Naar aanleiding van 'Wuiven naar de dominee'

1980-03-14
  • Jaargang 24
  • nummer 11
Een zuster uit Gorinchem, zelf moeder van een geestelijk gehandicapt kind, stuurde me het volgende gedicht:

'Klein achtergebleven kind, voor de dokter was je bij je geboorte een speling van de natuur
– "Het spijt ons Mevrouw A." -, voor de predikant een probleem
- "Dit is naar het voorbeeld van God?" -, voor de gemeente een pijnlijke verlegenheid toen we je mee namen naar de kerk
- "Zijn er geen inrichtingen?" -, voor de familie vorm je een bedreiging
- "Wat zal er gebeuren als de ouders er niet meer zijn?" - , voor je vader uiterste verwarring
- "Hoe kan een normale vader zo iets voortbrengen?" -, voor je moeder ben je een voortdurende bron van liefde en tranen.

Maar voor God,
voor God ben je iets bijzonder liefs,
Hij wilde jou zoals je bent.
Reeds voor je geboorte

heeft Hij ervoor gezorgd dat er mensen waren,
veel mensen,
met liefderijke handen en vol mededogen,
mannen en vrouwen die willen zorgen
voor kinderen zoals jij bent.
God heeft jou nodig,

om hen in staat te stellen
al hun liefde, geduld en goedheid uit te stralen.
Klein achtergebleven kind,

groot zal je beloning zijn.'

Om hen, mensen van de kerk, in staat te stellen liefde en goedheid uit te stralen. Voor hen, u en ik dus, laat ik hier volgen het gedicht van G. Boogaard dat op blz. 33 van "Wuiven naar de dominee" is opgenomen:

"HEER,
wij willen in de kerk het liefst,
dat het er goddelijk toegaat,
we praten er geregeld over,
een mysterie,
waarmee we dan waarschijnlijk
een niet-menselijke sfeer bedoelen.
of zoiets als nachtelijke stilte...

we verlangen maar steeds,
dat het er heerlijk is,
voor jezelf dan;
dat je anders naar buiten gaat
dan je binnen bent
gekomen,
voor je gevoel dan,
want het gaat er niet om
dat je iets doet ...

En we hebben nog steeds
niets gedaan, Heer,
en verborgen in een rode
zakdoek
zit het talent
in de grond…"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief