Tot voortgang van het Evangelie

1980-05-16
  • Jaargang 24
  • nummer 20
Geeft God ons rekenschap .van zijn daden? zo vraag je je wel eens af en maar al te vaak ben je direct geneigd om "nee” te zeggen: Nee, God geeft ons geen rekenschap van wat HIJ doet. Maar is dat nu wel zo? We hebben in het boek "de Openbaring aan Johannes" toch een boek voor ons liggen waarin Christus zijn gemeente niet alleen de dingen toont die in deze wereld gebeuren zullen, maar ook nog waarom en waartoe ze gebeuren zullen. God geeft in dit laatste bijbelboek steeds weer rekenschap van Zijn daden.
En wij vragen ons af: "Waarom laat God dat nu allemaal toe? Hoe kan een liefdevolle Heiland nu deze wereld regeren en het dan voor veel van zijn kinderen zo moeilijk maken? Ik begrijp er niks van. Maar ja, God is nu eenmaal een onbegrijpelijk God, Hij is groot, en wij begrijpen het met". Inderdaad: Hèm begrijpen we niet en er zal altijd iets raadselachtigs zijn en blijven in veel van hetgeen God doet. Maar, hoe het met Zijn kerk en Zijn woord door de wereldgeschiedenis heen zal gaan, heeft God ons toch wel bekend gemaakt. Jezus Christus wil dat wij de werkelijkheid van zijn heerschappij zien en geloven opdat wij een juiste kijk op de wereld, waarin wij leven zouden hebben, Daarom werd aan Johannes niet alleen getoond, hoe allerlei rampen van Gods troon uitgaan, en dat alles in Christus' handen is, maar ook waartoe het allemaal moet dienen, wat Christus ermee wil bereiken.
Het Lam gaat de zegels van het boek van Gods plan verbreken; dat boek gaat open en alles wat er in staat wordt werkelijkheid. Bij het openen van de eerste vier zegels roept telkens een van de vier dieren (zie Open. 4 : 7, 8) met luider stem: Kom! En telkens komt dan een paard op, met een berijder, dat van de troon van God de wereld intrekt.
Voorop gaat een wit paard en zijn berijder heeft een boog en krijgt een kroon, "en hij trekt uit, overwinnend en om te overwinnen". Dit witte paard met zijn berijder is symbool van de gang van het Evangelie over de aarde, zoals dat Evangelie vanaf Christus' hemelvaart tot aan zijn wederkomst uitgaat tot alle mensen en alle volken. Dat witte paard gaat vooraan. Dat betekent niet, dat eerst overal in de wereld het Evangelie gepredikt zal worden, vóór al die andere paarden met Gods oordelen komen. De opening van de zeven zegels spreekt niet van zeven perioden die precies zo achter elkaar zullen komen. Het gaat in het boek Openb. niet om een gedetailleerde blauwdruk van de toekomst, niet om een programma van de wereldgeschiedenis, dat precies zo achter elkaar afgewerkt zal worden. Het gaat er wel om, dat wij achter de dingen leren kijken, de zaken op een ander nivo leren bezien, dat wil het boek Openb. ons leren. De dingen die ons bij de opening van deze eerste vier zegels worden meegedeeld, gebeuren dus niet zó achter elkaar in de eerste vier wereldperioden, om dan in de volgende drie tijdperken niet weer op te treden. Deze dingen gebeuren naast elkaar in alle tijdperken, waarin we de geschiedenis kunnen verdelen. En toch gaat dat witte paard voorop. Dat is toch het eerste. Maar het gaat niet om de volgorde, maar meer om de rangorde. Allerlei verschrikkingen komen van de troon van God. over deze wereld aangesneld. Wij moeten echter goed begrijpen: dat witte paard en zijn berijder, daar gaat het om. Al die dingen komen op ons af, opdat· het Evangelie van Jezus Christus zijn loop zal hebben over de aarde en steeds nieuwe overwinningen aan de al behaalde zal toevoegen. Dat Evangelie heeft een strijd te voeren op de aarde. Want wij mensen, geven ons niet zo maar gewonnen aan Jezus Christus. Wij verzetten ons telkens tegen het woord van God.
Wij willen niet luisteren en verontschuldigen ons met allerlei uitvluchten. We pakken Gods liefde in Christus niet aan; we willen liever eerst nog een poosje onze oude natuur volgen. Er moet soms heel wat gebeuren voordat een mens zich overgeeft en gehoorzaam wordt aan wat God zegt. De berijder van het witte paard heeft een boog, niet een zwaard, zoals aan de berijder van het rossige paard gegeven werd. Het Evangelie wil een mens niet doden, alleen maar raken zodat die mens gaat begrijpen: het is voor mij bedoeld, het was op mij gemunt.
Zo heeft het Evangelie een strijd met ons te voeren, met ons allemaal, ook al zijn we er als kind bij opgevoed en zijn we trouwe kerkgangers en luisteren we met graagte naar alles wat over God verteld wordt, nog steeds heeft het Evangelie een strijd met ons te voeren, om ons in de praktijk van het dagelijkse leven te leren gehoorzamen.
Mensen moeten overwonnen worden door het Evangelie.
Voor het eerst en dan telkens opnieuw. Maar Goddank, die berijder van het witte paard voegt de ene overwinning bij de andere. Waar het Evangelie een mens aangrijpt en met zijn pijl in het hart raakt, daar wordt een mens, uiteindelijk, klein en verslagen, daar levert een mens tenslotte toch zijn eigen wapens in en geeft zich over. Want het is het Evangelie van Jezus Christus, van Hem die alle macht heeft in hemel en op aarde. Maar het hart van een mens geeft zich niet zomaar over. En daarom brengt het Evangelie hulptroepen in stelling; wonderlijke, verschrikkelijke hulptroepen zijn het; sombere paarden, die achter dat witte paard aankomen: een rossig paard en zijn berijder neemt de vrede weg van de aarde, zodat de mensen elkaar afslachten, verwarring, opstand, oorlog vloeien daaruit voort. Daarachter volgt het zwarte paard...het ziet zwart van de honger. Zijn berijder houdt een weegschaal in z'n hard: het voedsel wordt nauwkeurig uitgemeten, want er is schaarste, en wat er nog is, is duur.
Daarachter komt nog het ergste, een vaal paard, geel-grijs, afschrikwekkend-lelijk. En de dood zit er boven op! En het dodenrijk komt zijn buit binnenhalen. De dood maait neer en het dodenrijk haalt binnen.
Zo komen de hulptroepen van het Evangelie; ze schrikken de mensen op; ze doen de mensen breken met de gedachte dat hier, op deze aarde, het ware geluk te vinden zou zijn; zo kan Jezus Christus de moeiten van onze eigen tijd gebruiken om harten van mensen te breken en op Hem te richten en leren Hem om genade te smeken, in ootmoed en ontzag. Dàt wil Hij nl., dat we doen, ons verootmoedigen en dicht bij Hem leven, want Hij wil een toevlucht zijn voor al de Zijnen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief