De Schuldeiser zelf
2012-02-18
Niet alleen in het evangelie naar Johannes spreekt Jezus op hoge toon over zichzelf, in Lucas 7:36-50 horen we uit zijn mond ook woorden die een geweldig zelfbewustzijn verraden.- Jaargang 56
- nummer 4
Lucas 7:36-50
Een van de farizeeën nodigde hem uit voor de maaltijd, en toen hij het huis van de farizeeër was binnengegaan, ging hij aan tafel aanliggen. Een vrouw die in de stad bekendstond als zondares had gehoord dat hij bij de farizeeër thuis zou eten, en ze ging naar het huis met een albasten flesje met geurige olie. Ze ging achter Jezus staan, aan het voeteneinde van het aanligbed; ze huilde en zijn voeten werden nat door haar tranen. Ze droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze in met de olie. Toen de farizeeër die hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is. Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik heb je iets te zeggen.’ ‘Meester, spreek!’ zei hij. ‘Er was eens een geldschieter die twee schuldenaars had: de een was hem vijfhonderd denarie schuldig, de ander vijftig. Omdat ze het geld niet konden terugbetalen, schold hij beiden hun schuld kwijt. Wie van de twee zal hem de meeste liefde betonen?’ Simon antwoordde: ‘Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijtgescholden.’ Hij zei tegen hem: ‘Dat is juist geoordeeld.’ Toen draaide hij zich om naar de vrouw en vroeg aan Simon: ‘Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis te gast, en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven; maar zij heeft met haar tranen mijn voeten natgemaakt en ze met haar haar afgedroogd.
Je hebt me niet begroet met een kus; maar zij heeft, sinds ik hier binnenkwam, onophoudelijk mijn voeten gekust. Je hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven; maar zij heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven. Daarom zeg ik je: haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.’ Toen zei hij tegen haar: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft? Hij zei tegen de vrouw: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’
‘Daarom zeg ik je: haar zonden zijn haar vergeven, de vele, want zij betoonde veel liefde.’ Dit zei Jezus (zo letterlijk mogelijk vertaald) tegen zijn farizese gastheer over de vrouw die zo uitbundig zijn voeten had verzorgd. Om deze uitspraak goed te begrijpen, moeten we ons realiseren, dat ze volgt op een gelijkenis, waarin twee schuldenaars tegenover elkaar worden gesteld. Wat Jezus zegt, is: deze vrouw is de schuldenaar uit de gelijkenis aan wie de grote schuld is kwijtgescholden, degene met de vele zonden; dat blijkt uit het feit dat zij veel liefde heeft betoond.
Niet minder dan een profeet
Hiermee weerlegt Jezus wat zijn gastheer bij zichzelf over Hem zei: ‘Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.’ ‘Als je denkt dat Ik niet weet, wat een zondig leven deze vrouw tot nu toe heeft geleid,’ zegt Hij, ‘dan vergis je je, want toen Ik die gelijkenis vertelde, bedoelde Ik met die schuldenaar die vijfhonderd denarie schuldig was, haar. Ik weet heel goed dat haar zonden vele zijn. Er is dus geen enkele reden om uit mijn houding tegenover haar te concluderen dat Ik geen profetisch inzicht heb.’
Meer dan een profeet
‘Zij heeft veel liefde betoond’, zegt Jezus van de vrouw. Hij zegt er niet bij, aan wie, maar het is duidelijk genoeg dat Hij doelt op wat de vrouw bij Hem heeft gedaan, want dat heeft hij net uitgebreid beschreven. Jezus is degene aan wie de vrouw zo uitbundig liefde heeft betoond.
Maar in de gelijkenis die Jezus heeft verteld, is het de schuldeiser, aan wie liefde wordt betoond naar de mate van de schuld die hij heeft kwijtgescholden. Dat kan niets anders betekenen dan dat Jezus zeggen wil: deze vrouw stond bij Mij in de schuld, Die vele zonden, waar zij zo blij om is dat ze vergeven zijn, die had zij tegen Mij bedreven en die heb Ik haar vergeven.
Eerder, in hoofdstuk 5, heeft Lucas verteld, dat Jezus tegen een verlamde zei: ‘Uw zonden zijn u vergeven’, en dat toen mensen zich afvroegen: ‘Wie is die man, dat hij deze godslasterlijke taal spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?’ Maar toen had het antwoord nog best kunnen zijn: deze man is een profeet, die van God gehoord heeft dat de zonden van de man vergeven zijn, en dat woord van God nu doorgeeft. Jezus had immers niet gezegd: ‘Ik vergeef u uw zonden’.
Maar nu, met die gelijkenis erbij, kan ‘haar zonden zijn haar vergeven’ niet anders betekenen dan: ‘Ik heb haar zonden vergeven’.
De Schuldeiser zelf
Toen Johannes op Patmos zich neerwierp aan de voeten van de engel die de grote bruiloft aankondigde, om hem te aanbidden, zei deze: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij. Je moet God aanbidden.’ (Openbaring 19:10) Dat hoeft Jezus niet te zeggen. Toen Hij op aarde kwam, kwam Hij weliswaar ‘niet om gediend te worden, maar om te dienen’, maar Hij was méér dan een dienaar: Hij was de Schuldeiser zelf, die gekomen was ... om zelf de schuld te voldoen door ‘zijn leven te geven als losgeld voor velen’.
Drs. Harry Bruins is docent Nieuwe Testament aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie en lid van de NGK Schiedam.