Jonge kerk

1980-05-23
  • Jaargang 24
  • nummer 21
Thuis zei ik, dat ik er niks aan vond. M’n ouders reageerden daarop met de opmerking, dat er dus niks was aan mij. Want door zo te spreken, velde ik een vonnis over mezelf. Als je ergens lid van bent, kun je over de vereniging waar je deel uitmaakt, niet meer op een afstand oordelen. Is de vereniging saai, dan ben jij daar mede verantwoordelijk voor. Eigenlijk oordeel je uit de hoogte, vonden ze. Ik heb de les geleerd. Zo vind ik de stelling, dat de kerk de jeugd niet meer bereikt (zie de pastorale notitie van vorige week), niet juist. De jeugd behoeft niet bereikt te worden. De kerk moet geen moeite doen om haar te werven of te winnen, want zij behoort tot de gemeente. In de jaren dertig en veertig sprak het vanzelf, dat een gereformeerde jongen naar de jongelingsvereniging ging, zodra hij zestien geworden was. Ik dus ook. Maar na een half jaar lid geweest te zijn, wilde ik dan nu over de jeugd van de kérk. Maar de spreker op de dag van de Evangelische Alliantie bedoelde de structuur van de kerk en misschien ook wel de preek en de manier van samenkomen. "De kerk heeft een tekort aan creatief vermogen". We moeten daar als kerkenraad maar serieus over spreken met jongeren. Onze scriba had het krantenknipsel bij de ingekomen stukken gelegd. We hebben enkele gesprekken gehad met jongens en meisjes. Het is ook wel gebeurd dat ze vrienden of een vriendin uit een andere kerk hadden meegenomen. De laatste keer heeft één van de jongens een dankgebed uitgesproken aan het einde van de vergadering. Het blijkt, dat het de jeugd niet gaat om een drumstel in de kerk of hierom, dat ze zelf aan het woord moeten komen in de dienst, maar om heel andere zaken. Waarover later.
Wonderlijk genoeg in deze tijd, dat ze, ondanks alle diepgaande kritiek, gehoorzamen willen aan Petrus’ gebod: “Gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten”. En de oudsten willen écht de kudde Gods hoeden, “niet als heerschappij voerend”.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief