Zalig in Galilea

1980-03-28
  • Jaargang 24
  • nummer 13
Meer dan het gewone?
Voor mij ligt de vijfde druk van Feitse Boerwinkel's boek: "Meer dan het gewone" (Ambo b.v., Baarn, 1977). De ondertitel vertelt waarover hij schrijft: Over Jezus en zijn bergrede. Eerst iets over die titel: Meer dan het gewone. Op pag. 132 valt te lezen: "wij vonden dezelfde naduk op het 'meer dan het gewone' als sleutel van de bergrede bij D. Bonhoeffer, Navolging, Amsterdam 1964, p. 135: 'Waarin onderscheidt zich de discipel van de heiden'. Waarin bestaat 'het christelijke'? Hier nu valt het woord waarop het gehele vijfde hoofdstuk gericht is, waarin al het vorige is samengevat: het christelijke is het 'buitengewone', het perisson, het bijzondere, het niet-gewone, het niet-vanzelfsprekende. Het is dat, wat 'aan betere gerechtigheid' de Farizeeërs 'overtreft', boven hen uitgaat, het meer, het er bovenuit stekende.Daarom kan de christen niet de wereld gelijkvormig zijn, omdat hij rekening houdt met het perisson.' Even verder, op dezelfde pagina, schrijft Boerwinkel: "Iemand heeft mij erop gewezen dat de titel van mijn studie niet Meer dan het gewone, maar liever Anders dan het gewone had moeten luiden. Dat is juist. Met de huidige titel heb ik echter direot aan willen sluiten op de woordelijke tekst uit Mt. 5, 47: 'Indien gij alleen uw broeder groet, waarin doet gij meer dan het gewone?' In het Grieks 'ti perisson poieite', wat men zou kunnen vertalen als: wat voor overvloeiends doe je dan?"

Op dezelfde wijze...
Op zichzelf genomen kan ik dit betoog van Boerwinkel (neerlandicus/ geschiedkundige) begrijpen. Tooh suggereert de titel mij net iets teveel.
Een enkel voorbeeld uit de bergrede (...waarin doet gij meer dan het gewone; St.Vert.: wat doet gij boven anderen) wordt verheven rot titel boven het geheel. Terwijl Jezus "de gerechtigheid der Schriftgeleerden en Farizeeën" tot uitgangspunt nam (Mt. 5 : 20), lijkt het of Boerwinkel de bergrede boven de rest van de Schrift wil uittillen - iets dat overigens nadrukkelijk niet zijn bedoeling is. Toch citeert hij (zie boven) blijkbaar met instemming Bonhoeffer, die ze1fs spreekt over het 'buitengewone'. De vraag is of Jezus in de bergrede wezenlijk iets anders leert dan "de wet en de profeten" hebben gedaan. Het antwoord geeft Jezus zelf: meent niet dat Ik gekomen ben om de wet en de profeten te ontbinden, Ik ben gekomen om die te vervullen (Mt. 5 : 17). Vervuilen in de zin van: tot volle gelding en ontplooiing brengen, in tegenstelling tot de Schriftgeleerden en Farizeeën die in fei-tede Schriften ontkrachtten. Ook bij Lucas is duidelijk dat juist de oudtestamentische openbaring in geding is en blijft. Er is geen breuklijn tussen het oude en nieuwe verbond. Dat blijkt o.m. uit de gelijkblijvende reactie op "de profeten"; zowel bij het "wel" als het "wee" constateert Jezus: immers op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten, resp. de valse profeten gehandeld (Luc. 6 : 23, 26). Blijft dus de vraag wat in het Oude Testament t.a.v. de armen enz. is gezegd.

Een klasse apart?
Het lijkt mij niet juist "de armen" als aparte klasse te onderscheiden van de overige door Jezus genoemden. Wel kunnen die anderen verschillende aspecten vertonen van het arm (van geest) zijn. Met elkaar vormen zij de marginalen, mensen die een marginaal bestaan leiden (heel wat minder dan modaal!), mensen voor wie het leven geen leven meer is. Eigenlijk maak ik me boos als ook mij verweten zou worden de armen weg te spiritualiseren, te vergeestelijken om er van af te zijn.
Ik weet heel best dat Paulus de "zilverliefde" de wortel van alle kwaad noemt (1 Tim. 6 : 10) en dat Jezus in de bergrede zelf uitgerekend het dilemma stelt: Of God of Mammon (Mt. 6 : 24). Juist door deze tegenstelling in het kader van "niemand kan twee heren dienen" komt het accent te liggen op het dienen (vgI. Joz. 24 : 15 - kiest dan heden wien gij dienen zult).
In die armen van geest, mensen wier geestkracht vrijwel gebroken is (vgI. Ps. 34: 19; Jes. 57: 15; 61 : 1, herken ik mensen die gekozen hebben voor het dienen van God. Maar juist om die reden treuren ze en wanen ze zich ontroostbaar: kijkt God nog naar hen om? Israëls herders in elk geval niet. Is God zijn gena vergeten? CvgI.Ps. 77 : 3 - mijn ziel weigert zich te laten troosten; ook Mt. 2 : 18/Jer. 31 : 15). Hoe vergaat het hen die om Gods wil zachtmoedig zijn - wordt juist van die levenshouding niet door anderen het grofste misbruik gemaakt? (vgl. Ps. 9 : 19).
Wie God wilten dienen, aan Hem vasthouden, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Maar waarom verkwijnen zij van honger en dorst anders dan omdat die gerechtigheid ontbreekt? (vgI. Ps. 22; 69; 73). Barmhartigen - ze zijn er, maar hun hart breekt bij het zien van andermans ellende; ze komen woorden en handen tekort. Afgunst, nijd is hun deel: ze wekken ergernis en irritatie op (vgl. Ps. 112).
Reinen van hart - ik citeer nog weer even Zuurmond: "Men bedenke dat woorden als geest, hart, lichaam, ziel niet een dool van een mens beduiden, maar die hele mens onder een bepaald door de konteksc (N.B.! - P.) opgelegd gezichtspunt... De mens is 'hart'... als we hem bezien onder het aspect van wat hij wil, waarnaar hij streeft.
Iemand wiens wil zuiver, éénvoudig is, is rein van hart en daarmee in zijn totaliteit rein". Inderdaad - mensen die ondubbelzinnig op God vertrouwen, zoals Jacob (Gen. 25 : 27; N.vert. ten onrechte: huiselijk).
Mensen die geloven en niet twijfelen, op twee gedachten hinken, met twee tongen spreken - een levenshouding die door heel Jaoobus' brief heen speelt en de broodnodige (praktische) wijsheid stempelt (Jac. 1 : 6-8; 3 : 9-12; 1 : 5). Of ook mensen die puur, gelouterd, rein (van hart) zijn (Ps. 24: 4; 73 : 1; Job 11 : 4). Wat is het deel van een Asaf (Ps. 73), een Job? Wat krijgen zij te zien en te horen en te lijden?
Vredestichters - maar Israël klaagt (inzake de ballingschapstijd"): "te lang reeds woon ik bij wie de vrede haten; ik ben een en al vrede, maar als ik spreek, dan zijn zij uit op strijd" (Ps. 120: 6, 7. Wie "het goede zoeken" voor Jeruzalem, moeten maar niet al te veel bijval verwachten (Neh. 2: 10; vgl. Esth. 10: 3; Ps. 122: 6-10; 128: 5; 85: 13).

Het oude liedje in nieuwe zetting
Vervolgden om der gerechtigheid wil - het lijkt wel een samenvatting van al het voorafgaande. Wie de gerechtigheid zoekt, najaagt, moet maar niet op instemming rekenen. Integendeel: vervolging. De "anderen" leven juist bij de gratie van de ongerechtigheid, machtsmisbruik, onderdrukking, hooghartigheid, wreedheid. Ze zijn "rücksichtlos": ze laten zich niet verbidden, kennen geen erbarmen. Hun machteloze slachtoffers zijn: de vreemdelingen, de wees en de weduwe, de arme die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft, de verdrukte en hongerige en teneergbogene, kortom de arme van geest (vgI. Ps. 146 : 8 v.; 72 : 12 v.v.).
Missohien is het opgevallen, dat ik merendeels naar het psalmboek verwees. Niet alleen omdat dat zo bekend is. Meer nog omdat het de neerslag bevat van het leven van die Israëlieten die de gerechtigheid najaagden. Het psalmboek bevat meer klaag- dan lofliederen... Maar het eerste woord van de inleidende psalm is wel: zalig...! Zalig wie zich verre houden van het kwaad (Ps. 1 : 1, 2). De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden...uw hart leve op! (Ps. 22 : 27), zij beërven het land en verlustigen zich in grote vrede (Ps. 37 : 11). Welzalig de man, die de HERE vreest ... voor de oprechten gaat het licht in de duisternis op! (Ps. 112 : 1, 4). Waarlijk, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn (Ps. 73 : 1). Jezus kwam inderdaad om de wet en de profeten te vervullen en Galilea krijgt het te zien en te horen: voor de oprechten gaat het licht in de duisternis op (Mt. 4 : 16)!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief