De vreugde, die blijft
1980-05-16
Er is een toenemende belangstelling in onze tijd voor de gehandicapte medemens.- Jaargang 24
- nummer 20
Er is sprake ook van een andere kijk op zwakzinnigheid.
Dikwijls vanwege het idealistische: alle mensen zijn eigenlijk gelijk. Denkend op basis van het verbond hebben we een andere kijk op zwakzinnigheid. Ook anders dan je soms vindt bij de rechtzinnigheid. Hoeveel ouders zijn juist in onze kringen niet door hun gehandicapte kind geworpen op de beloftes! Hoe vaak werd niet door het kind de levensweg, soms de kerkelijke weg, van de ouders bepaald, en ook van anderen die tot de hofhouding (om met ps. 113 te spreken) van een prinses of prins der kerk behoorden. Daarom geven we hier, als van meer dan plaatselijke betekenis, de woorden weer die door zijn vader werden gezegd bij de begrafenis van Abraham Gilles Knol, geboren 19 juli 1965, overleden 15 maart 1980.
Wie zal niet wenen, als hij van de Heer van hemel en aarde 'n gehandicapt kind krijgt toevertrouwd?
Immers, het gehandicapt zijn spreekt van verwording, getuigt van een doorwerking van de afval en van de ruimte die aan het demonische in deze wereld nog is gegeven.
In het gehandicapte kind komt toch, óók al willen wij dat niet weten, het demonische naar voren. Want van de beginne is het alzo niet geweest. In het gehandicapt zijn kom het "onnatuurlijke" naar voren. Het niet-zijn zoals God het alles heeft bedoeld.
Wie zal dan niet wenen?
Maar het verdriet, het leed heeft niet het laatste woord. Want achter het demonische van elke handicap zien we de evangelische, de blijde toekomst opdoemen, Stil maar, wacht maar. Alles wordt nieuw.
De hemel en de aarde.
In het leven van onze Bram heeft het beginsel van deze toekomst gestalte gekregen.
In het leven van onze Bram brak iets van de zinvolheid van het leven door.
Wij, vader en moeder, broer en zussen, verpleegsters uit Zeeland en verpleegsters uit Zwammerdam, wij mochten alle naasten zijn voor Bram.
En het kostte ons niet de minste moeite om de naaste te zijn van Bram. En hij liet zich dit welgevallen.
Hij verstond de kunst om zich te laten verzorgen.
In zijn wereld was het naaste zijn voor hem normaal.
Omdat het zo behoort.
Omdat de mens zo behoort te zijn.
En zo werd in dit gehandicapte leven iets openbaar van de maatschappij der toekomst, waarin het naaste zijn geen probleem meer zal zijn.
Wie zal dan niet juichen?
Wie zal niet wenen wanneer de mens een kind gaat begraven?
Want het graf spreekt van de fundamentele mislukking van de mens om als God te zijn.
En wat is er voor de mens overgebleven op deze wereld?
De dood die de mens met al zijn plannen niet voor kan blijven, Wat overblijft is het graf dat pas op de jongste dag zal zeggen: het is genoeg.
Wie zal dan niet wenen?
Maar ook hier heerst het evangelie, de blijde boodschap.
Wie zal niet juichen als hij boven het graf van zijn kind ziet gloren, de gloriekroon, die eeuwig bloeit op het hoofd van Davids grote Zoon.
Zaterdag is Bram, niet aan de hand van zijn vader of van zijn moeder, niet aan de hand van Carolien of aan de hand van zijn favoriete Louise uit Zwammerdam, maar aan de hand van zijn grote Naaste, de kindervriend, opgegaan naar Gods altaren. Normaal, zoals het behoort. Zoals de mens behoort te gaan.
Tot God, de Bron van vreugd.
Die vreugde blijft.
De vreugde van de nabijheid van die God, die Zijn Verbond onderhoudt van geslacht tot geslacht en sluit van kind tot kind.
De vreugde van de nabijheid van die God, die ruim veertien jaar geleden, een verbond sloot met Abraham Gilles,
Zijn Vrind.