JEREMIA

1979-09-21
  • Jaargang 23
  • nummer 35
Onwil om te luisteren
Terwijl Jeremia dit woord doorgeeft en de kring rondkijkt, merkt hij wel, dat het beslist niet in goede aarde valt en dat men er afwijzend tegenover staat. Daarom voegt hij er nog een ernstige waarschuwing aan toe.
Jullie hebben wel beweerd, zegt hij, dat jullie naar Jahweh zouden luisteren.
Maar dat hadden jullie jezelf alleen maar aangepraat. In werkelijkheid zijn jullie geen moment van plan geweest naar dit woord te luisteren.
Jullie wilden alleen maar een woord dat in jullie kraam te pas kwam.
Dat komt vaker voor. Mensen zeggen soms dat ze naar Gods Woord willen luisteren. Maar als het naar hen toekomt en tegen hun diepste verlangens ingaat, zetten ze zich schrap. Dan zoeken ze tegenargumenten en kronkelen ze zich in allerlei bochten om er onderuit te komen.
Dan zegt men: het is veel te rigoureus of te riskant. Dat kàn Gods Woord niet zijn. Ik kan niet geloven, dat God zo iets onmogelijks van me vraagt.
Vaak weet men dat nog erg overtuigend te spelen ook. Want Gods Woord komt tot ons via mensen. En mensen kunnen zich vergissen. Ze kunnen het bij het verkeerde eind hebben. Ze kunnen hun eigen ideeën voor Gods Woord uitgeven. Soms doen ze dat zelfs opzettelijk. Je kunt niet zomaar alles wat door mensen als Gods Woord wordt aangediend, als zodanig aanvaarden.
Zo is het, nietwaar? En daar speelt men dan handig op in. Zie je, zegt men, als we ervan overtuigd waren dat het werkelijk Gods Woord was, zouden we het natuurlijk direct doen en gehoorzamen. Maar dat is nu juist het punt. We zijn daar niet van overtuigd.
Voor ons besef is het een menselijke, verkeerde interpretatie van Gods Woord. Daarom blijven we onze eigen gang gaan. En zo camoufleert men dan zijn feitelijke onwil om naar Gods Woord te luisteren of het zelfs maar te overwegen.
De Judeese officieren reageren ook zo. Drieste mannen worden ze genoemd.
Ze springen er onmiddellijk bovenop en ze zijn zeer emotioneel.
Het is een leugen, schreeuwen ze.
Dat kàn Gods Woord niet zijn. Zo is God niet, dat Hij ons midden in de ellende wil dompelen. Het past niet bij God dat Hij ons zou willen verplichten hier te blijven in permanente angst voor de Babyloniërs. Het is onmogelijk, dat dit Gods wil is.
Ziet u, hoe slecht ze naar Jeremia geluisterd hebben? .

Wantrouwen
Maar we begrijpen wel, hoe de vork in de steel zit, gaan ze verder. Baruch zit erachter. We laten ons niet zo gemakkelijk in de luren leggen.
We hebben dit keer niet te maken met èen woord van Jahweh, gesproken door Jeremia, maar met het woord van Baruch, gesproken door Jeremia.
U herinnert u nog wel, dat Baruch, Jeremia's secretaris, eens politieke ambities had gehad. Hij kwam uit de kringen van de hofadel. Zijn broer was hofmaarschalk van Zedekia geweest.
Ook Baruch zelf had ambities gehad in die richting. Maar door zijn samenwerking met Jeremia was daar niets van terecht gekomen. En Jahweh had tot hem gezegd: zet dat nu maar uit je hoofd. Wees maar blij dat je het er levend afbrengt. Daar zal Ik voor zorgen (Jer."45).
De Judeese officieren denken nu, dat Baruch nog steeds die ambities heeft.
Ze hadden hem altijd met een scheef oog aangekeken en hem gewantrouwd. Ze vonden hem een onbetrouwbare figuur, een sympathisant van de Babyloniërs. Dat wantrouwen werd nog gevoed door het feit dat hij niet was meegevoerd naar Babel.
Dat sprak volgens hen boekdelen.
En nu denken ze dat Baruch wil proberen stadhouder te worden of althans dat hij een wit voetje bij Nebukadnezar wil halen door hen als makke schapen aan hem over te leveren en dat hij in ruil daarvoor een of andere positie wil bemachtigen.
Trouwens, ook het feit dat het tien dagen duurde voordat Jeremia met zijn antwoord kwam, paste helemaal in dat raam. Je bent profeet of je bent het niet. Om Gods Woord door te geven heb je niet zoveel bedenktijd nodig. Die lange bedenktijd wijst op deliberaties. Jeremia heeft natuurlijk uitvoerig zitten overleggen met Baruch en alles met hem doorgepraat.
En uiteindelijk heeft Baruch de doorslag gegeven. Zo zit het in elkaar, zeggen ze. Je speldt ons onder invloed van Baruch maar wat op de mouw. Wat jij ons doorgeeft als Gods Woord, is alleen maar leugen.

Vluchtnaar Egypte
Zo hebben de Judeeërs zich van Gods Woord ontdaan en het gedegradeerd tot een mensenwoord. Ze hadden zich vastgebeten in de gedachte dat er voor hen niets anders opzat dan de vlucht naar Egypte. Dat zagen ze als de enige ontsnappingsmogelijkheid en uitweg. Ze hadden zich daar zo aan vastgeklampt, dat God volgens hen ook geen andere mogelijkheid meer had. Dat God hen ook zou kunnen 'beschermen tegen de Babyloniërs, was voor hun besef een fantasie die nergens op steunde. Nebukadnezar beheerste hun denken. De angst voor hem liet geen plaats voor vertrouwen op Jahweh.
Dat was het hart van de zaak. Waar geen vertrouwen op Jahweh is en waar Hij geen beheersende.' plaats heeft, vindt zijn Woord geen gehoor.
Want luisteren naar de stem van Jahweh is in de allereerste plaats een zaak van vertrouwen hebben in Hem.
Dat vertrouwen ontbrak. Daarom schuiven ze Gods Woord opzij en laten ze zich leiden door hun angst voor de Babyloniërs, Ze pakken hun boeltje bij elkaar. Ook Jeremia en Baruch slepen ze mee. En ze vluchten naar Egypte, de enige plaats waar ze naar hun besef veilig zijn.
Maar dat was een vergissing. Want juist daar zou het babylonische leger onder hen huishouden. God wilde het nieuwe begin voortzetten, ook na de dood van Gedalja. Aan Hem lag het niet. Maar men wilde niet, omdat men Hem niet vertrouwde.
Zo ligt het ook vandaag. Wanneer we vertrouwen op Christus en het met Hem en zijn Woord durven wagen, is Hij onze Bevrijder. Dan zijn we in zijn hoede veilig en op de goede weg. Maar als dat vertrouwen ontbreekt, als we meer vertrouwen hebben in ons eigen inzicht en in onze eigen veiligheidsmaatregelen dan in Hem, kunnen we wel denken dat we onszelf veilig gesteld hebben, maar dat is dan wel een vergissing.
Want alleen Gods weg kan tot het doel geleiden. Onze eigen wegen lopen altijd dood.

JEREMIA 44: 1-19 De les der geschiedenis

Toen de Judeeërs in Egypte waren aangekomen, kondigde Jeremia aan, dat Nebukadnezar, voor wie ze in paniek waren weggevlucht, hen daar in Egypte zou achterhalen en dat hij het land zou verwoesten (43 : 8-13).
Maar ook die waarschuwing hielp niets. Men vestigde zich in Egypte.
Sommigen in Migdol en Tachpanhes, d.w.z. bij de grens van het Sinaîschiereiland in de Nijldelta. Anderen in Nof, ten Zuiden van de Nijldelta, of in het land Patros, ver naar het Zuiden langs de Nijl bij Elefantine, waar ze zelfs nog een tempel voor Jahweh gebouwd hebben. Zo dacht men eindelijk vrij en veilig te zijn, buiten het bereik van de Babyloniërs.
Onwillekeurig vraag je je af, hoe zo iets mogelijk is. Jarenlang hebben ze zich tegen Jeremia en zijn prediking verzet. Ze hebben nooit willen geloven, dat Gods oordeel over Juda en Jeruzalem zou komen. En ze klampten zich vast aan de valse profeten.
Maar de gebeurtenissen hebben inmiddels ondubbelzinnig bewezen, dat Jeremia gelijk had, dat hij helt Woord van God sprak en dat de andere profeten leugenprofeten waren.
Hoe bestaat het, dat ze nu, terwijl de feiten zo'n duidelijke taal spreken, toch wéér geen geloof hechten aan Jeremia's woorden? Heef de geschiedenis hun dan niets geleerd?
Neen, dat heeft de geschiedenis inderdaad niet. En waarom niet? Omdat men weigerde zich open te stellen voor het Woord van God. Waar dat het geval is, leert men niets van de geschiedenis. Daar ziet men voorbij aan de les der geschiedenis. Waar men het Wóórd van God niet aanvaardt, blijft men ook blind voor zijn handelen.

Onwil
Omdat ze Israëlieten zijn, zeggen ze natuurlijk niet ronduit: het Woord van God kan ons gestolen worden; dat lappen we aan onze laars. Zoiets zei je als Israëliet niet. Maar ze ontkennen wel dat Jeremia's woord het Woord van Jahweh is.
Zo gebeurt dat tegenwoordig ook nog in de kerk. Als men niet buigen wil voor het Woord van God, zegt men dat vaak niet ronduit, maar dan gaat men argumenteren - soms zeer overtuigend - om zich aan de klem ervan te onttrekken. Moet je wat daar staat niet anders lezen en interpreteren en toepassen? vraagt men.
En op die manier wekt men dan de indruk dat men natuurlijk wel naar Gods Woord wil luisteren, maar dat men er alleen maar niet van overtuigd is, dat men met het Woord van Gód geconfronteerd wordt. Zo kan men dan zijn eigen weg blijven gaan.
Een weg die heilloos is en naar de ondergang leidt, maar die tegelijkertijd ook duidelijk maakt wat er in werkelijkheid aan de hand is: onwil om voor Gods Woord te buigen. Zolang het nog bij argumenten blijft, lijkt alles nog wel prachtig. Maar zodra je kijkt naar. wat ze doen, zie je de ware aap uit de mouw komen.
Zo was het ook bij de Judeeërs in Egypte. Ze zeiden: we geloven niet dat wat Jeremia zegt, het Woord van God is. Als het dat wel was, zouden we er stellig naar luisteren. Want we willen Jahweh natuurlijk niet afwijzen.
Zolang je hen alleen nog maar zo hoorde praten, kon je nog aarzelen of ze onwillig waren naar Jahweh te luisteren. Maar toen Ze eenmaal in Egypte waren, bleek uit hun levenspractijk dat dat toch hun werkelijke drijfveer geweest was. Achter hun gang naar Egypte zat wel degelijk onwil om naar Jahweh te luisteren.
Want wat gingen ze daar in Egypte doen? Ze begonnen weer met de verering van de koningin des hemels, een heidense vruchtbaarheidsgodin.
Dat hadden ze vroeger ook gedaan (7 : 16-20). Dat was in de tijd vóór de reformatie van Josia. Toen had men in Juda en Jeruzalem de koningin des hemels vereerd. Door het optreden van Josia was daar een eind aan gekomen. Maar nu, in Egypte, pakken ze die afgodendienst weer op. En weer moet Jeremia ertegen profeteren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief