Werkster
1980-04-24
Zij kent de onderkant van kast en ledikant, - Jaargang 24
- nummer 17
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.
Symbolen worden tot cimbalen in de
ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.
Gerrit Achterberg 1949
Met dit gedicht ben ik de laatste weken nogal bezig geweest: het is een opgave geweest bij het Schoolonderzoek van de Havo. Misschien wilt u zich er ook eens in verdiepen?
Gedichten moeten ánders gelezen worden dan romans en verhalen, nauwkeuriger en intensiever: Allereerst signaleer ik de ironie in de eerste en tweede strofe, misschien moet ik zelfs wel van sarcasme spreken. De werkster is natuurlijk niet écht een dier (zie: voet en hand) maar in de menselijke samenleving wordt zij wel tot de lagere soort gerekend! Zij heeft ook zelf haar nederigheid geaccepteerd, zij wijdt haar leven aan het "versieren" van de vloer voor de voeten van de hogere standen. Dat "versieren" is een eerbetoon waar die hogere personen recht op hebben, "want er is onderscheid van rang en stand. In de ogen van die voornamen zelf, maar ook volgens de werkster. Dat de dichter er anders over denkt, blijkt wel uit het vervolg.
Toch valt het op dat in de zevende regel bij die hogere standen ook de dichters genoemd worden.
Dat ze daarbij horen, is voor de werkster waarschijnlijk een vanzelfsprekende zaak, maar Achterberg relativeert hier fijntjes. Spreekt er zelfs iets als schuldgevoel uit?
Erg opvallend was dat zo weinig leerlingen het beeld van "de gouden straten'" herkenden: twee van de drieëntwintig wisten dat het in de bijbel staat. Toen ik het gedicht later voorlegde aan leerlingen van het Atheneum, bleek hetzelfde: per klas gemiddeld één of twee leerlingen!
Welke algemene kennis mag op een christelijke school eigenlijk verondersteld worden?
"Symbolen worden tot cimbalen." Wat een prachtige vondst! Symbolen van haar nederigheid, haar werk, worden tot muziekinstrumenten om God ermee te eren. Het is een zin waarmee je heel lang in je gedachten rond kunt lopen en die steeds meer diepte krijgt. Uit de graankorrel groeit een nieuwe plant, ons lichaam zal verheerlijkt opstaan, alles wordt "getransformeerd", op een hoger niveau gebracht: symbolen worden tot cimbalen! Alleen al voor die éne zin ben ik Achterberg dankbaar. En dan in verband met die regel daarvoor, die het beeld oproept van de werkster, enthousiast slaande met de stoffer op het blik! De woorden in de laatste regel staan duidelijk in verband met die in regel 7; alken worden hier termen gebruikt die aan het onderscheid van rang en stand finaal een einde maken. Achterberg was niet alleen dichter, ook onderwijzer, "frik". Ook iets om te proeven! Dit is inderdaad "haar lot ten hoon", een bespotting van het dwaze verschil op aarde.
Ik wil u niet onthouden de aardige uitleg die een leerling gaf van dat "haar lot ten hoon": op aarde is de werkster steeds de minste geweest, je zou verwachten dat in de hemel nu eens reoht gedaan wordt, maar nee hoor, daar heb je nota bene die anderen ook weer! Zó zou je als mens kunnen redeneren en nu het zó uitpakt, is dat in de ogen van sommige mensen eigenlijk opnieuw een bespotting van de : werkster, maar God rekent ánders dan de mensen!
Voor zo'n uitleg moet je toch waardering hebben! Ook al meen ik dat die uitleg onjuist is, omdat het woord "tot” niet past bij de situatie in de hemel, ik waardeer het dat iemand zo goed over een gedicht nadenkt! Ik hoop dat u het gedicht nog eens doorleest, en er genoegen aan beleeft.