De knechten Gods worden verzegeld

1980-05-23
  • Jaargang 24
  • nummer 21
Zes van de zeven zegels van het boek van Gods plan heeft Johannes al zien opengaan. Wat een ellende betekende 'dat voor de aarde! En nog is het einde er niet. Want met één zegel zit het boek nog vast. Het ergste moet nog komen.
Maar voor het Lam het laatste zegel openen gaat ziet J0hannes eerst nog iets wat een oorzaak is van grote troost voor de gemeenten in hun nood en ellende: de knechten Gods worden verzegeld met het zegel van de levende God. Al die noden, die Johannes zag en nog zien zal, kunnen Gods knechten nooit werkelijke schade doen. Ze worden gestempeld als Christus' persoonlijk eigendom. Hoe erg het allemaal ook is en nog worden gaat, hoe intens de bestrijding en de vervolging ook zijn mogen, - ze zijn verzegeld.
Ze hebben het waarmerk van de echtheid van de verbondenheid aan Christus, van Christus' band aan hen die niet verbroken kan worden. Niets kan hen ooit scheiden van Zijn liefde. Niemand rukt hen ooit uit Zijn hand. Verzegeld, d.i. onaantastbaar, onschendbaar. Hun ware leven hun zijn in Christus, kan nooit beschadigd worden. ' Dat wordt aan Johannes geopenbaard, om de knechten Gods daarmee te troosten.
Op elk van de vier hoeken van de aarde ziet Johannes een engel staan, die de winden vasthouden, zoals die uit de verschillende richtingen kunnen komen. Deze winden beduiden niet alleen maar cyclonen of orkanen, maar symboliseren verschrikkingen van allerlei aard die over heel de oppervlakte van de aarde op de mensheid kunnen komen afstormen. Zoals de wind alles aangrijpt en meesleurt in zijn onweerstaanbare kracht, zo komt allerlei ellende van alle kanten over heel de aarde. In het visioen houden de vier engelen de winden nog vast. Slechts één wenk van Christus en ze laten ze los om te waaien over de landen der aarde. Maar - dat bevel komt nog niet af. Integendeel, Johannes ziet een andere engel verschijnen van de opgang lier zon. "Het dag het in den Oosten... ". Deze engel komt naderbij en heeft het zegel van de levende God bij zich. Hij roept luid tot de vier engelen op de vier hoeken van de aarde: "beschadigt de aarde niet, en de zee niet en de bomen niet, voordat wij de knechten van onze God verzegeld hebben aan hun voorhoofd". Verzegeld, dus eigendom van God; verzegeld, dus onschendbaar voor alle rampen.
Betekent dat alles nu, dat als die vier winden straks over de aarde razen en alles vernielen, huizen, schepen, bomen, Gods knechten niet getroffen worden? Dat hun huizen, hun schepen en de bomen in hun tuin de stormen zullen overleven en niet zullen instorten of vergaan of breken?
Natuurlijk niet. Dat leert de praktijk van elke dag ons wel beter en anders. Gods kinderen treft de ellende evengoed als alle anderen. Ze krijgen zelfs als volgelingen van Jezus er nog vervolgingen en bedreigingen bij. De dienst aan God is geen waarborg voor veiligheid, maar maakt ons juist erg kwetsbaar te midden van mensen die niet naar God en zijn gebod vragen. Er is ons nergens beloofd dat God op het gebed een bepaalde familie of een bepaald volk zal bewaren voor het verlies van alles. Maar wel belooft de Here ons: wat ons ook treft, niets zal ons scheiden van de liefde van God in Christus. Het waarachtige leven, het in Jezus Christus zijn, zal ons niet ontroofd kunnen worden.
Dàt betekent die verzegeling. Niets kan ons ooit deze troost ontnemen, al zijn er nog zoveel dingen die proberen ons die troost te ontnemen. Zoals de duivel, die probeert de gelovigen op te zetten tegen God met vragen als: is dat nu liefde? Als God nu zo machtig is, waarom helpt Hij dan niet? Wat heb je nu eigenlijk aan je geloof, als je toch altijd zo in de narigheid zit? Is dat de dank voor je trouw, voor de ijver die je altijd aan de dag legt voor de kerk?
Zo wil de duivel ons prikkelen tot ontevredenheid over de leiding van God in ons leven, tot verzet, tot opstand, tot loslating van God. Het wordt ons soms wel erg moeilijk gemaakt. Wat ons betreft, wij zijn heel zwak, wij zouden van onszelf zeker uitglijden en vallen - om dan ook nooit meer op te staan. Maar God is getrouw. Hij bewaart al Zijn verzegelden. Hij laat ons tenslotte nooit verzocht worden boven wat wij uithouden kunnen. Hij kent ons wel. Wij zijn van onszelf niet zo trouw, maar Zijn onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen (Ps. 89, in de oude berijming).
We volharden alleen maar, omdat we bewaard worden. Gods zegel zegt: het zijn Mijn kinderen en het blijven Mijn kinderen. God zal zijn werk voor en in ons voleindigen. Daartoe schonk Hij ons zijn Geest en drukt Hij zijn beeld, zijn trouw in ons. Het is het zegel van de levende God; de God, die er is, die Zich openbaart en antwoord geeft. Omdat God de levende God is, kunnen de Zijnen ook leven.
Over het getal van deze verzegelden van 144.000 en wie er mee bedoeld zijn is veel geschreven. Omdat in het vervolg van dit hoofdstuk ons een ontelbare schare uit alle volk en stammen en natiën en talen getekend wordt, menen velen dat het hier alleen over christenen uit de Joden gaat, terwijl dan met· die ontelbare schare de christenen uit de heidenen bedoeld zouden zijn.
Er is echter geen dwingende reden om te menen dat de dienstknechten van God uit de heidenen van deze verzegeling uitgesloten zouden zijn en ook niet om te menen dat bij het volgende "alle talen en volken" de Joden-christenen uitgesloten zouden zijn.
De twaalf stammen van de kinderen Israëls vormen hier de symbolische aanduiding van heel het volk van God. Het is ook niet nodig om te menen dat die 144.000 in zeer bijzondere zin dienstknechten van God zijn, nl. zij die wegens hun vervolging of martelaarschap het bijzondere voorrecht der verzegeling gekregen hebben. Het lijkt juister te zeggen dat zowel hier als in het vervolg van dit hoofdstuk over al Gods kinderen gesproken wordt. Het mag voor ons een ontelbare schare zijn: Het kan ons een troost zijn dat" de Here al de lijnen kent en geteld heeft en leidt ook in die dagen dat de nood hoog wordt. Juist dan vestigt Hij onze aandacht nog eens nadrukkelijk op die verzegeling.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief