De woordenschat van het Griekse Nieuwe Testament (2)
1980-03-28
De betekenis van 'authenteoo'- Jaargang 24
- nummer 13
Het woord 'authenteoo' komt in het NT maar éénmaal voor, nl. in 1 Tim. 2 : 12. Men vindt het door:' gaans vertaald met 'heersen'. We willen eens nagaan, of dat juist is.
Het werkwoord 'authenteoo' is gevormd van een zelfstandig naamwoord 'authentès'. De grondbetekenis van dit laatste woord isblijkens de thans 'vrij algemeen aanvaarde afleiding -: iemand die zelf iets volbrengt. Er zit nl. zeker ?et bestanddeel "autos' (= 'zelf') m, en daarnaast vermoedelijk een stam die 'volvoeren' of 'afdoen' betekent. Het aardige is, dat wij in het Nederlands nog een woord over hebben dat van 'authentès' is afgeleid, nl. 'authentiek'. Wij bezigen dat woord in de zin van 'oorspronkelijk' of 'echt'. Dat is, oppervlakkig beschouwd, een vreemde ontwikkeling.
Toch is ze bij nader toezien niet zo onbegrijpelijk. Een 'authenticurn' is nl. een stuk dat 'zelf gedaan' oftewel 'eigenhandig geschreven' is. Zet men nu zo'n stuk in tegenstelling tot een af-schrift dat een ander er van neemt, dan krijgt 'authenticum'se betekenis: 'het originele document'.
Zien we nu eerst eens om ons heen in het attisch Grieks uit de klassieke tijd, dan blijkt zich iets heel merkwaardigs voor te doen. We vinden daar het woord 'authentës' nl. vrijwel uitsluitend gebruikt voor 'moordenaar', en dan nog wel speciaal voor iemand die een nabestaande vermoordt, Sommigen schrijven deze betekenis toe aan een ontwikkeling uit de grondbetekenis die te danken zou zijn aan het feit dat woorden die 'doen' of 'voltooien' betekenen, vaak de praegnante zin van 'doden' krijgen.
Bedenkt U maar, hoe het in het Nederlands gegaan is met 'afmaken': je kunt (b.v.) je huiswerk afmaken (= voltooien), maar je kunt ook een dier afmaken (= doden). Dan zou 'authentès' dus zoveel betekenen ais 'die eigenhandig afmaakt'.") Anderen menen, dat het hier in feite om een ánder woord gaat, dat eigenlijk 'autothentès (= 'zelfdoder') zou moeten luiden, maar dat door het uitstoren van de lettergreep -to- er toevallig precies zo is komen uit te zien als het eigenlijke 'authentès'.
2) Deze laatste mening heeft wel veel bijval gevonden, maar is toch niet unaniem aanvaard. 3) Hoe dit zij, de betekenis 'moordenaar' beperkt zich vrijwel tot het attisch van de klassieke periode.
Naderhand komt het woord in zwang in een heel andere zin, die men in de woordenboeken vaak ongenuanceerd weergeeft met 'heerser'. Mogelijk de oudste vindplaats van deze betekenis is een plaats uit een tragedie van Euripides (Suppl. 422). 4) In de passage waarin het woord daar voorkomt, wordt heel uitdrukkelijk de 'tirannie' (wij zouden tegenwoordig zeggen: de dictatuur), waarbij één uitmaakt wat recht is, gesteld tegenover de democratie, waarbij het volk onder gemeenschappelijk opgestelde wetten leeft en ieder burger in principe gelijke rechten heeft. Tegenover de staatsvorm van de 'tirannie' heet het dan in v. 442:
"overal waar het volk 'authentès' van het 'land is, ... " (enz.). Wil men hier vertalen 'heerser', dan is daartegen geen overwegend bezwaar.
Toch voelt men juist in deze context m.i. nog duidelijk, dat het gaat over het zelfbeschiklcingsrecht van het volk. De tegenstelling van déze staatsvorm was immers: die waarin een ánder het valk de wetten stelt. Ook in het latere Grieks blijft dét element van zelfbeschikking, van het zelf zijn zaken afhandelen, van het niet afhankelijk zijn van goedkeuring door een hoger gezag, in deze woordengroep vaak - ofschoon niet altijd - nog duidelijk voelbaar.
