Zo was het (36)

1980-02-29
  • Jaargang 24
  • nummer 9
Grotendeels heb ik op m'n eentje moeten zoeken naar vorm en inhoud van m'n preekwerk. Onder collega's werd er weinig over gesproken. Preken wasen is mogelijk nog - in hoofdzaak een eenmansbedrijf. Van de gemeente kreeg ik van deze en gene wel eens een waarderende opmerking. Als dat alleen maar bestaat in "dominee, wat hebt u weer mooi gepreekt" moet de preker zich er maar niet veel van aantrekken. Van een welwillende kritische opmerking kan hij waarschijnlijk meer leren. Die kreeg ik ook wel eens. Dat betrof soms de manier waarop. Ik riep wel eens te hard. Een goede stem en een grote kerk nodigen daartoe wel eens uit. In de tijd, toen ik bezig was met m'n 'proefschrift over een gedeelte van de brief aan de Romeinen kreeg ik te horen: Al die preken over Romeinen worden ons wel eens te veel! Dat een ouderling mij waarschuwde tegen het "er op timmeren" heb ik al verteld. Maar ik kreeg ook wel kritiek op de inhoud. Die m.i. onterecht was. Zo zegt men dat tegenwoordig. M.i. ten onrechte. Of: niet terecht. Maar de bedoeling is wel duidelijk.

Sommigen vonden, dat ik wel een beetje remonstrants preekte. Volgens hen legde ik te veel nadruk op de verantwoordelijkheid van de gelovigen. Het was toch God, die het geloof gaf en de wedergeboorte bewerkte en alles deed, wat wij nodig hadden om getroost te leven en zalig te sterven? Dat ontkende ik vanzelf niet. Maar ik beweerde, dat dit niets afdeed van onze taak, onze eigen redding te bewerken met heilige zorgvuldigheid. Ook zei ik, dat de remonstranten wel een beetje gelijk hadden in de strijd tegen de contraremonstranten. Zo gaat dat meestal in elke kerkelijke strijd. Geen der partijen heeft helemaal gelijk. Ook werd wel eens opgemerkt, dat ik niet moest waarschuwen tegen verbondsbreuk.
Wie ècht in het verbond was kon toch niet uitvallen? Als ik opmerkte, dat er in de Schrift toch sprake was van "schipbreuk lijden van het geloof" en van "vervallen van de genade", dan kon men niet ontkennen, dat dit er stond. Maar men hield vol, dat men dan nooit echt geloofd had en dat men nooit in staat van genade was geweest! Ik hield vol, dat we maar moesten laten staan wat er staat.

Deze en gene strooide het gerucht rond, dat ik van wedergeboorte eigenlijk niet wilde weten. Dat werd niet tegen mijzelf gezegd. Later hoorde ik dat, toen in 1946 een synode met dwaze besluiten kwam. Die bij Kuyperianen in goede aarde vielen. Van wedergeboorte wilde ik wel weten. Maar niet als "inplanting van een levenskiem". Maar als vernieuwing van het leven. Zoals de Schrift er over spreekt.
Van dezelfde kant werd ook opgemerkt, dat ik niet sprak van eeuwige rechtvaardigmaking.
Noch van een eeuwig besluit van verkiezing en verwerping. Men zei, dat ik niets wilde weten van verkiezing en verwerping. In de studeerkamer sprak ik daarover wel eens met iemand. Ik wilde wel weten van verkiezing en verwerping. Daarover spreekt de Schrift toch menigmaal. Maar ik wilde niet weten van een soort noodlot, waardoor al vóór de tijd, was beslist over ons eeuwig lot. God verkiest in de tijd en aan zijn verkiezende liefde heb ben we alles te danken, wat dient tot ons behoud. En God verwerpt ook in de tijd. Namelijk hen, die Hem eerst hebben verworpen. Sommigen hebben later uitgesproken, dat zij altijd al wel gedacht hadden, dat ik niet goed-gereformeerd was. Maar goed-gereformeerd was volgens hun opvattingen kuyperiaans. En dat was ik inderdaad niet.

Dit alles ging buiten het geheel der gelovigen om. De gemeente was daardoor niet in rep en roer. Vermoedelijk vonden ze mijn preken maar matig. "Men" had, denk ik, liever wat meer "vuur en vaart" in m'n preken gewild, Ik was en ben nu eenmaal geen redenaar. Maar over het algemeen konden wij het best met elkaar vinden. De bezwaren kwamen van de kant van theologen op artikel 8 zal ik maar zeggen. Daarmee is geen kwaad van art. 8 gezegd. Er zijn uitnemende dominees op art. 8 geweest. Ik wil alleen maar zeggen, dat de bezwaren van de kant van kuyperianen kwamen. Kleine theologen, die de grote theoloog Kuyper volgden. De leerling van dr Kuyper, ds Vonkenberg, had wel invloed gehad. Vooral door de J.V., waarvan bijna alle kerkenraadsleden lid waren geweest.

