De Vijf Zuilen
1980-03-28
In de naam van God de Barmhartige, de Erbarmer, Lof zij God de Heer van de mensen in de wereld.- Jaargang 24
- nummer 13
De Barmhartige, de Erbarmer, Die regeert op de Dag van het Gericht. U dienen wij er u vragen wij om bijstand. Leidt ons op de rechte weg. De weg van diegenen die Gij bijstand hebt bewezen. Niet degenen die aan Uw toorn zijn vervallen en die dwalen.
Soera 1
"Een moslim weet waar hij staat. Hij weet wie hijzelf is en hij weet wie Allah is. Hij kent zijn verplichtingen en zelfs als hij die verzaakt, weet hij wat hij daaraan doen moet. De Islam heeft een helderheid, een orde, een precisie die in scherpe tegenstelling staat tot het veranderlijke, relatieve, onzekere dat het moderne leven kenmerk Moslims stellen dan ook nadrukkelijk dat dit één van de sterke punten van de Isiam is. Gods openbaring aan de mens, zeggen ze, heeft vier stadia doorgemaakt. Ten eerste openbaarde Allah via Abraham de waarheid van het monotheïsme, de eenheid van God. Vervolgens openbaarde Hij via Mozes de 'Hen Geboden. In de derde plaats openbaarde Hij door Jezus de Gouden Regel, dat we onze naaste moeten liefhebben als onszelf. Al deze mannen waren authentieke profeten...
één vraag bleef echter over, die om een antwoord vroeg: hóe moeten we onze naaste liefhebben? ... Een laatste profeet was nodig met een definitief antwoord op die vraag en dat was Mohammed." (Huston Smith. The Religions of Man. New York. 1958).
Het rechte pad, waarover Soera 1 spreekt, moet dus worden aangewezen en afgebakend. De Soera, die velen in hun gebed reciteren, spreekt uit dat Allah de weg kent en dat Hij de gelovigen erop leiden zal.
De rechte weg omvat vijf elementen, die specifiek Islamitisch zijn. Het zijn: de juiste geloofsbelijdenis, het gebed, het geven van aalmoezen voor de armen, het houden van de vasten tijdens de maand Ramadan en, tenslotte, het volbrengen van een pelgrimsreis naar Mekka. Wie deze geboden nakomt heet met recht een moslim; hij heeft zich aan Allah overgegeven. We bekijken "de Vijf Zuilen" van de Islam in wat groter detail:
1. De Shahada.
Dat is het uitspreken van de geloofsbelijdenis.
"La ilah illah Allah wa Moehammed rasoei Allah"
In vertaling betekent dat: "Er is geen God dan Allah en Mohammed is Zijn profeet".
Met die korte belijdenis wordt een aantal dingen uitgesproken: het geloof in Allah, de Enige, het geloof in Mohammeds zending, het geloof in de betrouwbaarheid van de Koran en het geloof aan de (in die Koran beschreven) Dag des Oordeels. Tenminste eenmaal in zijn leven moet de Islamiet deze belijdenis, langzaam, bedachtzaam en met zijn hele hart uitspreken. In de praktijk doen veel moslims dat zeker eenmaal per dag. "Een pasgeboren kind", vertelt Professor Wessels, "worden deze woorden in het oor gefluisterd en het zijn de woorden die een mens begeleiden wanneer hij ten grave wordt gedragen. De twee opgerichte stenen die men vaak op moslimse graven riet
vertegenwoordigen de twee delen waaruit de shahada, deze geloofsbelijdenis, bestaat. Deze moet de stervende kennen, want het is zijn paspoort voor de eeuwigheid. Hij bidt om kracht en geloof op het moment van het sterven: "Vedioht mijn hart met het licht: van het geloof aan het eind van myn leven, wanneer ik in doodstryd ben, opdat ik mag zeggen: 'ik betuig dat er geen God is dan God en dat Mohammed de gezant van God is'." (NCRV Etherleergang, september 1978)
2. De Salat
Bijna dezelfde woorden zijn iedere dag vlak na zonsopgang te horen. "Ik betuig dat er geen God is dan Allah. Ik betuig dat Mohammed de gezant van God is. Komt tot het gebed. Komt tot het heil." De muezzin wekt de moslimgemeenschap, eraan toevoegend: "bidden is beter dan slapen".
Volgens de opdracht van de Koran (Soera 29: 45) moet men in zijn gebed "constant" zijn. Vijf maal daags wordt men geacht te bidden: vlak na zonsopgang, midden op de dag, halverwege de namiddag, na zonsondergang en voordat men zich terugtrekt voor de nacht. Op gezette tijden schalt de oproep tot gebed over een moslimdorp oftad. Ieder brengt daarop zijn gebedsmatje of zelfs een krant mee naar buiten en verwijdert zijn schoeisel. Allen beginnen, in dezelfde richting (Mekka) staande, aan het rituele gebed. De getuigenis Allahu Akhbar (Allah is Groot (of: de Grootste» en de al bovenvermelde Soera 1 worden uitgesproken.
Eerst staat men rechtop, de handen achter de oren, de handpalmen naar voren. Vervolgens buigt men zich, legt de handen op de knieën, gaat weer staan, de handen naar voren gestrekt. Daarna knielt men neer, buigt het hoofd in het stof, rust op de hielen en spreekt zo de belijdenis uit. Het hooft tenslotte naar links en rechts draaiend zegt men: "de vrede en genade van Allah zij met u."
Deze handeling kan in principe overal verricht worden. De heer Capelle vermeldt in zijn boek (Moslems als Buren) dat kerkhoven en slachthuizen uitzonderingen zijn; daar mag men niet bidden. De reinheid die hierin met de gebedshandeling wordt geassocieerd blijkt ook uit de rituele wassingen die moslims verrichten moeten, waarbij water of, zo nodig, zand gebruikt worden.
Capelle spreekt in dit verband ook over de plaats van de moskee en de functie van de vrijdag. In Soera 62 : 9 lezen we: ,,O gij die gelooft, wanneer er wordt opgeroepen tot de salat op de Dag der Bijeenkomst, spoedt u dan tot de gedenking van Allah en laat af van alle koophandel." De gemeenschappelijke salat, in de speciale gebedsruimte, heeft, volgens dezelfde informant, "vijfentwintig keer méér waarde dan buiten het huis van gebed."
3. De zakat
De moslimgemeenschap moet geregeld geld apart leggen voor de armen. De aalmoezen voor de armen bedragen, als men natuurlijk niet zelf behoeftig is, 21/2% van het bezit per jaar. Als wij op grond vna de Thora en b.V. de profetie van Maleachi, waar over tienden gesproken wordt, deze 21/2% weinig vinden, zij wel bedacht dat het gaat over zoveel procent van het bezit en niet van het jaarlijkse inkomen. Per jaar gaat dus een veertigste van het gehele bezit naar de armen... Het geld moet gaan naar heri die het het meest nodig hebben: slaven die zich vrij willen kopen, schuldenaars die niet kunnen betalen, vreemdelingen en armen. De Koran spreekt uit: "De vroomheid bestaat niet daarin dat gij (bij het gebed) het gezicht naar het Oosten of het Westen wendt. Ze bestaat veeleer daarin dat men in God, de Jongste Dag, de engelen, de schrift en de profeten gelooft en zijn geld, hoe dierbaar het ook zij, aan verwanten, wezen, armen, reizigers en de bedelaar geeft." (Soera 2 : 177). Men geeft soms, begrijp ik, overigens daarom geen vast. bedrag, maar "wat gij missen kunt".
(wordt vervolgd)
Literatuur
Uiteraard wordt in elk boek over de Islam over deze "Vijf Zuilen" gesproken. Speciaal nuttig vond ik het al genoemde deeltje van de NCRV Etherleergangen over de Islam.
Het boek van M.e. Capelle, Moslems als Buren, gaf op dit (en andere punten) aardige informatie. Het boek is uitgekomen bij Oostcrbaan & Le Cointre te Goes, 243 pag., t 16,50. Het is geen bijzonder pretentieus of "flitsend" boek, maar geeft op prettige manier toch heel wat door. Voor wie met de Islam nog helemaal onbekend is is dit mogelijk het meest geschikte boek om mee te beginnen. (Sommige al eerder genoemde boeken hebben een "hoger vertrekpunt", nemen meer kennis als aanwezig aan.) Hoewel de schrijver zelf uit de behoudende prot.-chr. "hoek" komt, probeert hij de Moslim recht te doen. Omdat hij op een elementair niveau start, zonder daarbij simplistisch te zijn overigens, is dit boek geschikt voor schoolbibliotheken, waar scholieren voor b.v. een scriptie er veel aan zullen hebben.