet achter bij elkaar en Hij leert hen ook niet om op te komen voor eigen rechten, maar Hij leert ons liefde voor een medemens, met zijn en haar eigen bevoegdheid, door God verleend."
De grote verdienste van dit boek is, dat Van Bruggen in zijn uitleg oog gehad heeft voor de situatie, waarin de gemeente van Korinthe leefde.

En voortdurend laat hij zien hoe deze situatie mede bepalend geweest is voor de wijze waarop Paulus aan de gemeente heeft geschreven. Heel sterk dringt dit situatie bepaald-zijn zich op bij de uitleg van vers 5, waar Paulus met apostolisch gezag en pastorale wijsheid, de manier waarop de Korinthiërs zich in hun huwelijk gedroegen, vanwege een onjuist verstaan van de Schrift, aan de orde stelt.

Daarom vind ik het jammer, dat Van Bruggen bij de uitleg van de vrs. 10 en 11 zo weinig deze Korintische situatie laat doorklinken. Het gaat in deze vrs. over de echtscheiding. "Doch hen, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten - is dit tóch gebeurd, dan moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen - en een man moet zijn vrouw niet verstoten."
Scherp keert Van Bruggen zich hier tegen de echtscheiding en koppelt daar dan de vraag aan vast: mag een gescheiden man of vrouw een tweede huwelijk aangaan? Zijn konklusie is duidelijk: "Wanneer gemeenten het accepteren dat een gescheiden man of vrouw weer huwt en wanneer zij dat huwelijk kerkelijk aanvaarden, hebben zij zich in feite neergelegd bij de echtscheiding. De haat tegen deze scheiding (zie Mal. 2: 16 waar de Here zegt de echtscheiding te haten) is dan ingeruild voor verontrusting en berusting" (blz. 47).

Ik meen, dat deze konklusie niet in de lijn van Paulus' betoog ligt. Van Bruggen heeft in het voorgaande betoogd, dat de reden waarom in Korinthe mannen en vrouwen hun huwelijk braken, niet gelegen is in een kapotte huwelijksrélatie, maar in een minachting voor de door God gegeven ordening. Het huwelijk werd gezien als een last en de lichamelijke omgang als een zaak van het vlees en niet van de Geest (blz. 22).
Door een oppervlakkig verstaan van de Schrift werd het huwelijk op een ergerlijke wijze ondergewaardeerd en daar richt zich het vermaan van de apostel tegen. Terecht zich beroepend op het Woord van de Heer: Wie zo lichtzinnig het huwelijk bree1ct moet ongehuwd blijven of (en dat was in deze situatie in Korinthe een reële mogelijkheid) zich verzoenen.

Opvallend is hier ook dat de vrouw het huwelijk breekt door haar man te verlaten. In zijn vorige boek "Emancipatie en Bijbel", schreef Van Bruggen dat er in de gemeente gesympatiseerd werd met een vrouwen-emancipatiebeweging in Korinthe. Ik denk dat de gemeente van Korinthe daarin de wereld zelfs is voorgegaan. Deze emancipatorische houding van de vrouwen komt in het verlaten van hun mannen tot uiting. Een houding, die we vandaag ook tegen komen bij vele doorgewinterde feministen. Leest u Anja Meulenbelt's "De schaamte voorbij", er maar eens op na. Ik kan me voorstellen dat de apostel in dit soort situaties (en situaties zijn herhaalbaar!!) een krachtig nee moet laten horen. Waar over het huwelijk wordt heen gelopen, daar moet krachtig gesproken en gehandeld worden. Maar moet en kan dat in elke gebroken huwelijksrelatie? Er kunnen omstandigheden zijn, waarin een huwelijk niet meer geheeld kan worden. En mag je dan dit woord zondermeer te berde brengen? We moeten, denk ik, in deze dingen onderscheidend te werk gaan, zoekend en tastend en vooral ook biddend, waar dit woord gesproken moet worden.
Niet elke gebroken situatie is het potje waar juist dit dekseltje op past.

Het is hard wanneer 'n huwelijk wordt ontbonden. Terecht moeten we zeggen: de Here wil dat niet. Toch gebeurt het. En wie situaties heeft meegemaakt, waar ook echt geworsteld is door beide of één van beide partners, die weet ook hoeveel pijn dit doet.
Maar dan na de scheiding voor het verdere leven ongetrouwd blijven?
Is er via de sluis van berouwen schuldvergeving in dit soort situaties geen opening te maken? Zijn berouwen vergeving in de christelijke gemeente niet de woorden die ruimte kunnen scheppen voor een nieuw huwelijk? Nogmaals: laten we hier toch vooral onderscheidend te werk gaan. Dan is er geen sprake van alleen maar verontrusting (dit kan eigenlijk niet, maar ja .. ) en berusting (laten we in vredes naam er maar in toestemmen). Niet elke scheiding gebeurt lichtvaardig. Niet elke situatie herinnert ons aan Korinthe.
In samenhang met deze vragen haalt Van Bruggen in z'n eerste bijlage Matth. 19, 12 aan: "en er zijn gesnedenen, die zich zelf gesneden hebben, terwille van het Koninkrijk der hemelen:"

Dit woord van de Here Jezus brengt Van Bruggen naar voren om diegenen te helpen, die in een gebroken huwelijkssituatie leven, "maar die terwille van Gods gebod van een scheiding afzien en daardoor een huwelijk op zich blijven nemen dat in veel opzichten te typeren valt als een gefrustreerd bestaan. En ditmaal aanvaardt men het onvolkomene niet nood gedwongen (zoals de eerste beide categoriën gesneden in dit vers - J.B.), maar vrijwillig vanwege Gods Koninkrijk" (blz. 119).
Er zijn situaties, vroeger meer dan tegenwoordig, waarin dit inderdaad gebeurt. Een zware weg, die met Gods hulp te gaan is. Als pastor zul je deze weg ook open moeten laten.
Maar het blijft een hele toer.
Kunnen we deze konklusie inderdaad trekken uit Matth. 19? In dit hoofdstuk diskussiëren de farizeeën met de Here Jezus over de echtscheiding, eindigend in dit woord van Jezus: "wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een ander trouwt, pleegt echtbreuk."

De discipelen reageren hierop met: "Indien voor een man de zaak met zijn vrouw zo staat, is het niet raadzaam te trouwen", waarna de Here Jezus die nogal raadselachtige woorden spreekt over de gesnedenen. Al in de oude kerk heeft men dit woord van Jezus laten slaan op de ongehuwde staat. Zichzelf snijden terwille van het Koninkrijk werd dan opgevat als een aanbeveling van het celibaat.

Van Bruggen echter meent dat Jezus met dit woord teruggrijpt op de diskussie met de fanizeeén over huwelijk en echtscheiding en laat dit woord slaan op een gebroken huwelijk. Als argument voert hij aan dat de eerste categorie gesnedenen (geboren eunichen) in de joodse samenleving getrouwd konden zijn. Zij het, dat zo'n huwelijk als onvolledig getypeerd moet worden. De gesnedenen terwille van het Koninkrijk zijn dan zij, die vrijwillig zich binnen het huwelijk beperkingen opleggen, omdat hun huwelijk op dood spoort is geraakt, maar die vanwege Gods gebod niet willen scheiden.
Moeten we deze kant op met Matth. 19? De Here Jezus heeft in de diskussie met de farizeeën een dam opgeworpen tegen een huwelijksmoraal, die hoe goed bedoelt ook, echtscheiding in de hand wer1ct. De reaktie van de discipelen op dit woord is, dat het huwelijk voor de man een onmogelijke opgave wordt en dan is het raadzaam niet te trouwen.

Ik denk dat de Here Jezus met dit woord over de gesnedenen de opvatting van zijn discipelen korrigeert.
Het huwelijk is een goede ordening van God. Laten mensen die ook zoeken.

En dan is de negatieve keus, niet trouwen, geen alternatief. Echter, er zijn uitzonderingen. De gesnedenen, die in twee catogarieën uitéén vallen.
Zij zien af van een huwelijk of moeten er van af zien, terwijl ze best hadden willen trouwen. Maar er zijn drempels die een (volledige beleving van het) huwelijk in de weg staan.
Zij hebben, en daar gaat het om, er echter niet voor gekozen om ongetrouwd te blijven.
En dan voegt de Here aan deze gesnedenen nog een 3e categorie toe.
Zij die positief kiezen voor de ongehuwde staat. Die afzien van het huwelijk, omdat het de handen bindt, die ze vrij willen hebben voor de dienst in het Koninkrijk van God.
(Zie ook de opmerkingen die Paulus hierover maakt in 1 Kor. 7, 32).

De eerste en tweede groep gesnedenen zijn vaak sneu omdat het huwelijk hun niet gegeven is. Wordt die derde groep gesnedenen door de Here Jezus clan niet naar voren gehaald om ook de beide eerste groepen een weg te wijzen waarop zij aan hun gesnedenzijn op positieve wijze gestalte kunnen geven?
Wanneer Van Bruggen Matth. 19 zo had aangehaald zou hij helemaal op de lijn hebben gezeten, die hijzelf zo duidelijk heeft aangewezen in het hoofdstuk "Het voorrecht van de ongehuwde staat", nu is deze tekst geprest in de strijd tegen de echtscheiding.
Hiermee moge ik deze bespreking beëindigen.
Het boek van prof. Van Bruggen leent zich uitstekend voor een brede bespreking op bijbelstudieavonden en jeugdverenigingen. Daarnaast kunnen de predikanten en studenten hun winst er mee doen.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief