Pseudoniemen: Voer voor nieuwsgierigen (1)
1979-09-14
Niet lang geleden hoorde ik iemand de opmerking maken dat het eigenlijk onzin is onder een pseudoniem te schrijven als toch iedereen weet wie er met die schuilnaam wordt bedoeld.- Jaargang 23
- nummer 34
Ik was het daar niet mee eens. Immers, het pseudoniem zal, als de schrijver geslaagd is, meestal veel bekender zijn dan de eigennaam en dan is het verstandiger de schuilnaam te blijven gebruiken.
Als ik in de boekwinkel een gedichtenbundel zou zien liggen van Bernardus Gerhardus Franciscus Brinkel, ging ik beslist niet tot aanschaf over zonder er behoorlijk in te snuffelen.
Maar wanneer er een nieuwe bundel van Michel van der Plas ligt, komt die zonder enige twijfel in mijn boekenkast terecht, Overigens, die opmerking bracht mij aan het denken over het verschijnsel "Pseudoniemen" en het bleek mij zo boeiend dat ik het niet nalaten kan er iets over te schrijven.
Om te beginnen, het woord "pseudoniem" komt van het griekse "pseudos" dat vals, en "onoma" dat naam betekent. Valse naam dus, maar in de schrijverswereld is bedrog, althans als regel, niet de bedoeling. Ergo: Schuilnaam.
Maar waarom een pseudoniem gebruikt?
Nu, dat heeft verschillende redenen. Ik denk dat de meest voorkomende wel deze is, dat de schrijver bang is dat zijn eerste werk een afgang wordt.
In dat geval kan hij het nog eens proberen met een andere schuilnaam.
Het kan ook dat de schrijver heel persoonlijke zaken in zijn romans of gedichten uit, en daarom zijn eigen naam liever niet noemt.
Zo vertelt Dr W. Barnard, die onder de schuilnaam Guillaume van der Graft schreef, in een vraaggesprek met Dr G. Puchinger, dat hij een pseudoniem had gekozen, o.a. omdat hij een zekere schroom had. Hij zegt: "Als ik een liefdesgedicht schrijf en publiceer, dan is dat van iedereen, voor iedereen, ook al is het van mij, en voor mijn vrouw.
Er was eens een gedicht, waarin ik het had over "je windstille schouders" en mijn vrouw zei toen terecht, dat de goegemeente niet hoefde te weten hoe windstil haar schouders waren."
Een motief voor een schuilnaam kan ook het gevaar zijn dat de schrijver loopt. In de oorlogstijd bijvoorbeeld kon het heel riskant zijn iets te publiceren en was een pseudoniem dus een bescherming.
Zo heeft Victor E. van Vriesland, die vanwege zijn joodse afkomst uitermate voorzichtig moest zijn, voor een bepaalde publicatie aan de dichter J. C. Bloem gevraagd om zijn naam te mogen lenen. Hij ontving toestemming.
Na de oorlog is het pseudoniem wel gebruikt om een schrijfverbod te omzeilen. Dat deed bijvoorbeeld Jo van Ammers-Küller. Zij had in de bezettingstijd met de duitsers gesympatiseerd en kreeg daarom na de oorlog een publicatieverbod. Desondanks schreef ze, maar onder de schuilnaam Adriaan Hulshoff. Hier was dus echt sprake van een valse naam. Overigens, helemaal bewezen is het niet, want in een proces tegen haar werd ze vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
Anten van Duinkerken, pseudoniem van Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs, schreef zijn eerste gedichten toen hij nog seminarist was. Hij gebruikte een schuilnaam omdat hij bang was, vanwege zijn "nieuwerwetse gedichten, onregelmatig en vol zonderlinge zinnebeelden" moeite te zullen krijgen op het seminarie.
Nog weer een ander motief voor een pseudoniem kan zijn dat de schrijver een bepaalde bekendheid heeft op een ander gebied en zijn schrijfproducten niet graag daarnaar beoordeeld ziet. Dat was bij de reeds genoemde Dr Barnard, die predikant was, ook het geval.
"Men zou", zo meende hij, "onwillekeurig een verbinding leggen tussen de dichter en de dominee. Het dichterschap zou dan mogelijk worden beoordeeld in het licht of ook de schaduw van het predikantschap. En omgekeerd, wat ik als predikant te berde bracht zou dan allicht worden beoordeeld naar literaire of quasie literaire eigenaardigheden."
Een pseudoniem kan ook gekozen worden om de parodie van het geschrevene te accentueren. Zo wilde Frederik van Eeden, die leefde van 1860 tot 1932, de, wat hij noemde dominees-rijmelarij, aan de kaak stellen.
Hij schreef toen een bundel gedichten onder de titel "Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland" met als schuilnaam: Cornelis Paradijs.
Dat boekje begint met een open brief aan de schrijver door ene P. A. Saaye Azn., en een voorrede van Sebastiaan Slaap. Duidelijk drie namen die het spotdrijvende karakter van de bundel moeten benadrukken.
Zelfs om een teleurstelling in een succes te veranderen is weleens een pseudoniem gebruikt. Zo vertelt Dr J. Grootaers in: "Maskerade der muze" over een zekere Johan C. P. Alberts die in 1947 drie gedichten opstuurde naar Elseviers Weekblad in de hoop ze opgenomen te krijgen. Binnen de kortste keren had hij het drietal terug. Ze waren niet de moeite van het afdrukken waard. Toen bedacht de slimmerik, in de overtuiging dat de gedichten niet de oorzaak konden zijn van de afwijzing, een pseudoniem, te weten Bertus: Aafjes. Hij stuurde, binnen veertien dagen de gedichten weer naar het weekblad. En ... ze werden direkt geplaatst. Hier is dus, het zij even opgemerkt, het pseudoniem weer een valse naam.
Tenslotte, ook de eigennaam kan een reden zijn een pseudoniem te verkiezen.
De dichter J. Bernlef staat in het geboorteregister ingeschreven als Hendrik Jan Marsman. Toen hij, in 1937 werd geboren had de dichter H. Marsman al zo'n grote bekendheid dat het veel moeite gekost zou hebben om aan een vergelijking te ontkomen. Die gedachte zal zeker meegewogen hebben bij de overweging, al of niet onder een schuilnaam te gaan schrijven.
Ook denk ik dat Johanne Petronella Vrugt haar pseudoniem Anna Blaman wel mooier vond klinken dan haar eigennaam.
Tot zover het waarom van de schuilnaam. Een volgende keer iets over de betekenis van bepaalde pseudoniemen.