De armen van Galilea
1980-03-07
De oude kerk- Jaargang 24
- nummer 10
Wie zijn dan toch die "armen van geest", bij Lucas kortweg "de armen" over wie Jezus het "zalig" uitspreekt? Al in de eerste eeuwen van het christendom was die vraag aan de orde. Gemakshalve, maar ook vanwege zijn scherp belijnd standpunt laten we Rochus Zuurmond nog eens aan het woord. In het genoemde nummer van "Opstand" schrijft hij verder: "Celsus bespotte in de tweede eeuw het christendom als godsdienst voor bedelaars. Een halve eeuw later zet Origenes dit haastig recht: Jezus heeft met zijn zaligsprekling natuurlijk niet alle letterlijk armen bedoeld, 'zelfs een amateurspreker zou nooit de armen zonder onderscheid hebben geprezene, velen van hen hebben immers totaal verdorven zeden!' (C, Celsus 642; moet zijn: Contra Celsum, P.). Clemens van Alexandrië (2e eeuw) is Origenes voorgegaan: is het niet karakteristiek dat deze Clemens, een der allereerste theologen van de kerk, een traktaat heeft moeten schrijven over de vraag of een rijke zalig kan worden? (Wie is de rijke die wordt gered?). A!l[e kritische uitlatingen in het 'Nieuwe Testament' over de rijken - en dat zijn er nogal wat - worden daarin weggepraat met de theorie dat de wáre armoede een bewustzijnsinhoud is die met de inhoud van de portemonnee niets te maken heeft. De Rijke Jongeling (Marc. 10: 17-31) had óók van Jezus kunnen leren hoe hij zijn centen goed kon gebruiken.
De armen krijgen nog een trap na: ze hebben niet alleen geen menselijk bezit, maar vaak - gezien hun hebzuchtige aard - ook geen deel aan God!"
Luther en Franciscus
"Dat was de tweede eeuw. Maar in de zestiende eeuw zegt Luther, in een preek op Allerheiligen in 1522 bijna woordelijk hetzelfde. Hij haalt uit tegen Franoiscus van Assisi, die de armoede letterlijk nam. 'Hij (Franciscus dus, P.) heeft tegen Christus in (!) het Evangelie betrokken op de tijdelijke armoede'. 'Een bedelaar die iets begeert is rijker dan een rijke die zijn haot niet op zijn rijkdom zet' etc. etc. Het lijkt wel of we niet Matth. 5 maar Seneca horen uitleggen. Natuurlijk is de inzet bij Luther dat de armoede geen pseudo-verdienste kan zijn. Dat is terecht. Maar ats het 'sola gratia' (alleen door de genade wordt de mens gered) nergens in de materiële werkelijkheid zichtbaar mag worden, zijn we toch wel ver van het 'Nieuwe Testament' weggeraakt." (zie het aangehaalde nummer van Opstand, pag. 12, 13). Expres ruim ik nogal wat plaats in voor de mening van Zuurmond.
Zijn ideeën blijken aan te spreken bij velen, die werkelijk begaan zijn met de nood in de wereld. Niet voor niets bestaat er een beweging (!, P.) "Christenen voor het Socialisme" en wordt er steeds nadrukkelijker bijval geschonken aan de theologie van de revolutie, de bevrijdingstheologie en dergelijke. Ook in eigen kring is wel de stelling verdedigd (althans op tafel gelegd): het gaat in Jac. 5 : 1 v.v. niet om rijken die zich kwalijk gedragen, nee
het gaat om de rijken als klasse, rijken per definitie,
Plaatsbepaling nu
Zuurmond zegt elders (pag. 6): "De verkondiging vraagt vóór alles om een reële plaatsbepaling op de weg van de Mensenzoon, dichtbij de plaats waar Hij verkeert. En waar ánders zou dat zijn dan bij zijn minste broeders in hun verdrukking: de naakten, de hongerigen, de gevangenen, de zieken, zij die zijn als de doden ... ". En even verderop: "Nee, er zijn in de werkelijkheid wel degelijk bewegingen- die beantwoorden aan de beweging van de Messias, èn bewegingen die daaraan absoluut niet beantwoorden. Dat is de reden waarom wij, in praxis en theorie, socialist zijn. En daarom kunnen we niet optreden als bondgenoten van het westerse imperialisme, welke onreine redenering men daartoe ook aanvoert." Zijn stellige mening is: "De solidariteit met de verdrukten, in praxis en theorie, gaat voorop. Ik zeg niet, zoals bijvoorbeeld Ragaz zei, dat de praxis van de verdrukte identiek is met die van de Messias; er blijft altijd een messiaans kritisch 'gegenüber'. Maar de consequentie hiervan kan toch niet zijn dat het gebeuren in deze wereld neutraal zou zijn jegens het Messiaans gebeuren!"
Daargel-aten of Zuurmond zelf ontkomt aan de "ideologische bevangenheid" die hij anderen verwijt (pag. 14), is de zaak te belangrijk om haar achteloos terzijde te schuiven. Zijn stelling is immers dat de kerk vrijwel altijd Jezus' woorden in de bergrede heeft vergeestelijkt. Vergeestelijkt is immers een (te) gemakkelijke manier om aan de klem van het evangelie te ontkomen.
Mattheüs en Lucas
Blijft de vraag: wie zijn nu die 'armen van geest'. Heeft de kerk van meetaf hen vergeestelijkt, Zuurmond gaat m.i, de tegenovergestelde richting uit. Hoor ma:ar: "Lucas schrijft 'armen', Mattheüs 'armen van geest'. Het is typerend dat Lucas' armen voortdurend zijn uitgelegd als armen van geest (met dank aan Mattheüs), maar zelden Mattheüs' armen van geest als gewone armen à Ia Lucas. Daartoe is alle aanleiding (cursivering van mij, P.). Uitgangspunt zou kunnen zijn dat Mattheüs nu eenmaal een meer oud-testamentisch en joods taalgebruik heeft dan Lucas. Maar dat wil niet zeggen dat hij iets anders bedoelt. De zinswending 'arm van geest' en in vers 8 'rein van hart' is typisch hebraïserend. Model staat, zowel naar inhoud als naar vorm, Psalm 34: 19. "Jahweh is nabij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest bevrijdt hij."
(Let wel: "zowel naar inhoud als naar vorm" - m.a.w. ook in Ps. 34 zou het gaan om "gewone armen à Ia Lucas", P.). Het citaat vervolgt met: "Uit het 'Oude Testament' ... zijn talloze voorbeelden aan te halen van soortgelijke constructies... Men bedenke dat woorden als geest, hart, lichaam, ziel niet een déél van een mens beduiden maar die hele mens onder een bepaald door de kontekst opgelegd gezichtspunt. Er kan dan ook geen sprake van zijn dat 'van geest' hier betrekking heeft op de sektor der geestelijke zaken of op de manier van arm zijn. 'Van geest' duidt op het aspekt van de mens waarin de armoede het meest pregnant is, namelijk dat hij geest is, levend (letterlijk: ademend) wezen. Van de arme wordt vooral het leven bedreigd, de ademtocht en zijn leeftocht worden hem onthouden.
Zijn armoede is daardoor totaal, omvat wat wij 'geest' noemen en wat wij 'lichaam' noemen. Op dezelfde wijze is de reine 'rein van hart'. De mens is 'hart' (het hebreeuwse woord is 'lef'!) als we hem bezien onder het aspekt van wat hij wil, waarnaar hij streeft. Iemand wiens wil zuiver, éénvoudig is, is 'rein van hart' en daarmee in zijn totaliteit rein. Verre van te spiritualiseren (vergeestelijken, P.) concretiseert Mattheüs de armoede, schildert hij ze in Joods-Hebreeuwse termen nog feller dan Lucas" (pag. 13).
Veel citaat deze keer. Misschien ook moeilijk. Maar het is de moeite van tweemaal lezen waard: uit de uitleg spreekt een stuk moderne maatschappijkritiek, dat ook via de krant onder onze ogen komt. Graag wil ik volgende week dan nóg eens aan de orde stellen wie Jezus bedoelt met "de armen van geest".