Zo wordt 'authentès' b.v. in maatschappelijke zin gebruikt van den 'zelfstandige' (PMasp. 126, 6: "wirtschaftlich selbständig da stehend" vertaalt Preisigke in zijn bekende papyrologisch woordenboek).
Dan is het dus niet iemand die heerst, maar iemand drie niet onder een baas werkt, iemand die in zijn werk niet een ander boven zich heeft. Dih[e meent, dat zich bij déze betekenis ('maatschappelijk zelfstandige') het best 'de overige betekenissen van het woord die men in later tijd tegenkomt, laten aanknopen. 5) Dát zie ik zo niet uit de teksten bevestigd. Maar wèl heeft hij gelijk, wanneer hij stelt, dat de betekenis 'heer' een ontwikkeling is uit de grondbetekenis 'iemand die niet van een ander bevelen in ontvangst behoeft te nemen'. Ik onderstreepte hier een paar woorden, omdat daarin recht gedaan is aan het woord dat - zoals gezegd - de eerste helft van de samenstelling "authentès' uitmaakt, nl. 'autos' (= 'zel!,). Inderdaad is dát begrip, 'zelf, en niet een ander', essentiëel voor het verstaan van de betekenis-ontwikkeling: van de woordengroep in kwestie.
Wie de samenstelling èn het betekenisverloop van deze woorden nagaat, komt tot de conclusie, dat 'authentein' niet zozeer is 'de baas zijn', als wel 'eigen baas zijn'.
Dat geldt ook voor het gebruik in christelijke teksten. Zover mijn gegevens reiken, is daaraan nooit apart een studie gewijd. 6) En toch zal juist dát onderzoek zo verhelderend blijken te zijn voor het verstaan van het woord 'authenteoo' in 1 Tim. 2 : 12.
Ik begin met een passage uit een preek van Chrysostomus over Hebreeën. 7) Hij zegt daar, dat Christus een bepaalde zaak "niet aan zijn Vader vraagt, maar ze 'authentikoos' doet" 8), d.w.z. 'op eigen gezag'.
Dezelfde tegenstelling ('zelf uitmaken' tegenover 'een hoger gezag er in kennen') treft men aan in een geschrift van Eusebius van Alexandrië 9): "de diaken moet ... t.a.v. het volk niets 'authentein', maar alles op bevel van dën ouderling regelen" 10).
Nog een nuance die vermeldenswaard is; ditmaal niet in een christelijke tekst, maar in een scholion (nr. 21) op een tekst uit de Basilica (LX 10, 1). 11) Daar wordt het geval besproken dat aan een minderjarige een erfenis toevalt.
De rechtsgeleerde die hier aan het woord is, onderscheidt dan twee gevallen: "kunnen zulke minderjarigen praten, dan aanvaarden ze zelf de erfenis, echter met machtiging en toestemming van hun voogden; maar wanneer ze niet kunnen praten, dan "authentousi' de voogden en aanvaarden zonder aanwezigheid van de minderjarigen de erfenis".
De betekenis van 'authentein' in dit verband is m.i. duidelijk: terwijl in het eerste geval er een samenspel vereist is van minderjarige en voogd, treedt in het tweede geval de voogd geheel zelfstandig handelend op. De minderjarige wordt dan in de rechtshandeling niet gekend, er volledig buitengehouden; zijn aanwezigheid is niet eens vereist. Het aardige van deze plaats is, dat men bier het begrip 'autos' ('zelf') met grenzen aan het begrip 'alken': de voogd handelt de zaak alleen 'af. Die overgang naar de betekenis 'alleen' met men bij 'autos' wei vaker. 12) Een nog verdere ontwikkeling van de woordbetekenis zien we in een brief van Basilius Magnus. 13) Er wordt van hem gelasterd, dat hij over Dianius de Vloek zou hebben uitgesproken. Hij vraagt nu o.a.: heb ik dat gedaan "ánderen volgend Of het stoute stuk zèlf beginnend en 'authentoon'?" . Frappant is hier allereerst," dat blijkens de nevenschikking van 'autos katarchoon' ('zelf beginnend') en 'authentoon' men kennelijk nog tenvolle de betekenis van het eerste bestanddeel in 'authenteoo' heeft aangevoeld. Maar het tweede waarom deze tekst zo belangrijk is, is dit: men ziet hier nog duidelijk de aanknoping bij de eeroer gevonden betekenis ('doen op eigen gezag, en niet op bevel van anderen'), maar tegelijk ook de overgang naar de betekenis 'het initiatief tot iets nemen'.
En van hieruit is het maar één stap meer naar het gebruik van 'authenteoo' in verbinding met een onbepaalde wijs in de betekenis 'zich versrouten iets te doen'. 14) Ik onderstreep nog eens, dat men m.i. deze laatste betekenis niet aannemelijk zou kunnen maken, als men een grondbetekenis 'heersen' aanneemt. Vanuit de werkelijke grondbetekenis 'zelf doen' is echter deze ontwikkeling heel goed te verstaan: 'zelf. beslissen iets te doen' gaat a.h.w. ongemerkt over in de betekenis 'zich verstouten iets te doen'.
Het is dienstig nu eens even 'te kijken, hoe oudtijds Griekse taalgeleerden het woord omschreven. Het Etymologicum Magnum geeft als een der omschrijvingen 'autexousios', d.i., leterlijk vertaald, 'zelfbevoegd' ('exousia' betekent nl. 'bevoegdheid'). Dat laatste woord wordt b.v. gebezigd van een zoon die niet meer onder het vaderlijk gezag staat, 15) maar zelfstandig is en vrij kan beslissen.
En inderdaad vindt men in sommige teksten die twee woorden ('authentès' en 'autexousios') naast- en door elkaar gebruikt, b.v. in een geschrift van Procopius van Gaca 16). Er wordt daar van de engelen gezegd, dat ze niet op eigen gezag komen, maar dat ze worden gestuurd.
Bijzonder de aandacht waard is in dit verband een tekst van den patriarch Proclus van Constantinopel. 17) Daarin wordt Christus achtereenvolgens genoemd a) de 'authentès' schepper b) de 'autexousios' zoon c) de van onderworpenheid vrije God d) de niet onder bevelen staande heer.
In de eerste plaats maakt de reeks waarin 'authentès' hier voorkomt nog eens ten overvloede duidelijk, welke gedachte in dit woord overheerst. Immers de reeks praedicaten wordt geopend met twee positieve, beide samengesteld met 'autos' ('zelf'); dan volgen twee negatieve ('niet onderworpen' en 'niet onder bevelen staand') die duidelijk maken, wáártegen dat 'zelf' zich afzet: tegen het gezag van een ánder die boven je zou staan.
Maar er is nog iets waarop ik de aandacht zou willen vestigen.
Wij begonnen aan dit onderzoek, om er achter te komen, wat het woord 'authenteoo' in 1 Tim. 2,' 12 betekent. Welnu: in de tekst van Preelus wordt onder c het woord 'onderworpenheid' (Gr. 'hupotagè') gebezigd. Datzelfde woord nu treffen we ook aan in 1 Tim. 2 : 11. Dan ziet het er toch alleszins naar uit, dat we de tegenstefling 'in onderworpenheid leven' -<--+ 'authentein' in 1 Tim. 2 precies zo moeten opvatten als in de Preelus-tekst; m.a.w. dat het in die bijbeltekst gaat over een vrouw die zich van de onderworpenheid aan haar man vrijmaakt 18) en haar dingen zelf gaat beslissen zonder haar man er in te kennen 19); en niet over een vrouw die over een (willekeurigen) man heerst. Tot besluit nog één tekst uit ditzelfde 'klimaat'.
Chrysostomus zegt in een preek over 1 Tim. 520): sommige vrouwen die haar man hebben verloren "nemen de weduwstaat voor keus" (d.i. willen niet een tweede huwelijk sluiten) "...om alles met meer 'authentia' te kunnen doen". Het is dacht ik duidelijk, dat Chrysostomus aan zulke weduwen geen 'heerszucht' toeschrijft, maar enkel het verlangen naar 'onafhankelijkheid'. ('Independance' vertaalt ook Lampe, s.v.). Ze zunnen, zolang ze alleen staan, zelf uitmaken, wat ze zullen doen of laten. Trouwen ze daarentegen weer, dan moeten ze rekening houden met het gezag dat die nieuwe man over haar heeft.
Noten
1) Zo Ernst Fraenkel, Geschichte der griechischen Nomina agentis auf -tèr, -toor, -tès (-t-) J, Strassburg 1910, 238 ff.
2) Zo Paul Kretschmer in Glotta III (1912) 291. Zie ook Friedrich Zucker, Authentès Ableitungen (Sitz.Ber. Lpz., philhist. Kl. 107, 4), Berlin 1962, 14.
3) A. Dihle b.v. spreekt in Glotta XXXIX (1960) 78 van "die bisher nicht vöIIig gesicherte Etymologie des Wortes".
4) Sommigen vragen zich af, of 'authentès' daar niet een verschrijving is van 'euthuntès' (= 'richter'). Dat is een aardige gissing. Maar we gaan, nu de handschriften eenstemmig zijn, en het woord 'authentès' in de context wel past, toch maar uit van de overgeleverde tekst.
5) a.w., S. 79.
6) Dat zo'n onderzoek beter mogelijk is geworden na de verschijning van G. W.H. Lampe, APatristic Greek Lexicon, Oxford 1961, is duidelijk. (Overigens is ook dit werk nog verre van compleet!) Toch moet worden opgemerkt, dat een van de belangrijkste teksten ons - zoals straks zal blijken; zie noot 17 - in handen wordt gespeeld door een woordenboek uit 1682! Het blijft vreemd, dat bijbelvertalers en -verklaarders bij hun uitleg van 1 Tim. 2: 12 daaraan blijkbaar geen aandacht hebben geschonken.
7) Chrys. hom. 27, 4 in Hebr., 12.251A
8) Vgl. ook de werd erop in dit artikel geciteerde Preelus-tekst.
9) Eus. Al. serm. 5 (M 86.384 D).
10) Vgl. ook 'authentèsas' in Socr. h.e. 2.34.2 (M 67.296B). Lampe, s.v., vertaalt: 'act on one's own authority'.
11) De Basilica is een grote compilatie van Griekse wetsteksten, stoelend op de wetgeving van keizer Justinianus. Een scholion is een verklarende aantekening.
In Groningen werken Prof. Scheltema, Dr. Van der Wal en ondergetekende al ± 30 jaar aan een uitgave van de Basilica-tekst en -scholia. De laatste delen zijn nu in bewerking.
12) Zie wat ik daarover schreef in het artikelen 'Hoe oud was Anna?', Opbouw XII 322. .
13) Bas. ep. 51 (M 32.389A). Deze tekst kwam ik op het spoor via de Thesaurus ecclesiasticus e patribus graecis van J.C. Suicerus, Amsterdam 1682.
14) Een voorbeeld bij Lampe, s.v. 3.
15) Zolang hij nog wèl daaronder staat, heet hij 'hupexousios’.
16) Proc. G. Is. 6.6 (M 67.1941B).
17) Ook deze tekst vond ik via Suicerus (zie noot 13). Het is Procl. Cp. or. 2 (M 65.692D).
18) 'Authentia' komt in één adem voor met 'eleutheria' (= 'vrijheid'), b.v. Chrys. Thdr. 2,4 (1.140C). Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het werkwoord 'authenteoo' in 1 Tim. 2 : 12 een genetivus bij zich heeft. Dat is een genetivus separativus, die men bij het begrip 'vrij van...' regelmatig aantreft.
(Eventueel kan men in zo'n geval het separatieve karakter versterken door 'apo' toe te voegen, vgl. b.v. 'autonomos apo' in Xen. H.G. V 1, 36. Zie hierover Kühner-Gerth 1, 400 Anm. 2.) Zo richt in de hierboven uit Basilius geciteerde plaats 'authenseoo' zich in constructie naar het 'katarchoo', waarmee het .láár samengaat en synoniem is, en heeft dientengevolge ook daar een genetivus bij zich, maar ditmaal een partitivus; vgl. Kühner-Gertn 1.346.
19) Deze opvatting bepleitte ik reeds een- en andermaal in dit blad, nl. in XXI 231 en XXII 35.
20) Chrys. hom. 13,3 in 1 Tim. (11.620C).