Eerder vertelde ik, dat ik in Hommerts al bemerkt had, dat Kuyper wel ontzaggelijk veel tot stand had gebracht Maar dat hij het met z'n opvattingen, z'n theorieën veelal mis had gehad. Ik wist wel dat het zó niet moest. Maar hoe dan wel, stond mij lange tijd niet voor de geest. Daar ben ik in de dertiger jaren enigszins achter gekomen. Die jaren zijn voor mij en vele anderen heel belangrijk geweest. Het was voor mij een "nieuwe lente, een nieuw geluid". Om die tijd te typeren stel ik u een reclameplaat voor van een Zaadhandel in Enkhuizen. Van een firma Sluys naar ik meen. Daarop stond een tuinder, midden tussen z'n akkers. In de lentetijd. Hij houdt een hand aan z'n oor. En hij zegt: "Ik hoor het groeien". Ik hoorde het groeien om zo te zeggen. Van verschillende kanten wer}ien de kuyperiaanse opvattingen bekeken. Ze werden niet meer klakkeloos aangenomen. Men wilde wel in Kuyper's lijn blijven. In de reformatorische lijn. Maar wel met kritiek. Die steeds weer nodig is. Niemand heeft alle wijsheid in pacht. Bekend is de spreuk: "de gereformeerde kerk moet steeds weer gereformeerd worden". Dat geldt ook van gereformeerde opvattingen. Ik noem een paar namen. De nog levenden ga ik voorbij. In Biggekerke woonde en werkte br. A. Janse, schoolhoofd daar. In Amsterdam traden 'n paar professoren in de Wijsbegeerte op: Vollenhoven en Dooyeweerd. Grondvesters van de W.d.W., Wijsbegeerte der Wetsidee. In Kampen werd prof. K. Schilder benoemd. Bekend als K.S. Van hen heeft Janse de meeste invloed op mij gehad. Hij was geen theoloog van beroep zal ik maar zeggen.
Was niet aan Universiteit of Hogeschool geweest. Maar was een Schriftgeleerde in de echte en rechte zin van het woord. We hoeven het niet in alles met hem eens zijn. We moeten dat maar met niemand zijn, denk ik. We moeten geen kuyperianen zijn, ook geen schilderianen, geen calvinisten noch jansenisten.
Allerlei -anen en -isten hebben veel kwaad gedaan. En soms het werk van hun voorgangers afgebroken.

Merkwaardig dat de "leiders", meestal theologen, Janse eigenlijk niet erkenden.
Ik zat eens ergens in Friesland te vissen met een club. M'n buurman stelde zich voor als onderwijzer. Hij vroeg mij: wat denkt u van Janse? Mijn wedervraag was: wat denkt u? Hij weer: ik lees hem graag. Ik leer veel van hem. Maar onze dominee waarschuwt ons, dat we voorzichtig met z'n leringen moeten zijn. Want hij kent geen Hebreeuws en Grieks! Is dat waar? Ik zei, dat J. wel geen deskundige was op het gebied van die talen. Maar dat hij meer inzicht had in de Schrift dan mijn leermeesters, die dan wel als deskundigen golden. Dat stelde m'n buurman wat gerust. Ik gold tenslotte ook een beetje als deskundige. Een ds of dr voor je naam maakt altijd nog wat indruk. Vaak niet met recht.

Ik heb voor m'n preken van Janse geleerd. Bijv. dat we de woorden van de Schrift zoveel mogelijk dirèct moeten verstaan en toepassen voor onze tijd. Ze hoeven niet eerst door de molen van de theologie. Geleerden spreken vaak zo ingewikkeld, dat een normale of modale gelovige er niet bij kan. We moeten bijv. de Bergrede lezen, zoals die geschreven staat. En door de kracht van Gods genade er naar streven om daders van het Woord te zijn. Ik leerde van hem, dat de Bijbel niet geschreven is voor theologen of filosofen of weet ik veel wat voor geleerden, maar voor het gewone volk. En voor dat volk moeten we ook preken. In diezelfde tijd hoorde ik dat ook van een Duitse dominee.
Mogelijk heb ik dat verhaal wel eens eerder verteld, maar het kan geen kwaad, dat nog maar eens te doen. Bedoelde dominee was hofprediker. Hij mocht preken in een kathedraal voor de keizer en de hofhouding. Die keizer meende ook nog wel theoloog en filosoof te zijn. Men vroeg eens aan de hofprediker: Is u niet zenuwachtig, als u voor de keizer enz. preekt? Z'n antwoord was: Op de keizer en de zijnen let ik niet. Ik denk aan de dienster uit de keuken. Als die m'n preek verstaat moet de keizer 't ook maar verstaan.

Het is vreemd dat iemand in de dertig moet zijn, eer hij bepaalde woorden van de Bijbel echt gaat verstaan. Van een duitse verklaarder èn van Janse leerde ik in die tijd echt verstaan, wie de rechtvaardigen zijn. Ik had altijd gedacht, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd werden. Zonder dat wij daardoor rechtvaardigen werden. Zo was het mij ook geleerd in Amsterdam.
Zo werd ook geleerd in Kampen. Ons werd het geloof tot rechtvaardigheid gerekend. Maar dat was een toerekenen "alsof". Maar als God ons iets toerekent, dan is dat niet "alsof", maar dan worden wij daardoor rechtvaardigen.
Zoals Abraham trouwens ook door de geloofswerken gerechtvaardigd werd. Door het geloof staan we in de rechte verhouding tot God. Maar uit het geloof levend doen we dan ook rechtvaardigheid of gerechtigheid. Zoals bijv. heel duidelijk staat in I Joh. 3: "Wie de rechtvaardigheid dóet is rechtvaardig".
Dat wil niet zeggen, dat we altijd en overal zo doen. We struikelen soms in gedachte, woord of daad. Dan doen we ongerechtigheid. Maar daarin kunnen gelovigen niet leven. Ze vragen en krijgen vergeving, En hebben lust in de gerechtigheid. In verband daarmee durfde br. Janse spreken van de "enge poort'" als het christelijke léven. Dus niet de enge poort van wedergeboorte of bekering waardoor een enkeling mag behouden worden. Niet de poort als toegang tot het nieuwe leven. Maar die poort staat over heel ons leven. Die poort is gelijk aan de smalle weg, die gelovigen te gaan hebben. Door Gods geboden te bewaren.
Door de hand af te kappen, die tot zonde verleidt. Enz. enz. Hij durfde spreken van de goede werken der rechtvaardigen. Zoals de Heiland toch ook doet? Daar is heel de Bijbel vol van. Geen werken der wet, om door eigen verdiensten behouden te worden. Maar toch wel ècht goede werken, voortkomend uit geloof. Dat werd in Voorthuizen niet door allen en niet altijd begrepen.
Men dacht dat dit een beetje remonstrants was. Alsof ik leerde, dat een mens door werken der wet behouden zou worden. Dat was allerminst het geval. Maar wel had ik leren inzien, dat geen mens zonder geloofswerken behouden wordt. Aan het slot van de Bergrede zegt de Here Jezus dit immers met grote nadruk. Niet ieder, die zegt "Here Here", zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die doet de wil van de hemelse Vader. Of het ook op het doen van de wil van God aankomt! Dat vonden sommige "zwaren" onder de hoorders maar "licht gepraat". Het zij zo. De Schrift spreekt wel zo.

Zo heb ik nogal wat van bedoelde broeder geleerd. Merkwaardig dat. in diezelfde dertiger jaren ik ook van anderen dezelfde inzichten geleerd heb. Een Duitse geleerde en een Engelse hebben me in die tijd verder gebracht met m'n inzicht in de Schriften. Het hing om zo te zeggen in de lucht. Hoewel ik helemaal geen filosoof ben, heeft prof. Vollenhoven mij wel wat te zeggen gehad.
En van K.S. genoot ik ook. Naar mijn indruk meer van zijn vroegere geschriften dan van latere. Men heeft mij wel eens gevraagd van wie ik zoal m'n inzicht in de Schrift had gekregen. M'n antwoord moest zijn: dat weet ik zelf niet. Vermoedelijk kunnen de hoorders van de prediking ook niet precies zeggen van welke preken of van welke artikelen zij hun inzicht in de Schrift gekregen hebben. Het resultaat van de preken, die we hebben gehoord, heb ik wel eens vergeleken met de uitwerking van de zee op de Wadden. Bij vloed spoelt het zeewater over het Wad en bij eb vloeit het weer af. Van dag tot dag is het resultaat niet te zien. Maar op de duur blijft er wat vruchtbaar slib over van alle preken die yve horen, kunnen de meesten van ons niets navertellen.
Maar er blijft in de loop der jaren heel wat van hangen. We nemen toe in geloof aan het Evangelie en gaan van kracht tot kracht voort in het houden van Gods geboden. En zo gaat het ook met de studie van een predikant. Hij weet zelf vaak niet waarvan hij z'n inzichten heeft Ik weet het tenminste niet. Maar van alle studie en luisteren naar verklaarders der Schrift blijft wat hangen. Het groeit om zo te zeggen en men weet niet hoe. Ik zie, dat ik mijn ruimte wel ongeveer gebruikt heb. Naar ik hoop maar weer tot de volgende maand.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief