Christelijke politiek in een democratische samenleving
1979-09-14
Graag zou ik langs deze weg enkele gedachten naar voren willen brengen, die bij mij opkwamen bij het lezen van het artikel van br. H. Strating.- Jaargang 23
- nummer 34
(Opbouw no. 30 - 17-8-'79).
Voorop zou ik willen stellen, dat ik met grote belangstelling genoemd artikel heb gelezen. Het geeft namelijk heel duidelijk een denkkader weer, dat vooral de laatste tijd in onze kerkelijke en ook christelijk-politieke kringen opgang maakt.
Nu is. het geenszins mijn bedoeling, evenals dat de bedoeling van br. Strating was, om op deze plaats een partij-politieke discussie aan te gaan.
Wat ik wèl hoop te bereiken, is een (hernieuwde?) bezinning op wat christen-zijn en politiek met elkaar te maken hebben. Wellicht kunnen dan ook twijfels aangaande wederzijdse uitgangspunten worden weggenomen.
De doelstellingen van beide uitgangspunten lopen wat dit betreft dus niet ver uiteen. Welnu, laat ik dan enkele gedachten trachten weer te geven. Staat u mij toe, dat ik br. Strating in het vervolg kortheidshalve aanduid als S.
S. begint met een uiteenzetting van de visie op de overheid. Dit is inderdaad van essentieel belang, als we praten over christelijke politiek. Wart is onze visie als christenen op de overheid anno 1979? S. tekent dan aan, dat het standpunt, dat in reformatorische kring veel aanhang vindt (de overheid als dienaresse Gods), weleens verouderd zou kunnen zijn.
Hier ligt een eerste bezwaar. Als onze beginselen, gegrond in Gods Woord, afhankelijk zijn van tijd en plaats, met andere woorden "hoe de mensen erover denken", wat is dan de waarde van onze beginselen en wat is dan ten diepste de waarde van Gods Woord? Deze vraagstelling zal in het vervolg van het artikel herhaaldelijk terugkeren.
Natuurlijk, wij leven niet in een theocratische samenleving en de beschrijving van de democratische wetgeving, die S. geeft, is volstrekt realistisch.
Maar de vraag blijft of dit ook invloed heeft op de beginselen van een christen-politicus. De laatste tijd horen we vaak, dat wij onze christelijke beginselen niet als onrealistische hinderpalen voor de 'wil van het volk' moeten leggen, met andere woorden de beginselen zijn tijd- en plaatsgebonden. We zien dit duidelijk in het huidige wetsvoorstel inzake abortus provocatus.
En dit is mijns inziens een heilloze weg; een gebrek aan beginselvastheid, uitmondend in beginselloosheid. Beginselvastheid is een fundamentele eigenschap van een christen-politicus, niet als 'koestering van het oude', maar in trouw aan Gods Woord tot heil van het volk, "opdat het u welga".
Soms ook tegen (menselijk) beter weten in, maar wel in het geloof, dat het bewijs is van de dingen, die men (nog) niet ziet.
Hier komt een aspect naar voren, dat ik in het artikel van S. grotendeels mis, namelijk het getuigende aspect. Met opzet gebruik ik hier het woord aspect. Het wordt namelijk nogal eens voorgesteld, alsof 'getuigen' en 'echte politiek bedrijven' voorbehouden zou zijn aan respectievelijk kleine en grote politieke partijen. Een onterechte tegenstelling, zodat ik spreek van aspecten.
In zijn politiek bezig zijn zal de christelijke politicus dus ook getuige moeten zijn in de vaste wetenschap, dat Christus' Koningschap zich uitstrekt tot alle levensterreinen, dus ook tot de politiek, daarbij Vasthoudend aan de Bijbelse beginselen, die immers niet alleen voor theocratische samenlevingen gelden! Paulus schreef 'Romeinen 13' aan christenen in Rome!
Bovenstaande visie is ook uitgewerkt door christen-politici als Kuyper en Van Prinsterer (in alfabetische volgorde). Deze mensen leefden wel degelijk in een democratie! En, zonder deze mensen te verheerlijken, dit erfgoed kunnen we toch niet zondermeer terzijde leggen. Uiteindelijk is er vandaag niets nieuws onder de zon. Anderen kunnen op dit punt misschien wat nader uitweiden.
Het zal duidelijk zijn, dat ik vanuit deze visie op de overheid (als dienaresse Gods) ook andere eisen stel aan een christen-politicus. Ik heb daar al één en ander over gezegd en zal daar in het vervolg ook nader op ingaan.
S. stelt, "dat de democratische wetgeving zich dient te beperken tot het stellen van regels - dus géén levensbeschouwelijke normen - gericht op het garanderen van de ruimte en de vrijheid die het de burger, het volk, mogelijk maakt deze verantwoordelijkheid te dragen. Opnieuw werpt dit bij mij vragen op. Regels, zoals boven bedoeld, houden met een essentieel punt geen rekening: dat de mens zondig is en geneigd tot alle kwaad. Wij moeten de 'geestelijke draagkracht' van een volk dus niet te hoog aanslaan en men begeeft zich op drijfzand, als men hierop rechtsregels baseert. Als we gevraagd worden 5% energie te besparen en het energieverbruik neemt in de betreffende periode juist toe, dan hebben we al een kleine illustratie van de geestelijke draagkracht van ons volk. En we kennen onszelf toch ook wel? Het is niet mijn bedoeling om een zwartgallig mensbeeld te schilderen, maar van een christen-politicus mag
men toch verwachten, dat hij weet en erkent, dat buiten de Here God geen mens in staat is tot iets goeds. En hier heeft hij rekening mee te houden in zijn politieke werk.
Ik kom tot de volgende conclusie: als (rechts)regels afhankelijk zijn van de 'geestelijke draagkracht' van een volk (want dat is de achterliggende gedachte), is de verwereldlijking en een toenemende normloosheid in de wetgeving gelegaliseerd en wel onder mede-verantwoordelijkheid van de partij, die dat propageert. Als wij spreken van volkssouvereiniteit, hetgeen iets wezenlijk anders is dan invloed van het volk op de regering C.q. de overheid. Tegenover de volkssouvereiniteit van de Franse revolutie Gods heilzame souvereiniteit in het evangelie!
En als wij als christenen geen levensbeschouwelijke normen meer in de wetgeving (durven) leggen, zijn liberalen en socialisten er als de kippen bij om er hun levensbeschouwelijke normen in te verwerken. (Men zie het wetsontwerp inzake abortus.) Dat is dan ook democratie in zijn pure vorm: invloed van bet volk op de overheid en op de wetgeving.
Ik zou daarom willen pleiten voor een wat minder 'bescheiden' opstelling van de christen-politici; zij mogen de wetten ten leven uitdragen, zolang het nog kan en mag! Wij menen toch niet, zoals ik eens hoorde opmerken, dat het christelijke volksdeel door God is geschapen, terwijl de rest uit de apen geëvolueerd is tot mensen? Nee, wij mogen ook nietchristenen deze wetten leren, opdat het ook hen welga. En als wij de waarde van de democratische wetgeving uitsluitend zien in een garantie om naar Bijbelse normen te kunnen leven, trekken wij ons onnodig terug in onze christelijke loopgraven. En het gevaar is niet denkbeeldig, dat we dan in zelfgenoegzaamheid er alleen op letten, dat we ons eigen godsdienstige leventje nog kunnen leven. Waar blijft dan ons getuigenis?
Natuurlijk moeten we wèl in het oog houden, dat we niet in een theocratische samenleving leven, maar de christen-politicus mag er wel naar streven, dat is ook de wil van God, dat allen tot geloof komen en dat kan alléén door God zelf te laten spreken in zijn politiek handelen, Tenslotte wordt in het artikel van S. de zaak toegespitst op het wetsontwerp inzake abortus. Het uitgangspunt van S. (verbod van abortus provocatus, tenzij het leven van de moeder in het geding is) onderschrijf ik volkomen. Het zal na bovenstaande wederom echter geen verwondering wekken, dat ik hierin een andere visie van een christen-politicus verwacht.
S. wijst vooral op het onaanvaardbare van een 'huwelijk tussen Bijbelse en wereldse normen binnen de wetgeving'. Een huwelijk dat in ander verband overigens als typerend voor de democratie wordt genoemd. Wat is echter de consequentie hiervan? Er zijn 2 mogelijkheden: Of de wetgeving is volkomen Bijbels, hetgeen S. niet haalbaar acht èf de wereldse norm bepaalt de inhoud van de wetgeving. Maar wat is dan nog de taak van een christen-politicus? Het uitsluitend meewerken aan de totstandkoming van wereldse wetten? Want dat zou dan de uiterste consequentie zijn.
Ik kies -voor een andere benadering: in deze gebroken wereld is het inderdaad niet mogelijk om Bijbelse normen volledig te realiseren in de wetgeving, maar dit zal wel altijd het streven van een christenpoliticus moeten zijn. En dat kan soms inderdaad touwtrekken betekenen!
Ook in zaken als prostitutie en kansspelen zullen we onze stem als christenen (en niet alleen in de politiek) moeten laten horen. Om te wijzen op de heilloze weg, die is ingeslagen en vooral om te helpen waar nodig in het spoor van onze Here Jezus Christus.
Bij het wetsontwerp inzake abortus provocatus speelt dit wel heel sterk.
Als we hieraan meewerken, legaliseren we duizenden moorden per jaar.
Een bekend radio- en televisiecommentator van niet-christelijke huize moet onlangs eens gezegd hebben, dat sommige christelijke politici het bekende credo uit de Reformatie nu lijken om te keren; hun zinspreuk luidt: "hier sta ik, ik kan ook anders!". Laten we hopen, dat de uiteindelijk niet waar is. Beginselvastheid hoeft het in een democratie een christen niet onmogelijk te maken een overheidsambt te bekleden!
Inderdaad, het straf- en vervolgingsbeleid inzake abortus provocatus heeft volledig gefaald, en vooral: hebben wij niet gefaald, bijvoorbeeld in de opvang van ongehuwde moeders (en vaders). Maar we bevinden ons nu in deze verschrikkelijke situatie, het zou dom zijn om onze ogen hiervoor te sluiten, en we moeten ook hierin een Bijbelse fundering zoeken voor ons (politiek) handelen.
S. stelt, dat een strafwetgeving ten behoeve van de bescherming van het ongeboren leven moet falen. Ik heb echter grote vragen bij zijn argumentatie hiervoor: de ongeboren vrucht kan geen beroep doen op de overheid en kan dus niet effectief worden beschermd in een strafwetgeving.
Recht op bescherming, maar alleen als men in staat is een beroep te doen op de beschermer.
Alweer, en mede ten gevolge van mijn andere visie op de overheid, kom ik tot een andere conclusie. De overheid als dienaresse Gods dient het leven, zowel van a.s. moeder als van ongeboren vrucht, te beschermen..
De overheid dient dat te doen zonder dat de betrokkene noodzakelijkerwijze daarom vraagt of kan vragen. De norm van de christenpoliticus mag ook hierin niet afhangen van de ingrijpende wijzigingen hieromtrent van de opvattingen in onze samenleving.
Er is in de reformatorische kring al veel geschreven over deze visie op de overheid, in het bijzonder met betrekking tot het vraagstuk van de abortus provocatus. Het heeft weinig zin om al deze argumenten nog eens op een rij te zetten. Ik dacht, dat de meeste wel genoemd waren. Het ging me in dit artikel ook meer om de relatie christen-zijn en politiek, waarbij het vraagstuk van de abortus provocatus natuurlijk ook een belangrijke rol speelt.
Wat de 'schijnbare lapmiddelen' betreft, die S. aan het eind van zijn artikel noemt, zal het duidelijk zijn, dat deze in mijn visie niet als alternatief, maar aanvullend dienen te werken op een wettelijk verbod.
Tot zover dit artikel. Ik hoop dat mijn argumenten, soms in de vorm van losse gedachten, duidelijk zijn. Argumenten, die niet pretenderen een volledige behandeling van het onderwerp weer te geven. Argumenten, die wèl pleiten voor een bezinning op wat God ons laat zien in Zijn Woord.
En dat kan zo bevrijdend eenvoudig antwoord geven op alle vragen die ons hier bezighouden.
Argumenten, zeker niet als stekeligheden bedoeld, tegenover de argumenten van br. Strating, aan wiens oprechte bedoelingen ik geen moment twijfel. Argumenten vooral ook tegen de achterliggende gedachtengang die velen met zorg vervult.
Moge dit artikel een vruchtbare bijdrage zijn aan de bezinning op deze zo belangrijke zaken.