De vrijheid van godsdienst in het geding
2012-02-18
Ze lijken water en vuur te zijn, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders en D66 van Alexander Pechtold. Toch durf ik te beweren dat ze één ding gemeenschappelijk hebben, en wel dat ze in religieuze zaken de overheid een akelige bemoeial willen maken.- Jaargang 56
- nummer 4
Om dat uit de doeken te doen, steek ik in bij de manier waarop in ons land het onderwijs geregeld is. In de Grondwet (artikel 23) is vastgelegd, dat er twee soorten van onderwijs zijn: openbaar en bijzonder, en dat beiden bekostigd worden door de overheid. Zo zijn er in Eindhoven behalve openbare basisscholen ook interconfessisonele, Rooms-Katholieke, protestants christelijke, islamitische, en (één) evangelische. De overheid bewaakt het niveau en de kwaliteit van al die scholen, maar bemoeit zich niet met de godsdienstige kleur van het onderwijs.
PVV en islam
Wat zegt nu de partij van Geert Wilders?
Christelijke, joodse en openbare scholen moeten naast elkaar kunnen bestaan.
Wij zijn dus voor behoud van artikel 23 Grondwet. Islamitische scholen gaan daarentegen dicht. (Verkiezingsprogramma 2010-2015, p. 29)
Toen ik dat voor het eerst las dacht ik: ‘Dit klopt niet.’ Immers: hoe kun je nu zeggen dat je artikel 23 van de Grondwet wilt handhaven, en tegelijk roepen dat islamitische scholen dicht moeten? Je kunt toch niet volhouden dat joodse en christelijke scholen wel onder het bijzonder onderwijs vallen, en islamitische niet? Toch wel. Want eerder in haar verkiezingsprogramma schrijft de PVV:
De islam is vooral een politieke ideologie en kan dus op geen enkele manier aanspraak maken op de voorrechten van een godsdienst. (p. 15)
Politieke ideologie?
Zo gezien is het inderdaad consequent om te stellen, dat er naast de openbare wel joodse en christelijke scholen kunnen bestaan, maar geen islamitische. Want volgens de PVV hebben de eerste twee onderwijsinstellingen een religieuze identiteit, en de laatste niet. Je hebt toch ook geen socialistische scholen, of liberale? Ik snap het, maar vind het tegelijk om twee redenen een onaanvaardbare gedachtegang.
In de eerste plaats omdat het niet waar is dat de islam ‘vooral een politieke ideologie’ zou zijn en daarom geen aanspraak zou kunnen maken op ‘de voorrechten van een godsdienst’. Het is zeker waar dat de islam een allesomvattende godsdienst is, met dus ook politiek-ideologische kanten. Maar dat dat in mindering zou komen op het religieuze karakter?
Naar mijn mening geeft de PVV hier blijk van onvoldoende inzicht in de eigen aard van de religie. In de tweede plaats vind ik het bedenkelijk dat de PVV dit poneert, omdat de overheid hiermee terugkeert naar de tijd dat zij de ene godsdienst meer voorrechten toekende dan de andere. Tegen de Piëtisten zei ze: ‘U bent een sekte, en daarom kunt u geen aanspraken maken op de zelfde voorrechten als de Lutherse kerk.’ (zie het vorige nummer van Opbouw). Zo moet nu volgens Wilders de overheid tegen moslims zeggen: ‘U vertegenwoordigt een politieke ideologie, en daarom komen u niet de rechten toe die de christenen in ons land hebben.’ Ik vrees daarom dat de vrijheid van godsdienst bij de PVV niet geheel veilig is.
D66 en de vrijzinnigheid
Nu D66. Ook die partij doet uitspraken over religieuze zaken. In het verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer van 2010 staat bijvoorbeeld:
D66 vindt dat de grenzen van de vrijheid van meningsuiting voor iedereen gelijk moeten zijn, ongeacht de religieuze, culturele of maatschappelijke achtergrond… Er mag dus een grote mate van incasseringsvermogen worden verwacht van mensen. In het publieke debat mag en moet men echter elkaar ook houden aan ongeschreven beschavingsnormen en respect. D66 vindt dat de wettelijke regelingen die stellen dat religieuze opvattingen beschermwaardiger zijn dan andere opvattingen moeten worden geschrapt. (p. 75)
Hoe dit te interpreteren? Ik voor mij lees hier, dat godslastering en heiligschennis voor deze partij op één lijn staan met bijvoorbeeld beledigende opmerkingen over de architectuur van Rem Koolhaas, of over de kwaliteiten van PSV. Juristen moeten maar zeggen of dit klopt. Maar áls het klopt, dan denk ik dat we de partij moeten tegenspreken, omdat uit deze gelijkstelling weinig inzicht in de eigen aard van godsdienst blijkt. Opvallend is, dat ook D66 kanttekeningen plaatst bij de twee soorten onderwijs die in ons land door de overheid erkend en bekostigd worden.
Ik citeer opnieuw uit het verkiezingsprogramma:
D66 vindt het huidige artikel 23 van de Grondwet op termijn niet houdbaar voor het onderwijs. D66 wil dat scholen niet langer kinderen mogen weigeren vanwege hun geloof of achtergrond.
Streng religieuze scholen mogen vrijzinniger leerlingen én leraren niet weigeren.
(p. 33)
Is eigen identiteit veilig?
Met andere woorden: als het aan D66 ligt krijgt het bijzonder onderwijs minder ruimte voor handhaving van zijn identiteit. Ik geef een voorbeeld.
Een evangelische basisschool wil onderwijs geven vanuit ‘de evangelische levensbeschouwing’. Op een website verwijst ze daarbij naar onder andere de volgende geloofsartikelen:
- Onze Here Jezus Christus, God in het vlees geopenbaard, geboren uit een maagd, Zijn zondeloos leven, Zijn goddelijke wonderen, Zijn plaatsvervangend en verzoenend sterven, Zijn lichamelijke opstanding en hemelvaart, Zijn werk als Middelaar en Zijn persoonlijke wederkomst in macht en heerlijkheid.
- De goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift en daaruit voortvloeiend haar betrouwbaarheid en hoogste gezag in alle zaken van geloof en leven; er is geen dwaling in al wat zij verklaart.
Stel nu, dat iemand naar een vacature voor groepsleerkracht op deze school solliciteert en eerlijk uitspreekt dat hij of zij niet gelooft dat Jezus uit een maagd geboren is en ten hemel gevaren.
Verder doorpratend komt er dan uit dat deze sollicitant een wezenlijk andere kijk op de Bijbel heeft. Ik zou me kunnen voorstellen dat de school liever niet met deze kandidaat in zee gaat. Maar wat zegt D66? ‘U mag deze sollicitant niet weigeren, enkel en alleen omdat hij of zij vrijzinniger denkt dan u.’ Daarmee laat zij de overheid bepalen in welke mate de evangelische levensbeschouwing mag doorwerken in het onderwijs. Mogen evangelische christenen dan niet zelf meer uitmaken hoe belangrijk een bepaalde Bijbelbeschouwing is? Eigenlijk zie ik hetzelfde gebeuren als bij de PVV: de overheid eigent zich zo veel zeggenschap over religieuze zaken toe, dat de vrijheid van godsdienst onder druk komt te staan.
Orde en rust
Als christen heb ik het niet op zo’n betuttelende overheid. Ik zie graag dat zij de kerk met rust laat. Dat is ook de strekking van het gebed voor de overheid dat Paulus aanbeveelt: Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid. (1 Timoteüs 2:2)
Dat klinkt misschien tam, maar dat is het niet. Want Paulus heeft hier de missionaire roeping van de kerk op het oog. Het gaat hem er niet om dat de gemeente van Christus zich kan koesteren in een behaaglijk bestaan, maar dat zij de ruimte krijgt om het heil voor ‘alle mensen’ (vers 1 en 4, vgl. 4:10) te verkondigen. Dit gebed wordt ingegeven door de geloofsovertuiging dat al die koningen en gezagsdragers, hoe machtig ze ook zijn, Iemand anders boven zich hebben: ‘de verheven en enige heerser, de hoogste Heer en koning,’ 1 Timoteüs 6:15. Wat de keizers en presidenten van deze wereld ook aan ambities hebben en van plan zijn – uiteindelijk spelen zij een ondergeschikte rol.
Vaak zonder het zelf te weten worden ze in dienst genomen door God, die zijn Koninkrijk aan het vestigen is.
De pax romana, de relatieve orde en rust die over de wereld rond de Middellandse Zee neerdaalde ten tijde van het Romeinse Rijk, is in Paulus’ ogen dienstbaar aan de verkondiging van het evangelie. ‘Laten de gemeentes bidden dat het zo blijft!’ schrijft hij aan Timoteüs. De kerk is gebaat bij een overheid die haar alle ruimte geeft om de dingen te zeggen en te doen die zij nodig en door God geboden acht.
Minder actieve rol
Het is in deze zin dat ik ook artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lees. In het vorige nummer van Opbouw vestigde ik er de aandacht op, dat hier nogal wat staat, ook in de gestripte versie die de Gereformeerde Kerken in 1905 vaststelden: De taak van overheden is ‘niet alleen acht te geven op de openbare orde en daarover te waken, maar ook de hand te houden aan de heilige kerkedienst, de voortgang van het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen en het Woord van het Evangelie overal te doen prediken, opdat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijnWoord gebiedt.’ De overheid krijgt hier een actievere rol toegewezen dan ik hierboven bepleitte.
De NGB vindt het kennelijk niet genoeg dat de overheid de kerk met rust laat – ze moet de verkondiging van het evangelie om zo te zeggen promoten! Nu moet dat gelezen worden tegen de achtergrond van de tijd van ontstaan. Toen de NGB in de tweede helft van de zestiende eeuw werd opgesteld wist men niet anders of men had met een christelijke staat te maken. Ter discussie stond daarom niet óf de overheid een bondgenootschap met de kerk vormde, maar met welk doel ze dat deed. Opvallend is dat artikel 36 het Koninkrijk van God centraal stelt. Het gaat om de voortgang dáárvan. De overheid is geroepen, niet om zichzelf in het middelpunt te plaatsen, maar om eraan mee te werken dat alle burgers Gód eren en dienen zoals dat in het evangelie geboden wordt. Eigenlijk is dat prachtig. Het is in wezen een oproep aan de overheid om haar plaats te weten en de eigen kroon neer te leggen aan de voeten van de Heer Jezus.
In dienst van God
In een tijd dat de staat christelijk was kon men dat zo zeggen als artikel 36 heeft gedaan. In onze tijd kan dat niet meer. Wij kunnen niet terug achter de scheiding van kerk en staat, en moeten dat wat mij betreft ook niet willen.
Maar de strekking van de NGB wil ik niet kwijt. Ook in onze tijd zou ik het geloof willen belijden, dat staten en overheden in dienst staan van God.
De Heer maakt gebruik van ze om chaos te weren, en daarmee ook om de voortgang van het evangelie te faciliteren.
Ongetwijfeld is God niet van ze afhankelijk.
Het evangelie zal zich op zijn tijd en wijze ook een weg banen in Noord-Korea en Saoedi-Arabië, waar de staat zich er met hand en tand tegen verzet. Maar de zin van de voorbede waartoe Paulus oproept vervalt daarmee niet. Het is in het belang van Gods Koninkrijk dat overheden de kerk geen strobreed in de weg leggen en dus de vrijheid van godsdienst waarborgen. Aan ons als kerk is het om daar maximaal gebruik van te maken.
Artikel 36 opnieuw
Ik eindig met de ingekorte tekst van het voorstel dat op de synode van de Gereformeerde Kerken van 1952 gedaan is om de tekst van artikel 36 bij te stellen. Daarin gaat de bezieling van vroeger samen met de huidige erkenning van de scheiding van kerk en staat:
De overheid,
* geroepen om bij te dragen tot de opbouw van een Gode welgevallige samenleving der mensen,
* zich verre houdende van alle volstrekte machtsuitoefening op het aan haar zorg toevertrouwde terrein, heeft iedere belemmering voor de prediking van het evangelie weg te nemen, opdat
* het Woord des Heren zijn loop hebbe,
* het Koninkrijk van Jezus voortgang vinde,
* en alle antichristelijke macht worde tegengestaan.
Dr. Ad van der Dussen is kerndocent bij de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding en predikant van de NGK Eindhoven.