Zo was het (37)
1980-03-28
"t Zal m'n lezers bekend kunnen zijn, dat niet alle gemeenteleden ingenomen waren met m'n preken. Een vrij normaal verschijnsel denk ik. In de keuken hier staat een rijmpje: "Wie zal maken, dat 't allen zal smaken"? Velen meenden naar ik merkte, dat ik te veel nadruk legde op de verantwoordelijkheid en zelfwerkzaamheid van de gelovigen. Naar hun smaak moest ik alle nadruk leggen op de onmacht van de mens. Wij waren Inch allen verloren in zonde en schuld? Gevallen in Adam? Melaats van top tot teen? We moesten wedergeboren worden en dat was enig en alleen een werk Gods. Zo sprak een enkele en hij of zij vertolkte wat velen dachten. Dat was er tijden lang in gehamerd en dat gebeurde nog, vooral in de oud-gereformeerde kerk. En daartoe behoorden, als ik het wel heb, duizenden leden. En die schaamden zich voor hun overtuiging niet. Bij begrafenissen bijv. En in gesprekken over wat zij "het goede" noemden. Zij hadden een vrijmoedigheid waarop ik wel eens jaloers was. Soms dacht ik: waarom ontbreekt bij "ons" vaak de vrijmoedigheid en schaamt men zich voor het Evangelie? Door "zware" prekers werd de theorie van de onmacht er werkelijk ingepompt. Een vermaarde onder hen noemde z'n hoorders nogal eens: brandhout voor de hel. Hij was een Zeeuwen zei, naar men mij vertelde "brandhout voor de kachel", Naar zijn zeggen behoorde z'n eigen vrouw daar ook onder. Als ik lieg, dan lieg ik in commissie. Maar ZiO is het mij overgeleverd.- Jaargang 24
- nummer 13
Langzamerhand had ik geleerd mij te houden aan de opdracht van de Here Jezus: Verkondigt het Evangelie en leert onderhouden alles wat Ik geboden heb. Dát was het bevel van de Heiland en daaraan hebben de apostelen zich gehouden bij hun spreken en schrijven tot de heidenen. Dat bevel geldt toch nog? Niet de dreiging gaat voorop, maar de Blijde Boodschap. En Gods geboden, die niet zwaar zijn. Wie het Evangelie gelooft en naar de Evangelische bevelen leeft, zal ingaan in Gods eeuwig Koninkrijk. Achteraan komt dan de dreiging: Wie niet geloofd zullen hebben en wie geen daders van het Woord zullen zijn zullen het Koninkrijk niet beërven.
Het Evangelie dus voorop. Een dominee is en wordt met recht genoemd een dienaar van het Evangelie. Ik mag ook wel zeggen een dienaar of bedienaar van Gods genade. Liever nog van de genadige God. Want genade is niet iets los van de HERE. Geen soort ding, dat ingeplant wordt zoals Rome leert. En zoals gereformeerde theologen ook wel georeerd hebben. Zoiets als een levenskiem in de nieuwe mens, waaruit geloof en bekering als vanzelf opbloeien. Gods genade is een eigenschap Góds, Zijn gunstige gezindheid. Zijn toegenegenheid, geneigdheid om te vergeven en te redden wat verloren is en levend te maken wat dood is.
Naar mijn indruk werd genade over het algemeen beperkt tot Gods vergévende Liefde. Genade werd wel gelijk gesteld met vergeving. Dat gebeurt nog wel.
In een boek van 125.000 Puzzelwoorden lees ik: "genadehulp, gratie, pardon, amnestie, vergeving, vergiffenis".
Nu ontken ik vanzelf niet, dat vergeving met genade te maken heeft. Hoe zou ik. Maar het is dunkt mij juister uitgedrukt, dat vergeving een daad en gave van de genadige God is. Een bezwaar tegen vereenzelviging van genade en vergeving is, dat men onwillekeurig het werk van Gods genade veel te beperkt ziet, God vergeeft niet alleen, maar Hij vernieuwt ook. Hij bewerkt niet alleen geloof, maar ook bekering of wedergeboorte. Alle goeds in het leven van een christen is te danken aan Gods genade. Dé Gave van Gods genade is Jezus Christus. In Hem hebben wij vergeving en leven en zaligheid. Het kan wel niet beter tot uitdrukking gebracht worden dan in de woorden van Paulus: "Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. Opdat het zij gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here". Of in een andere vertaling: "Hij is door God al onze wijsheid geworden; Hij rechtvaardigt, heiligt en bevrijdt ons" (1 Kor. 1 : 30) M.a.w.: De genadige God geeft ons in en door Christus redding van de schuld der zonde. Maar ook van de macht der zonde. Ja, ook van de smet der zonde. In dit leven nog niet totaal of volmaakt. Maar eens zullen we naar een woord van een formulier "tot de voorgestelde volkomenheid geraken"! .
We zouden de genade met de zon kunnen vergelijken. Zij (de zon is toch vrouwelijk?) is een bron van licht. Maar ook van warmte. Vooral ook van energie! En van genezing in zeker opzicht. Als iemand alleen zou zeggen, dat de zon een lichtbron is, dan zegt hij te weinig. Dat zou ik ook willen zeggen tegen hen, die Gods genade of de genadige God alleen of hoofdzakelijk als de Bron van vergeving zouden noemen. Nehemia zegt terecht: (in 9: 17) "Gij zijt een God van vergeving, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid". Maar vergeving of rechtvaardiging is niet het één en het al.
En dát was bewust of onbewust de mening van veel gelovigen. Althans van veel kerkmensen. Zonde was voor hen vooral schuld. En bevrijding van zonde dus wegneming van de schuld, dus vergeving. Dat ontkende en ontken ik vanzelf helemaal niet. Wie zou niet instemmen met psalm 130: "Als Gij HERE, de ongerechtigheden gadeslaat (of in gedachtenis houdt), Here, wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving". Maar we zullen daarbij niet vergeten dat er volgt: "Opdat Gij gevreesd wordt". We zouden dit ook kunnen omschrijven met: opdat wij bang zouden zijn om te zondigen. Bang om de HERE boos te maken. Ons best zouden doen om van de macht der zonde vrij te worden. Omdat God ons daarvan vrij wil maken. En vrij maakt door de Geest van Jezus Christus.
Maar, ZlO merkte men op: Wij moeten toch van genade leven en van genade alleen, door het geloof alleen? Dat wij alles moeten ontvangen van Gods genade, wie ZlOU het tegenspreken? Ik zeker niet. Maar wat is dat "alles"? Alleen vergeving? Alleen rechtvaardiging door het bloed van Christus? In zekere zin is daarmee wel alles gezegd. Als God ons rechtvaardigt dan is Hij vóór ons.
En wie zal dan tegen ons zijn? Maar als God vóór ons is dan is Hij ook mèt ons. Dan staan we in de zon der genade. En in die zon bloeit ons leven op. Dat gaat echter niet zo vanzelf als bij een plant. De mens is geen "stok of blok", moet Luther gezegd hebben. Geen ding als een steen bijv. Een ding kan niets doen of laten. En zo staat het ook met een plant. Die groeit en wordt groot en bloeit. Maar dat gaat automatisch of vanzelf. Het is onredelijk, als we een gewas zouden berispen, omdat het niet floreert. We kunnen in een dwaze bui wel zeggen: die akelige plant wil niet groeien. Maar dat is bij wijze van spreken. Een plant heeft geen wil, maar is totaal afhankelijk van een goede of sleohte behandeling. Zo staat het met de mens niet. Ook niet met de gelovige mens. In bepaalde kringen spreekt men wel graag van "steil afhankelijk" en dat kan wel goed bedoeld zijn. De Heiland heeft gezegd: "Zonder Mij kunt ge niets doen". Maar als men met deze uitdrukking eigen ongeloof en ongehoorzaamheid en onwil verdedigt, dan is het goed fout. Als God onze zonden vergeeft, met andere woorden ons rechtvaardigt, dan is dat zonder enige verdienste, uit louter genade. En dat we gelovig die genadegift van vergeving aannemen is ook gave Gods. Maar dat wil niet zeggen, dat dit automatisch toegaat. Wij hebben te geloven en als we dat niet doen komen we om wegens ongeloof. Heeft Jezus soms niet gezegd tegen Jeruzalem: Gij hebt niet gewild? Dat zegt Hij nog tegen hen, die wel het Evangelie der genade gehoord hebben, maar het niet geloofd hebben.
We hebben gehoord in de woorden van 1 Kor. 1 : 30, dat Christus ons ook gegeven is tot heiliging of heiligmaking. Die weldaad behoort ook tot de verlossing. Met rechtvaardiging is blijkbaar toch niet álles gezegd. Evenmin als met de heiligmaking. We moeten denk ik wat voorzichtig zijn met te zeggen, dat de rechtvaardiging of de heiliging of de verheerlijking de hoofdzaak is.
Dat houdt dan toch in, dat de rest bijzaak is. Met mogelijk gevolg dat velen denken, dat het op die bijzaak of bijzaken niet zo erg aankomt. Er is bijv. gezegd, dat de rechtvaardiging het- Dogma bij uitnemendheid is. Het centrum van heel de leer der zaligheid. Anderen hebben beweerd dat eigenlijk alles aankomt op de heiligmaking. Terwijl er ook kringen zijn die eigenlijk maar één vraag stenen aan ieder, met wie ze in aanraking komen: zijt gij wel wedergeboren?
