Het Liedboek
1979-09-21
Lied 81 "In dit Lied wordt de zingende gelovige gesteld op de plaats en in de stemming van Maria, die Christus niet herkende, toen Hij na de Opstanding aan haar verscheen", aldus de dichter (Comp. p. 279). We hebben tegen deze opvatting evenwel ernstig bezwaar, aangezien de eenmalige gebeurtenis van de ontmoeting van Maria met Jezus na de Opstanding daarmee symbolisch inhoud zou moeten geven aan het leven van de gelovige van nu. Indien in dit Lied echter het "ik" zou worden vervangen door "zij", dan zou het aanvaardbaar zijn. Strofe 8 kan dan als afsluiting ongewijzigd blijven.- Jaargang 23
- nummer 35
De melodie is goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 82 "De zingende gemeente van nu beleeft samen met de leerlingen de verschijning van de Opgestane", schrijft de dichter (Comp. p. 280). Daartegen gaat evenwel ons bezwaar, zoals dit reeds werd geformuleerd bij Lied 81. De zingende gemeente van nu en de leerlingen in de situatie van toen zijn niet op één lijn te stellen.
De melodie is niet bepaald sterk te noemen.
Tekst: 1; melodie: 2.
Lied 83 Dit Lied volgt de rehabilitatie van Petrus (Joh. 21 : 15-23) op een afstand en is dus geen "berijming" van de daar beschreven gebeurtenis. "Het is daarentegen een meditatie over het bijbelse gegeven", zo merkt de dichter op. (Comp. p. 281). De strofen 1 en 2 achten we onaanvaardbaar. De uitspraak "Gij weet dat ik U haat" (en "dat ik U steeds verloochen") is volgens de dichter de belijdenis der kerk nagesproken. Maar daarbij is dan wel uit het oog verloren dat dit "van nature" zo is. De gelovige, wedergeboren door Gods Geest, gaat evenwel zingen: "God heb ik lief" (Ps. 116) en "ik loof den Heer mijn leven lang" (Ps. 118) en "looft Hem door wie wij zijn herboren" (Ps. 66). Dat is de Schriftuurlijke taal der Psalmen.
De melodie is goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 84 Dit Lied is wel een erg magere weergave van de aangegeven Schriftplaats (Hand. 2: 1-13). We verschillen van mening met de schrijver in het Compendium (p. 282) nl. dat het hier zou gaan om "het eenvoudige gebed om de zegening van de eigen taal".
Diverse elementen uit het Pinkstergebeuren zijn dan ook onjuist toegepast, zoals bv. in strofe 2: "het goede woord dat indaalt als een zoete wijn, waarvan wij dronken zijn" en in strofe 4 "de stormwind die ons huis vervult", terwijl strofe 3 ook geen fraaie vertolking geeft van het "talenwonder" .
De melodie geeft geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 85 Dit Lied vindt zijn aanvang in de geschiedenis van Stefanus: "De hemel is opengesprongen" (Hand. 7: 55, 56) en bevat elementen van Kerstfeest (strofe 1) en Pasen (strofe 2). Het herhaalde gebruik van het woord "Naam" is deels onjuist, deels ongemotiveerd.
Het motief wordt door de dichter als volgt omschreven: "de Naam is een Joodse zegswijze, waarmee de onuitsprekelijke Godsnaam wordt aangeduid". Persoonlijk voelt hij niets voor de naam ,,Jahweh". "Liever zou ik de Joodse gewoonte volgen om van de Naam te spreken. En dat heb ik dus hier gedaan." Maar dan is het onjuist om in strofe 1 te zeggen: de Naam werd vlees en bloed", terwijl voorts in strofe 5 wel wordt gesproken van "jaar des Heren" en van "de Koning".
Wat de melodie betreft: de zo nu en dan optredende woordverdeling over de diverse noten maakt het zingen bepaald niet gemakkelijk en we menen dat deze melodie daarom ongeschikt is voor de gemeentezang.
Tekst: 1; melodie: 1.
Lied 86 De vaal van dit Lied is niet sterk en vertoont moeilijke constructies. Zo b.v. in strofe 1 de 2e regel: "die 't kennen gaat te boven", waar bedoeld zal zijn: "die ons begrip te boven gaat", en de 4e regel heeft de onbegrijpelijke zin: "in vonken licht verstoven".
Voorts heeft de slotregel de onaanvaardbare zegswijze: "in wien onwetend wij geloven".
Tenslotte zij hier nog vermeld o.m. de in strofe 9 voorkomende zin: "Hij wil ook in ons zijn herboren" en de uitdrukking "Ongeëvenaarde" (strofe 2 en 8).
De melodie is prachtig.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 87 In dit Lied wordt een berijming gegeven van Rom. 6: 2-6.
De hier beschreven elementen van het met Christus gestorven en opgewekt zijn komen goed tot hun recht.
De melodie is de "prachtige melodie van Psalm 5, die, althans in de meeste kerken, in het vergeetboek dreigde te raken", aldus de dichter (Comp. p. 288).
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 88 In dit Lied wordt naar Rom. 7 de strijd getekend van de "oude" en de "nieuwe" mens met betrekking tot de Wet des levens en die der zonde. Jammer dat de teksten van strofe 1 en 2 zo zijn geformuleerd dat ze o.i. niet aanvaardbaar zijn. Bovendien heeft strofe 1 de merkwaardige zin: "voeren twee mannen in mij strijd".
Waarom niet liever hier gezegd: "twee mensen" of "twee machten".
Strofe 2 heeft de onduidelijke uitdrukking: "afgezant van 't kwade".
De melodie is prachtig, hoewel niet eenvoudig.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 89 In dit Lied is, overeenstemmend met Rom. 8 : 18-24a, de hoop van Gods volk met betrekking tot het zuchten van de Schepping naar de verlossing goed weergegeven. "Wie zijn ogen maar open heeft ... zal zien hoezeer wij mensen ons als overheersers en onderdrukkers gedragen - wij Adam, aan wie God Zijn Schepping heeft toevertrouwd.': (Comp, p. 291).
De melodie is mooi. Als teleenheid neme men liefst de kwartnoot en het tempo niet te hoog.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 90 De tekst van dit Lied wordt gekenmerkt door verschillende onjuiste en onvolkomen elementen. Zo heeft o.m. strofe 1: "wat mij kwelt wordt klein", waar de bedoeling zal zijn: "de last wordt licht". In strofe 2 wordt gezegd: "dat Hij geen kwaad kan willen" en strofe 5 heeft: "Ja ik wil dapper wezen" en strofe 11: "ik lach en loop te zingen in louter zonneschijn". Zo heeft elke strofe bij nader inzien wel iets onvolkomens, terwijl het geheel min of meer piëtistisch van inslag is.
De melodie is goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Een waarderingsoordeel is vastgelegd in een becijfering van 1 t/m 3. En wel als volgt:
A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterk piëtistische inslag; bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
het cijfer 2 het cijfer 3.
B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 het cijfer 2 voor een niet-aanvaardbare melodie; voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.