Discussie de Jong - Goudzwaard (3)
1980-04-04
Vragen- Jaargang 24
- nummer 14
1. Terecht merk je op, dat in onze tijd de jongeren graag naar de ogen wordt gezien. Het oordeel van ouderen wordt vaak geminacht - iets wat Oswald Sprengier eens een typisch kenmerk van een ondergaande cultuur noemde (in zijn boek over de ondergang van het Avondland). In onze tijd wordt het beginsel van de wetteloosheid meer openbaar; het zijn wellicht de "laatste dagen" waarvan Paulus spreekt in 11 Tim. 3 ("Weet wei dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekend, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, onmatig, onhandelbaar).
Kan je echter de censuur, de scheiding, zo scherp leggen bij de nu opgroeiende jongere generatie als je in je preek doet? In het laatste boek van helt Oude Testament, waar óók over de laatste dagen wordt gesproken, en van de terugkeer van Bia voordat de grote en geduchte dag van de Heer komt, wordt door de profeet een niet toevallige volgorde gekozen: ,Hij - dat is: Elia - zal het hart van de vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart van de kinderen tot hun. vaders, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban". Dat het hart van de vaders teruggevoerd wordt naar het hart van de kinderen, gaat voorop. Wanneer vele jongeren van onze tijd diep geraakt zijn door de nood en het onrecht in onze samenleving, dichtbij en veraf, en over het gemak waarmee soms ouderen over kernbewapening spreken, en persoonlijk soms een sobere levensstijl bewust verkiezen boven ons materialisme en onze prestatiedwang - moet dan het hart van de ouderen niet allereerst worden bekeerd, en zich openstellen voor juist veel wat bij hedendaagse jongeren leeft? Graaien de ouderen niet vaak meer dan de jongeren? Volksbekering - dat is het woord wat Je gebruikt, en het treft mij diep - want die is inderdaad meer nodig dan ooit. Maar zou een volksbekering juist niet in die door Maleachi aangegeven volgorde in onze tijd kunnen plaatsvinden?
2. Het omgaan met atoomwapens verbind je, dacht ik, terecht met het motief van de verantwoordelijkheid. En ik ben het geheel met je eens, dat we te maken krijgen met dingen die een steeds grotere verantwoordelijkheid van ons eisen. En het verantwoordelijkheidsbesef groeit daar zeker niet parallel mee, het neemt eerder af dan toe.
In "verantwoordelijkheid" zit het woord "antwoord". Dat sluit wel in de eerste plaats het antwoord geven aan God in, het willen luisteren naar de normen die Hij in Zijn Woord en Zijn Schepping aan mensen en volken, ook in hun onderling samenleven stek Maar hier juist zit ook voor mij bij het omgaan met de huidige wapentechnologie de pijn.
Ben je het met met mij eens, dat die ontwikkeling van de, wapentechnologie is verzelfstandigd, op zichzelf is komen te staan, buiten de vraag naar een mogelijk gerechtvaardigde inzet van die wapens om? Is het nog ooit met de normen van de Heer te rijmen, dat het vermogen om de wereld meervoudig te vernietigen - immers, wat is daarvan de zin? - in onze tijd verder wordt verhoogd van het veertigvoudige tot het vijftigvoudige? Dat is toch een misbruik van datgene, wat in deze wereld ons door God is toevertrouwd?
3. daaraan koppelt zich onmiddellijk de vraag, of het in zo’n volstrekt scheefgegroeide situatie niet juist een uiting van diepe verantwoordelijkheid kan zijn, een verdere ontwikkeling van deze wapentechnologie te pogen stop te zetten, en de wanproducten van deze hoogmoed van menselijke kennis te weigeren in ons arsenaal van onze gerechtvaardigde verdedigingsmiddelen. Je zegt zelf terecht: “De dingen dreigen ons boven het hoofd te groeien. Maar zij doen dat slechts in zoverre wij dat toelaten”. Maar mijn vraag is dan: wat laten wij juist in deze dagen toe, wanneer we instemming zouden betuigen met nog verdergaande stappen op het bewapeningspad? Juist door een meer verantwoorde keuze van onze verdedigingsmiddelen toe te gaan, zouden we er blijk van geven dat de mens inderdaad niet onder, maar boven de dingen is gesteld. En zou de lijn ook niet moeten worden doorgetrokken dat in sommige tijden dienst weigeren een meer verantwoorde beslissing kán zijn dan dienst nemen? Is daarin je oordeel misschien niet te vlot, te lichtvaardig - juist omdat het zo algemeen is gesteld?
Bob Goudzwaard
Antwoord
Beste Bob
Ook ik wil graag beginnen er mijn vreugde over uit te spreken dat er vandaag de dag over een moeilijk en verstrekkend onderwerp als de atoombewapening op goede, rustige en zakelijke toon gediscussieerd kan worden. Wel zal die goede toon zijn duidelijkheid moeten behouden, want vriendelijkheid kan natuurlijk niet het enige kenmerk van onze discussie zijn.
Die duidelijkheid mis ik namelijk wat in de eerste vraag die je stelt. In het begin ervan lijk je het eens te zijn met de maatschappijanalyse die ik in de preek gaf, dat we namelijk in de tegenwoordige overgang van de generaties met een zeer duidelijke verslechtering te maken hebben. Ook jij zegt immers: In onze tijd wordt het beginsel der wetteloosheid meer openbaar, en je citeert uit 2 Tim. 3. Maar in het laatst van de vraag staan we voor iets dat ik moeilijk met dit begin kan verenigen. Je zegt dan dat de door ons beiden noodzakelijk geachte volksbekering weleens hieruit zou kunnen moeten bestaan, dat naar het woord van Maleachi 4 :6 het hart der vaderen tot de kinderen teruggevoerd wordt, dat wil zeggen dat de ouderen zich allereerst moeten bekeren en zich open moeten stellen voor wat veel bij de hedendaagse jongeren leeft. Ook na overweging van je kritiek blijf ik bij mijn kijk op onze tijd. Immers, de vele jongeren van, zeg maar: de nieuwe levensstijl, over wie je schrijft, vormen in werkelijkheid slechts een klein percentage van de jeugd. Het overgrote deel is inderdaad frivool. Bovendien heb ik tegen dat kleine deel ook grote bezwaren. Juist onder hen namelijk tref je degenen aan die niet willen trouwen en die nee zeggen tegen de militaire dienstplicht. Daardoor krijgen ze voor mij iets maatschappelijk en politiek onbruikbaars. Ze houden zich te afzijdig van de samenleving en haar noden en staan daar te kritisch tegenover.
Onder hen is weinig te vinden van de laconiciteit die doorklinkt in het woord van de Heiland, dat we ons vrienden moeten maken uit de onrechtvaardige Mammon, Luc. 16: 9. Jezus bedoelt daarmee te zeggen dat de onrechtvaardigheid van Mammon, dat wil zeggen: de verzondigdheid en verziektheid van het economisch systeem, voor niemand een reden mag zijn om er persoonlijk van af te zien, met dit systeem te werken, er het goede mee te doen en er de gerechtigheid mee te betrachten. Er behoeft daarvoor niet gewacht te worden op de sanering van Mammon. En precies dat zie ik de kritische jongelui doen: afwachten, kritisch (hoewel niet consequent kritisch) afzijdig staan, eerst moet Mammon gezond worden en pas dan hebben wij armslag voor het goede.
En nu wil ook ik een overgang maken van het -economische naar het militaire. Zoals er een onrechtvaardige 'Mammon' is, zo is er ook een onrechtvaardige 'Mars' (naam van de Romeinse oorlogsgod). Je zult zeggen: nu maak jij dezelfde overgang als welke je bij je vraagstelling mij bestreed. Ik weet het en toch doe ik dat. Want het bezwaar dat ik op dit punt tegen jou inbracht, is voor mijn overstapje juist 'n argument - pro. Aldus: als we reeds t.a.v. Mammon, op welk gebied onze opstelling veel vrijer is, ons niet onttrekken kunnen, hoe veel te minder dan als 't gaat over 'Mars', die ons vanwege de vijand veel minder vrij laat? Maar, onrechtvaardige 'Mars', wat bedoel ik daar mee? Wel, het hele militair-industriële apparaat, dat veelszins gekleurd is door het cynisme van veel wapenuitvinding en wapenhandel en wapengebruik. Ik zeg niet dat we ons daar zomaar onkritisch in moeten begeven. We moeren aan de verbetering ervan naar vermogen bezig zijn. En dat niet alleen technisch, Afleen, er moet intussen mee gewerkt worden in dtenst van de gerechtigheid. Nooit is de onrechtvaardigheid van 'Mammon' of 'Mars' een belemmering voor een gerechtvaardigd gebruik ervan.
Maar de jongeren over wie wij 't nu hebben, zijn door hun te kritische instelling niet 'in' voor deze laconieke en nuchtere opstelling van het evangelie. Dat kun je, wat ons probleem betreft, hieraan merken dat ze alles weghonen walt gedaan wordt om te komen tot een aanvaardbaar risico dat aan 't gebruik van atoomwapens verbonden is.
Van atoomschuilkelders (destijds) af tot maritieme bases (nu) toe. En zij krijgen een veel te gemakkelijk gelijk met hun vaak weinig doordachte en emotionele kritiek. Zeker vanuit de kerken. Ik voor mij ben van hun argumenten niet zo onder de indruk, dat ik mij als 'vader' tot deze 'kinderen' zou keren. En als ze dan ook nog (om nog maar iets te noemen) waarschuwen
tegen de prestatiedwang, zoals jij schrijft, dan begrijp ik hen niet eens. Werd er maar wat meer gepresteerd, denk ik dan. Hoe staat het bijvoorbeeld met de vakkennis?
En dat is echt niet enkel een vraag aan de jongere jeugd alleen, Ik ben het met je eens, de kritische jongelui die je noemt, behoren ook volgens mij niet bij de frivole grote hoop, maar ze vormen er evenmin een goed alternatief voor. En wat dan met die tekst uit Maleachi?
Het gebruik dat jij er van maakt, lijkt steun te krijgen vanuit het Nieuwe Testament, waar hij wordt aangehaald. In Luc. 1: 17 wordt van Johannes de Doper gezegd: "En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen." Daar staan de kinderen parallel met de rechtvaardigen en de vaderen met de ongehoorzamen. Geheel in jouw lijn?
Ik heb in de preek beweerd, dat de bijbel soms van de volgende generatie zegt dat ze beter is dan de vorige. Eerlijk gezegd dacht ik daarbij aan teksten als deze. Welk Schriftgebruik past nu, het jouwe van Maleachi/Lucas of het mijne van Jesaja? Dat blijft iets subjectiefs houden. Zoals ik schreef: je hebt de gave van de profetie of je hebt die niet. Dat is mijn (en jouw) kwetsbaarheid.
Wel wil ik daar nu nog dit aan toevoegen, dat wanneer er in de opeenvolging der generaties een sterk verval zit (zoals ik vandaag meen te zien) ik er niet aan wanhoop dat in zo'n tijd de weinige rechtvaardigen of enkelen van hen zó overtuigend naar voren zullen komen, dat ouderen, 'vaders', met schaamte over hun eigen lauwheid naar hen zullen zien en zich tot hen zulten keren. Dat betekent dus dat beide profetische woorden (van Jes. 56/7 en van Mal. 4) allebei tegelijk waar kunnen worden. Maar voor een maatschappijanalyse leent zich dan toch meer het gedeelte van Jesaja. Die andere werkelijkheid waar Maleachi op doelt, voltrekt zich veel meer in het verborgene en moet geestelijk geschouwd worden. In ieder geval kan ik voor een samenlevingsbeschrijving met Mal. 4 vandaag niets aanvangen. Daarvoor is het globale beeld dat ik van onze samenleving heb, veel te somber. Ik ben werkelijk zeer ongerust. Dit komt niet meer goed, vrees ik. Of het nu ook de 'laatste dagen' zijn, zoals je als mogelijkheid oppert, weet ik niet. De geschiedenis kent meer eindtijden. De bijbel trouwens ook. Maar dat onze tijd er een is, staat voor mij vast. Overigens wil ik met mijn kijk niet doorgaan voor een 'laudator tempori acti', een verheerlijker van het verleden. Als ik Jesaja nazeg dat de rechtvaardige verdwijnt, weet ik heel goed (met de bijbel mee) dat zij ten allen tijde meer uitzondering dan regel geweest zijn.
Alleen worden ze nu té schaars. Wordt er nog wei aan gewerkt dat ze er komen, vroeg ik. En daarbij dacht ik echt niet enkel aan de jeugd beneden mij, maar ook aan mijn eigen generatie die nu bezig is op te voeden, predikanten, leraren enz.
(wordt vervolgd)