Wat mij betreft ik kan het er niet mee eens zijn als men één gave van Gods genade verheft boven de andere. Er is ergens sprake van de "menigerlei genade". Letterlijk staat er: de veelkleurige genade. We moeten dunkt mij niet één kleur mooier of belangrijker vinden dan de andere. Dat doet de Here in de Schrift ook niet, voor zover ik het zie. Waarom zou de heiligmaking van mindere orde of belang zijn dan de rechtvaardigen?
Nu kan men zeggen dat bij de rechtvaardiging geen gevaar bestaat van eigen roem. Terwijl dat wel het geval zou zijn bij de heiligmaking. Dan zou iemand kunnen roemen in zichzelf en zeggen: zo ver heb ik het toch maar gebracht! Terwijl dit uitgesloten zou zijn als we geloven de vergeving der zonden.
Ik ontken natuurlijk niet het gevaar van eigen roem. Die zonde ligt altijd op de loer. Maar bestaat dat gevaar werkelijk niet als we geloven de vergeving van onze zonden? Zouden we dan niet kunnen roemen in ons geloof? Alsof dat aan ons zelf te danken zou zijn? Geloven is toch ook een daad van ons?
Daarin te roemen is wel dwaasheid, maar het kan toch wel voorkomen? Onze oude mens is er altijd op uit zichzelf op het paard te zetten. Er kan geroemd worden en er wordt geroemd in een wonderlijke bekering. Of in de grote daden, die men voor God of de kerk of de maatschappij heeft gedaan. Ik las eens, dat in sommige Duitse kringen het gewoonte was, dat bij de voorbereiding voor het H.A. de "gekenden" gingen staan en door de voorganger werden toegesproken! Daar stonden zij dan te kijk, de "eikenbomen der gerechtigheid".
De gekrookte rietjes en de bijna-bekeerden en hoe ze mogen heten bleven wel zitten. Ik heb wel eens iemand horen vertellen over z'n wonderlijke bevindingen. Met merkbaar welbehagen. Dat het de HERE behaagde zal hij wel gedacht hebben. Ik allerminst.
De hoogmoed zit in het hart van ons allen gebrand, ingeroest om zo te zeggen.
Iemand kan met zoveel plezier z'n inzicht in allerlei problemen uitstallen, dat de toehoorder wel moet denken, dat hij een beetje hoog in de boom zit met z'n verstand. Niemand zegt dat natuurlijk van zichzelf, maar daarom is het nog wel zo . Zo komt het voor dat iemand met een zeker genoegen zit te verklaren, hoe overtuigd hij is van z'n slechtigheden. Alsof God daardoor verheerlijkt wordt. Er is een boek met als titel: Zijn dat Uw kinderen? Als van de daken gepreekt wordt dat wij, kinderen Gods, bitter weinig van ons leven terecht brengen, zal de HERE onze hemelse Vader dan niet zuchten bij Zichzelf: Zijn dat Mijn kinderen? Kinderen van een aardse vader willen hun vader en moeder dat niet aandoen. Zouden wij dat onze hemelse Vader wel willen aandoen?
Als men zich beroept op de verdorvenheid en onmacht van de mens, dan geldt dat wel van onze oude mens. Als we onze gang gaan komt er slechtigheid uit voort. Maar is de nieuwe mens in Christus zo onmachtig als dat vaak wordt voorgesteld? Dat zou geen eer, maar een schande zijn voor God. En voor onze Here Jezus Christus. En voor de Heilige Geest, Ik zal het wel vaker gezegd en geschreven hebben, maar het is de moeite waard om het nog maar eens te herhalen: Elke zondag horen we aan het slot van een dienst: De Liefde Gods en de genade van de Here Jezus Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest met u allen. Gewoonlijk zegt de voorganger: zij met u allen. Ik doe het niet. Ik zeg niet dat het niet mag of niet kan. Het kán goed worden verstaan. Maar een misverstand ligt voor de hand. Dat de ontvangers denken aan een "vrome wens". Zo iets als "mocht dat nog eens gebeuren".
Met de bijgedachte, dat het wel niet zal gebeuren. Een akelig wanbegrip .. Geloven we dan niet in Gods Liefde? En in de Genade van de Here Jezus? En zou de Heilige Geest niet gewillig zijn ons te leiden? En te regeren? Zijn we dan niet machtig? Vermogen we dan niet veel? Niet alles, maar wel veel! Zo leert ons het Evangelie. Daaraan moeren we ons maar houden. En dan maar doen naar het woord van de Here Jezus: "Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken".