35 jaar Vrijmaking

1980-04-11
  • Jaargang 24
  • nummer 15
Het vuur blijft branden
Vorig jaar was het 35 jaar geleden, dat de vrijmaking plaats vond. In de pers heeft dit feit nogal wat aandacht gekregen, mede door de verschijning van een boek over de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken (vrijgem.), Schrijvers van dit boek: "Het vuur blijft branden" zijn P. Jongeling, J. P. de Vries en prof .dr. J. Douma.
Kennis van de geschiedenis onzer kerken is een nuttige zaak. Vermoedelijk zijn er veel jongeren, maar ook wel ouderen, die niet nauwkeurig meer weten wat er 35 jaar geleden plaats vond in kerkelijk Nederland op het moment, dat de wereldoorlog haar hoogtepunt bereikt had.
Nu is het niet eenvoudig objectief te schrijven over gebeurtenissen, waarbij men zelf betrokken is geweest. Het is moeilijk dan voldoende afstand te nemen.
De schrijvers van dit boek zijn daar in elk geval niet in geslaagd. Wat het conflict van 1969 betreft is zelfs sprake van een vertekening. Ik kom daar nog op terug, mij realiserend, dat ikzelf evenzeer gevaar loop niet objectief genoeg te zijn.

1905-1942
Om de vrijmaking zelf én de geschiedenis van de vrijgemaakte kerken juist te beoordelen, is het nodig eerst een paar stappen terug te doen in de geschiedenis van de gereformeerde kerken.
Al in de vorige eeuw liepen de opvattingen over de verhouding van de doop en het genadeverbond uiteen. Er was een opvatting, waarvan dr. A. Kuyper de grote promotor was, dat alle kinderen van gelovigen voor wedergeboren gehouden moesten worden. Dat betekende niet, dat al die kinderen wedergeboren zouden zijn. Immers, God geeft Zijn verbondsbelofte niet aan alle kinderen der gelovigen. De kinderen worden daarom gedoopt op grond van verondersteld geloof. Daar tegenover stond de opvatting, die vooral in de kringen der Afgescheidenen aanhang had, dat alle kinderen van gelovigen verbondskinderen zijn en dat aan hen dus de belofte van het verbond toekomt. Al deze kinderen moeten dan ook met grote ernst opgeroepen worden die heilsbelofte met een waar geloof aan te nemen.
In het begin van deze eeuw brachten deze meningsverschillen grote spanningen in de gereformeerde kerken. In 1905 deed de synode daarom een uitspraak om de gemoederen wat te kalmeren. Dit was niet een confessioneel bindende uitspraak, maar een pacificatieformule.
Het was een innerlijk nogal tegenstrijdige uitspraak en er is dan ook veel over gesproken welke opvatting nu eigenlijk veroordeeld werd. Het gevolg van deze uitspraak in 1905 was echter wel, dat de rust in de kerken terugkeerde. In de dertiger jaren leefde de discussie weer op.
Zonder dat deze zaak op de juiste wijze ter synode gekomen was, werd in 1942 weer een uitspraak gedaan over de relatie van doop en genadeverbond.
Helaas was dit wel een LEERUITSPRAAK. Een uitspraak, die de Kuyperiaanse opvatting BINDEND oplegde.

Binding
In "Het vuur blijft branden" wordt teveel over prof. dr. K. Schilder geschreven, alsof het om hem ging en te weinig wordt er de nadruk op gelegd, dat de synode een bepaalde verbondsopvatting bindend oplegde. We spraken in die tijd van een bovenschriftuurlijke binding, een binding dus die boven de Schrift uitging. Een (toevallig?) mankement in dit boek is ook, dat de "verklaring van gevoelens", die bij de vrijmaking een belangrijke rol speelde, zelfs niet genoemd wordt.
In deze verklaring wordt duidelijk
aangegeven, WAAROM men zo bezwaard was over de synodale beslissingen.
"Wij kunnen niet inzien, dat Schrift en belijdenis van de gelovigen eisen dat dus God alle gelovigen in hun consciëntie verplicht, hun kinderen krachtens de belofte Gods te houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen in hun wandel of leer het tegendeel blijkt". .
In dit verband is het ook goed kennis te nemen van het besluit tot vrijmaking van de kerk van Enschede op 13 september 1944.
In dit besluit staat te lezen dat men ten zeerste bezwaard is door de besluiten der generale synode inzake de binding aan de pacificatieformule van 1905, die handelt over het voor wedergeboren houden van onze kinderen.
Deze bovenschriftuurlijke binding wordt verworpen, daarom maakt men zich los van het verband der gereformeerde kerken, maar verklaart tevens gemeenschap te zoeken met alle kerken, die zich aan niets willen onderwerpen dan aan de Here en Zijn Woord en de aloude Gereformeerde formulieren van enigheid, die daarop gegrond zijn.

Vrijmaking naar art. 31 D.K.O.
Deze uitspraak van de kerk van Enschede is van betekenis bij de geschillen, die later in de vrijgemaakte kerken kwamen.
Eén van de punten van geschil was, dat we ons van de synodaal geworden kerken zouden hebben afgescheiden in de zin van art. 28 N.G.B., dus van hen, die niet van de heilige algemene christelijke kerk zijn. Uit de verklaring van de kerk van Enschede blijkt, dat althans in deze kerk in 1944 anders gesproken is. Hier was het een vrijmaking naar artikel 31 D.K.O., een verwerping van leerbesluiten en van de daarop gevolgde tuchtmaatregelen. Helaas, ook de vrijgemaakte kerk te Enschede was dat later helemaal vergeten. Wanneer de vrijgemaakte kerken trouw waren gebleven aan de uitgangspunten van de vrijmaking, zou er in de vrijgemaakte kerken later ook geen breuk gekomen zijn.

Vrijheid der profetie
Merkwaardig is, dat J. P. de Vries in zijn artikelen blijk geeft niet goed begrepen te hebben, waarom het ging bij de vrijmaking. Hij schrijft, dat de chr. geref. kerken aan de vrijgemaakte kerken vroegen, of ze nu wel radicaal hadden afgerekend met de leer der veronderstelde wedergeboorte, omdat deze onschriftuurlijk was. De vrijgemaakte kerken hebben echter van hun kant geweigerd de Kuyperiaanse visie te veroordelen. De Vries vindt dat nog al theoretisch, omdat het moeilijk denkbaar is, dat in de vrijgemaakte kerken nog iemand de synodale verbondsopvatting zou leren.
Dat is echter helemaal niet theoretisch. Bij de vrijmaking zijn er meerderen meegegaan, omdat ze de BINDING afkeurden, hoewel ze persoonlijk de visie van Kuyper onderschreven. De Vries heeft blijkbaar ook niet begrepen, dat een negatieve uitspraak over de Kuyperiaanse opvatting de klassiek gereformeerde "vrijheid der profetie" geweld zou hebben aangedaan.
Een synode mag uitspraken doen over bepaalde ketterijen, maar niet over theologische geschillen.
Met name professor Schilder was erg dankbaar, dat de synode van Groningen geen leeruitspraken gedaan heeft. In die tijd was er in de vrijgemaakte kerken nog geen bindingsmanie.
De uitspraken van 1942 waren op zichzelf ook niet zo belangrijk. Als ze niet bindend waren opgelegd, zouden ze vanzelf een kalme dood gestorven zijn.
Ze zijn nu ook wel vergeten (wie van de jongeren kent ze nog?) maar nadat ze een kerkscheuring hadden veroorzaakt.

Leervrijheid en binding
Het is wel triest, dat een betrekkelijk geringe aanleiding juist in oorlogstijd tot een kerkelijk conflict van deze omvang moest leiden. In 1944 waren de contacten ook veel te schaars om deze zaken behoorlijk door te spreken. Terecht heeft Jongeling opgemerkt, dat een geduldig praten wellicht scheuring had kunnen voorkomen. Broeders en zusters, die bij elkaar behoorden, werden kerkelijk gescheiden. Niet minder triest is, dat in deze 35 jaar de synodale gereformeerde kerken en de vrijgemaakte kerken ver uit elkaar gegroeid zijn.
De synodale gereformeerde kerken die in 1942 te eng bonden, zijn in de loop der jaren vrijwel tot leervrijheid overgegaan.
De vrijgemaakte kerken, die opkwamen tegen een te enge binding, gingen later zelf aan theologische opvattingen binden, met als gevolg een breuk in de vrijgemaakte kerken.

Hoe het verder ging
In "Het vuur blijft branden" vertelt J. P. de Vries hoe het verder ging na de vrijmaking. Dit is wel een van de zwakste gedeelten in dit boek. Wat niet zo erg te pas komt wordt eenvoudig weggelaten.
Schaamt De Vries zich toch over wat er nadien gebeurd is?
Over de benoeming van Kamphuis tot hoogleraar lezen we alleen, dat er onmiskenbaar een partijstrijd aan de gang was. Wat er verder aan de hand was horen we niet. Wanneer men een geschiedenis beschrijft moet men toch meer vertellen. Het is niet nodig dat dit plaats vindt op de wijze van dr. L. de Jong, die zelfs geheime escapades van Prins Hendrik meedeelt.
Het is wel noodzakelijk mee te delen, hoe door middel van de benoeming van Kamphuis bewust door een bepaalde partij in de kerk een greep naar de macht gedaan werd.
Over de moeilijkheden rondom de Reformatie vermeldt hij slechts, dat Van Spronsen ervoor zorgde, dat er een nieuwe redactie kwam onder leiding van Kamphuis. Dit in verband met een meningsverschil over de koers van het blad. Over de schandelijke wijze, waarop Veenhof en Jager werden behandeld worden we niet ingelicht. De Vries deelt alleen mee, dat ze zich korte tijd later achter Opbouw stelden.
Uit de Open Brief van 31 oktober 1966 citeert hij slechts enkele zinnen, waardoor de lezers een totaal verwrongen beeld krijgen. Het kernbezwaar in de Open Brief, nl. het vrijmakingsgeloof, dat de bedding van Christus' kerkvergaderend werk via de vrijgemaakte kerk zou lopen, wordt niet genoemd.
Ook over de gevaarlijke ideologie, waar de Open Brief op wijst, dat de vrijmaking het enige religieuze utigangspunt voor alle christelijk handelen wordt, horen we niets.
De breuk in de vrijgemaakte kerken was, volgens De Vries, nodig, omdat het ging om de kenmerken der ware kerk, zoals omschreven in artikel 29 N.G.B. Er zou nl. een streven zijn om het niet zo nauw te nemen met de belijdenis. Natuurlijk worden in dit verband ook ds. Telder en ds. Oosterhof genoemd. Je zou dan graag willen weten waarom ds. Telder nooit is geschorst, toen de breuk er nog niet was. Ook daar hoor je niets over. Ook het feit, dat onze kerken de opvattingen van ds. Oosterhof uitdrukkelijk afgewezen hebben, wordt
niet vermeldenswaardig geacht. Over het kerkrechtelijk geknoei tegenover de "buitenverbanders"
en het wegroepen achter de kerkenraden vandaan, worden we door De Vries evenmin ingelicht.
En zo zou ik door kunnen gaan. De breuk in de vrijgemaakte kerken moest plaats vinden, meent De Vries. De kritiek op de confessie en de Schrift en het toenemend relativisme zou dat nodig gemaakt hebben. Maar ik zeg met ds. J. H. Vellema: de breuk in 1969 had nooit mogen plaats vinden.
"Het is een donkere schaduw over 35 jaar "Vrijmaking", dat dit is gebeurd. Het had voorkomen moeten en kunnen worden. In het besproken boek bespeur ik te weinig droefheid en schaamte over dit gebeuren".

Geschiedbeschrijving?
Het Reformatorisch Dagblad schrijft over deze wijze van "geschiedbeschrijving" het volgende: "Dan komt in het hoofdstukje "In de Storm" de hele kwestie aan bod, die zou leiden tot het buiten verband geraken en het ontstaan van wat nu Nederlands Geref. Kerken heet: de Open Brief van ds. Schoep aan ds. v. d. Ziel, de breuk in Kampen (Jager en Veenhof), de wegroeping achter ontrouwe kerkenraden vandaan, de leergeschillen enz., uiteraard alles gezien door de gekleurde bril van de "binnenverbandse" schrijver.
Heel wat zaken verzwijgt hij niet, maar ze worden wel zo belicht, dat begrijpelijk alle nadruk valt op het eigen gelijk en het ongelijk van b.v. mannen als Schoep, Van de Ziel, C. Veenhof en helemaal "ketters" als Telder en L. E. Oosterhof. Dat het ook een partijpolitieke strijd was, waarin iemand als prof. J. Kamphuis een nogal doorslaggevende rol heeft gespeeld, komt in het boek niet zo goed uit de verf".
De conclusie van het Reformatorisch Dagblad is daarom, dat 35 jaar Vrijmaking een verhaal is van scheuringen, onbegrip, ketterjacht, zelfvoldaanheid en weinig openstaan voor kritiek van anderen, zelfs toen die nog zonen van hetzelfde huis waren.
Hun werd de deur gewezen en wat dit boek voor Gods louterend werk houdt kon wel eens puur menselijk gehakketak zijn, waarbij elke ketter (bijbelse, dat wel ja!) z'n letter heeft.
Dit laatste oordeel moge wat eenzijdig zijn, we moeten helaas wel erkennen, dat we er als vrijgemaakten een puinhoop van gemaakt hebben. Prof. Douma als public relation man De artikelen van prof. Douma gaan dieper. Hij schijnt ook goed te beseffen, dat buitenstaanders geen aantrekkelijk beeld van de vrijgemaakte kerken krijgen. Hij tracht als een soort public relation man dat beeld van de vrijgemaakte kerken voor anderen meer aanvaardbaar te maken.
Ds. Velema wees er in de Wekker op, dat in de vrijgemaakte kerken nog steeds tegenstellingen zijn tussen voorstanders van de "harde" lijn en voorstanders van een veel soepeler opstelling. Prof. Douma, zo merkt Velema op, is de talentvolle woordvoerder van de laatste groepering en tracht het image van de vrijgemaakte kerken bij te werken en wil laten zien, dat deze kerken niet zo rigoureus zijn als ze bij velen overkomen. Zo ontkent prof. Douma, dat de vrijgemaakte kerken van oordeel zouden zijn, dat zij alleen ware kerk zijn.
Dit is echter door velen wel zo gesteld. Het is zelfs een bron van veel moeilijkheden geworden.
Ook in kerkelijke uitspraken kwam de leer van de ene ware kerk meerdere malen om de hoek kijken.
Zo verklaarde de synode van Amersfoort, dat het confessioneel standpunt over de kerk impliceert een staan van de vrijgemaakte kerken tegenover de synodale gereformeerde kerken en uiteraard ook en met nog meer klem tegenover andere kerken, als ware kerken tegenover dat wat niet ware kerk mag heten. Wat de samenwerking betreft stelt Douma zich ruimer op dan gebruikelijk is in vrijgemaakte kringen. Hij moet echter wel toegeven, dat men wel eens te bang is geweest voor samenwerking.
Isolement mag niet ontaarden in isolationisme, zo merkt hij op. Over de eindeloze moeilijkheden, die juist het vraagstuk van de samenwerking heeft opgeleverd, horen we niets. De vrijgemaakte kerken hebben de lijn van Kuyper doorgetrokken, zo schrijft Douma.
In zeker opzicht is dat juist. Vooral in organisatorisch opzicht.
Op allerlei gebieden werden aparte organisaties opgericht. De parade der mannenbroeders uit de tijd van Kuyper is door de vrijgemaakte kerken voortgezet. Je ziet het zelfs aan de foto's in "Het vuur blijft branden" (dit boek bevat veel mooie foto's). Zoals we vroeger de parades hadden van de christelijke organisaties met hun toogdagen en hun vereerde voormannen, zien we nu de parades der vrijgemaakte organisaties met hun leiders. Douma heeft getracht begrip te kweken voor de vrijgemaakte kerken. Maar of zijn tekening wel helemaal juist is?
Prof. Douma over de Ned. Geref. Kerken
Het is opvallend, dat Douma heel anders schrijft, als hij het over onze kerken heeft. Dan verdwijnt het beeld van de begrijpende, vriendelijke hoogleraar.
Eén citaat uit de Open Brief is voor hem voldoende een zwaar oordeel te vellen. Onze kerken worden ook verder fel door hem aangevallen. We zijn independentisten. Er is teveel vrijheid bij ons. Zelfs het nieuwe art. 34 van de K.O., waarover ook in eigen kring terecht veel kritiek is, wordt genoemd. Prof. Douma weet zoveel begrip op te brengen voor wat in eigen kerken gebeurt.
Zou hij dat nu ook niet ten aanzien (rectificatie) van anderen kunnen doen?
Eerst in 1944 en later ook in de zestiger jaren hebben wij de last gedragen van synodale hiërarchie, extreem juridische tuchtoefening en geknoei met de kerkenorde.
Is het zo wonderlijk, dat er dan een reactiehouding ontstaat? Ik zeg niet dat het juist is, maar het is wel verklaarbaar. Juist de "binnenverbanders" behoorden hierover wat bescheidener te praten. Geen kerkverband is altijd nog eerlijker dan een kerkverband, waarin men de gemaakte afspraken met voeten treedt. En dat laatste hebben de vrijgemaakte kerken gedaan tegenover de "buitenverbanders" en tegenover anderen. Triest ook, dat prof. Douma ons heeft afgeschreven.
Je leest een oproep tot de Geref. Bond. Hij klopt aan bij de Chr. gereformeerden.
Wat de Ned. geref. kerken betreft, die kent hij niet meer. Daarvoor is weinig belangstelling, zo schrijft hij. Bij de schrijvers van dit boek is niets te bemerken van pijn over het feit, dat in de vrijgemaakte kerken een breuk ontstaan is. Integendeel, men is blij dat men van ons af is. We lezen helaas niet dat het goed en lieflijk is als broeders en zusters van hetzelfde huis in vrede samenwonen.

