'Uitgeleverd aan genade, Goddank!'
1980-05-09
Wij geloven in Hem, die, - Jaargang 24
- nummer 19
geen middelpunt vindend
een middelpunt gaf
in ons , in Zijn Zoon
De Schriften spreken ervan. "Aan die genade dankt gij Uw heil, door het Dit: niets uit ons, alles in Hem, onze Heer Jezus Christus, is ons leven. geloof; niet 'aan uzelf, Gods gave is het" (Ef. 2: 8). Het is het hart van bet gereformeerd belijden.
De zondaar hééft niets, alleen de have-nots zijn welkom.
Het geloof is altijd een lege hand, meer niet.
Wij zijn de lege hand-gelovers en we behoeven zelfs niet te dubben over zondebesef
of zo
alsof dat een deur was
De HERE zegt immers
dat wij worden gerechtvaardigd
door het geloof alleen,
dat geloof een lege hand is,
een hand die de gerechtigheid
van Christus omhelst.
Daar zijn we bij grootgebracht en dat horen we telkens opnieuw, thuis en in de samenkomsten van de gemeente. Gelukkig, het is om heel dankbaar te zijn. Maar is het voor ons dikwijls niet vanzelfsprekendheid geworden?
Het grote gevaar dreigt, dat we het gewoon vinden totdat…
totdat je opeens ontdekt, hoe grote schat de HERE je geeft en het wordt dan een blijde boodschap
een woord
als een lied,
als een toekomst
om daarin naar binnen te gaan
als een poort,
een bres in de schepping.
Dat grote nieuws te mogen brengen,
ervan te getuigen
is als een licht aansteken
in het leven van mensen
als een weg,
een exodus,
een uiten intocht;
als een gekomen zijn in Kanaän,
als een lied waarbij Mirjam speelt.
Zonder uitzicht, ingesloten, je komt niet uit de problemen . Alles is zwart in je en rond je. Maar dat goede Woord ramt de muren, een bres geeft uitmondt, je ziet weer licht, er is licht. Bevrijding. Je ontmoet, als de zondares de Heiland, die zich ontfermt
en ik moet aan haar vertellen
wat zij niet vermoedt:
er wordt aan tafel ook op haar gerekend,
want zij mag delen in Zijn overvloed.
Dát is genade, je mag die met beide handen aangrijpen, vasthouden, er elke dag blij mee zijn. Maar nee hoor, wat zie je daar toch veel verzet tegen. 't Is allemaal zo heel gewoon, te eenvoudig. Een zondaar geeft zich zo maar niet aan Gods genade gewonnen:
Dat wij niet willen en ten diepste weren,
totdat Uw Geest Uw liefde ons
en wij, verwonnen,
ons tot U bekeren,
en U beminnen met een nieuw verstand
of hij wil, als de schriftgeleerden eertijds, zo'n gratis verlossing voor velen door de Middelaar Gods niet
overmant,
maar de mensen
ze willen een ander,
een man die wat minder royaal is
wie neemt Uw genade om niet?
De mens - ook de christenmens dikwijls - wil wat zijnen hij zegt, met de oudste zoon uit de gelijkenis,
wij blijven wel buiten,
het feestje daarbinnen
het stinkt van genade,
met hem (die gered is) geen gemeenschap,
wat denk je wel, bah!
Ook zijner in Christus' gemeente, rechtzinnigen, die zeggen bij de verkondiging van genade om niet
hij liegt, zij riepen:
geloof hem maar niet,
Jahwe eist vervulling der wet
AIs je daarbij leeft, doe je zèlf tenminste iets; je kunt je scharen bij hen, die ná de verkondiging van het heil, gewoon verder leven:
In de Schrift las ik een woord,
dat de zondaar op slag vrolijk maakt.
Ik liep er mee naar de kansel
en sprak over vergeving om niet.
Een viering is er niet geweest,
want er viel een dodelijke kille
Hoe vreselijk is dat. Voorbijgaan aan de Middelaar, godsdienstig zijn, Zijn naam noemen, maar niet "in Hem" zijn, verbonden aan Hem, die je redde.
We zijn dus en toch zijn ze weg gered
van dit woord: mijn beker is overvloeiend.
Ik mag het niet overal
zeggen, ze vinden me veel te royaal,
Maar wie schenkt die in?
Wat is het dan heerlijk je moeiten over dit alles te kunnen uitspreken tot Hem die hóórt, Die blijft omzien naar Zijn volk
Ik kwam niet ver, niet verder
dan: Ik, ellendig mens,
wie kan anders mij verlossen
uit het lichaam dezes doods?
Ik dank God door Jezus Christus,
Onze Heer.
Ik kan en wil niet verder
want waar zal ik schuilen,
nergens anders is
een woning, nergens.
ik wil en màg er blijven
o Gij, die het zo
hebt beschikt,
hoe zacht is Uw juk!
Dan komt het ook tot
Ik vond dat iedereen dat moest kennen;
ik zei: zing het, het is een lied van bevrijding,
leer het van buiten, het zal je vaak vertroosten,
het gaat niet zonder dat Woord, het is meer dan je hartslag.
En samen met de gemeente is er een sterk verlangen om te horen en te ontvangen wat haar Hoofd geven wil:
Elke week weer een ongelofelijk,
een zeer vertroostend gebeuren:
wat in letters slaapt ontwaakt
en staat op.
Wij geven de woorden voor niets,
en vooral de zondaren,
zij die wel eens iets gehad hebben,
verlangen er naar.
Drie- of viermaal per Jaar,
gezeten aan tafel, nemen zij Woord
in hun hand en eten dan stil en aandachtig,
er is nooit iets tekort.
Als U dit - liefst hardop voor uzelf - hebt gelezen en herlezen, moet U weten dat het gekozen is uit dichtbundels van Geert Boogaard. In de 'loop van de jaren heeft hij er ons zeven voorgelegd: 'tijd en teken', 'Met dank aan de Joden', 'Wanneer ik bid', 'Brood en wijn', 'En toch…', 'Er is een woord' en 'Er is haast bij het licht'. *) Het 'leven van genade alleen' neemt in die bundels een zo grote plaats in, dat je het 'bijna het beheersend fases van zijn werk kunt noemen. Hij bindt je dit - als een pastor - op het hart. Je bemerkt hoe hijzelf met het Woord bezig is geweest, ook onder de mensen heeft verkeerd, geluisterd en moést spreken over dit grote. Luister naar hem, luister telkens weer. Tot je zover komt dat je zegt: we geloven niet om wat hij gezegd heeft, we hebben Hem zèlf gehoord (Joh. 4 :42).