De Ned. Geref. kerken
Ook de Ned. Geref. kerken zijn immers loten van de vrijgemaakte stam. Velen van ons hebben zelfs tweemaal een uitstoting meegemaakt. Prof. Veenhof schreef hierover in het Informatieboekje 1974: "De klap, die de daardoor getroffen kerken en kerkleden door de "uitstoting" ontvingen, is hard aangekomen. De ouderen, die iets dergelijks reeds in de jaren veertig hadden beleefd, vroegen zich in verbijstering af: Hoe is dit mogelijk? We hebben voor een kwart eeuw om legitieme "ruimte" gesmeekt en tegen "bovennatuurlijke" binding geprotesteerd - nu moeten we het weer doen!
Wij hebben ons in die dagen moeten verzetten tegen een steeds sterker wordende hiërarchie - nu staan we voor hetzelfde kwaad dat. bovendien nog ernstiger vormen heeft aangenomen. In het verleden werden velen slachtoffer van een extreem-juridische tuchtoefeningnu wordt die, op zo mogelijk nog hardere wijze toegepast. In de jaren veertig hebben we de synoden tevergeefs gesmeekt nader in te gaan op onze "Verklaring van Gevoelen" - nu worden zonder indringend gesprek wéér mensen kerkelijk gevonnist op grond van een door hen unaniem gewraakte interpretatie van hun opvattingen". Veenhof slaakt dan de verzuchting dat we als vrijgemaakte kerken, indien we in heel onze levensopenbaring in de volle, diepe zin van het woord Kerk van Christus waren geweest, zoveel voor andere kerken in ons volk hadden kunnen betekenen. Helaas hebben we als vrijgemaakte kerken hierin ernstig gefaald. De Synodale Gereformeerde kerken hebben we spoedig afgeschreven.
Zij hadden voor ons onvergetelijk moeten blijven. Wij hebben vaak hoogmoedig op hen neergezien.
Maar religieuze hoogmoed is zonde en God heeft die ook zwaar gestraft. Veel twisten en scheuringen zijn aan de vrijgemaakte kerken ten deel gevallen.

Wat nu?
Wij mogen als Ned. Geref. kerken ons niet van de vrijgemaakte kerken afwenden, maar hen zoveel mogelijk, ook in het gebed, vasthouden. Laten we er vooral voor oppassen op hen of op andere kerken trots neer te zien. Waar zouden wij ook trots op zijn? Wij hebben er echt niet veel van terecht gebracht. Daar is in onze kerken ook een zekere reactiehouding merkbaar. Aan de ene kant een zich verzetten tegen kerkordelijke verbanden.
Aan de andere kant een te krampachtig hanteren van de oude K.O. En zo zou er meer te noemen zijn.
Wel mogen we dankbaar zijn dat onze God en Vader ons heeft willen vasthouden en dat we als kleine Ned. Geref. kerken mogen blijven voortbestaan. Daar is nu weinig perspectief op hereniging. We zullen moeten afwachten op wat God doet, misschien wel onverwacht. We moeten verder in de situatie, zoals God die schenkt en we moeten Hem daarin prijzen. Daarom moeten we ook oppassen voor scepticisme. De herinnering aan wat in die 35 jaar gebeurd is, zou er gemakkelijk toe kunnen leiden, dat we wrevelig of moe worden.
Maar de Schrift wijst ons een andere weg. Ondanks alle teleurstellingen zullen we juichen in de Here en jubelen in de God van ons heil. We zullen kerken moeten zijn die willen leven van de barmhartigheid van God en die willen luisteren naar het Evangelie van Jezus Christus.
Als DAT vuur werkelijk blijft branden, zal ook het liefdevuur tot onze broeders en zusters, waarvan we kerkelijk gescheiden leven, aanwakkeren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief