Zijn alle godsdiensten gelijk?
1980-05-23
d. de Godsopenbaring in Christus is niet exclusief wèl normatief.- Jaargang 24
- nummer 21
In dit vierde en voorlaatste artikel over de vraag: zijn alle godsdiensten gelijk? komen wij nu toe aan een bijbelse beoordeling van de wereld van religies.
Haast dagelijks komen wij via krant en journaal in aanraking met mohammedanen of hindoes, of mensen van welke andere religie ook. Hoe moeten wij, overtuigd van de uniekheid van het evangelie (me het vorige artikel) nu deze wereld van religies beoordelen? Als louter dwaling?
In de lijn van Tertullianus en de Reformatoren. Of als "praeparatio evangelica"als een stuk voorbereiding op het ontvangen van het evangelie? In de lijn van de Katholieke traditie vanaf de apologeten. Wij gaan voor deze vraag terug naar de bijbel.
I. de Schrift leert ons duidelijk dat de God die wij op een unieke wijze 'leren kennen in het aangezicht van Christus de Schepper is van de gehele wereld en van à:lle volkeren. In Gen. 1-11 wordt ons geleerd hoe alle volkeren uit Zijn scheppende hand voortkomen en hoe Hij na de zondvloed zelfs een verbond opricht met alle levende wezens die op de aarde zijn. Een verbond, dat hen voor de totale ondergang bewaart.
God is dus niet exclusief bezig met Israël en de gemeente van Christus. Hij is de Schepper van de einden der aarde en Zijn scheppingsmacht wordt uit a:l zijn werken zichtbaar. Psalm 19 in het O.T. en Romeinen 1 : 19 e.v. spreken ons van een God, die zich klaar en helder als Schepper doet kennen in het werk van Zijn handen. "Op allerlei wijze blijft de werkelijkheid, hoe fragmentarisch.
incidenteel en hoe gebroken ook, getuigenis afleggen van de bedoeling van Zijn schepper".
Als dat zó is, zegt prof. Berkhof, beantwoordt er aan de dorst van de mens naar het 'absolute een realiteit. "Dan kan het ook niet 'anders of de mens die met deze dorst rondgaat in zijn werkelijkheid, moet daarin telkens weer stralen, seinen, openbaringen van Gods aard en bedoelingen opvangen. Juist omdat wij geloven, dat Jezus Ohristus de centrale openbaring is van de Schepper van déze wereld, kunnen wij niet geloven dat er buiten hem en buiten de geschiedenis waarin hij centraal staat geen enkel bevroeden van deze centrale scheppingswil zou bestaan." (Christelijk geloof, blz. 30). Het is opvallend dat Paulus dit nadrukkelijk verkondigd aan de heidenen in Lystra (Handelingen 14 : 16 e.v.): meteen beroep op God de Schepper, (vs. 15) zegt hij 'tegen hen: die God heeft zich niet onbetuigd gelaten door wèl te doen, door U van de hemel regen 'en onvruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid."
Toch betekent dat voor Paulus nooit een verzwakking van zijn drijfveer om met het risico van zijn eigen leven hen het evangelie te verkondigen.
Integendeel: hij zegt: juist omdat God zich al zo lang met jullie bemoeit, juist daarom kom ik u nu die God verkondigen zoals Hij in Christus 'zich heeft doen kennen 'als Hij is juist ook voor jullie allen, die die waarheid, die jullie bezaten in ongerechtigheid 'ten onder gehouden hebt. (Rorn. 1 : 18).
De God die jullie al tastende zoeken zegt hij in Hand. 17: 27, die verkondigen wij u. Er ligt een spanning in de bijbel zèlf als zij spreekt over de wereld van de religies: er is sprake van een enerzijds, anderzijds. Enerzijds laat God zich niet onbetuigd, 'anderzijds springen de mensen met deze sporen van Godskennis in de wereld onverantwoordelijk om: zij buigen die om, of leggen ze verkeerd uit, of verbinden ze met veel eigen bedenkselen enz. enz. Maar dit enerzijds-anderzijds bewaart ons voor een keus tussen de in de inleiding van dit artikel genoemde twee lijnen.
Vanuit de bijbel gezien is het nu juist de kern van de zaak dat wij die twee lijnen niet los van elkaar zien - maar zowel het één als het ander zeggen. Zowel: er is veel waarheid in de wereld van de religies, als: maar het is niet waar dat mensen met deze waarheid goed zijn omgesprongen. (Rom. 1: 18 e.v.). Of zoals anderen het wel eens hebben uitgedrukt: de religies van de volkeren zijn de menselijke antwoorden op de goddelijke scheppingsopenbaring.
AH een de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus helpt de volkeren om het waarheidslicht dat zij voorheen à:l zagen via het éne goede venster van Christus nu in zijn ware aard en bedoeling te verstaan. Daarom spreekt prof. H. Berkhof hier met twee woorden. Gods openbaring in Christus, in de Schrift, is niet exclusief, maar wel normatief. Een aanduiding die ik graag met instemming aan u doorgeef.
"Wereldraad van Kerken"
Tenslotte bij dit punt I nog één kanttekening: Er is vandaag een tendens om prof. Berkhof wel bij te vallen in het eerste (niet exclusief) maar niet in het 'tweede (wel normatief). Ik verwijs hier naar stelling III in het boek van H. Küng "Bestaat God", blz. 673. "Vanwege deze waarheid (die ik zojuist scheppingsopenbaring noemde, W.R.) kunnen de mensen in de wereldgodsdiensten ondanks veel onwaarheden, ondanks polytheïsme, magie, gehoorzaamheid aan de natuur, en bijgeloof, hel eeuwige heil verkrijgen." Hier staat de balans door naar de ene kant. Normatief betekent: alleen Christus is de norm, bron en brug naar de echte kennis van de Here die hemel en aarde geschapen heeft. Zonder de kennis van Hem is er geen eeuwigheid, Wij lezen dat in Joh. 3 : 36. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Doch wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Het is deze 3e stelling van Küng op blz. 673 van zijn boek die de deur opent naar de dialoog in plaats van zending. Zij ondermijnt de drang tot evangelieverkondiging aan alle volken. "De liefde van Christus dringt ons daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven, dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen is gestorven en opgestaan" (2 Cor. 5 : ·14 e.v.). Christus' liefde is universeel: zij gaat uit naar alle volkeren en alle mensen: maar zij dringt wel tot verzoening: Wij zijn dus gezanten van Christus alsof God door onze mond u vermaande: laat u met God verzoenen. (2 Cor. 5 : 20). Zonder die verzoening is er voor de volkeren geen eeuwig heil. De Wereldraad van Kerken ligt op dit punt vaak meer op de lijn van H. Küng en dreigt steeds meer 2 Cor. 5 : 20 e.v. uit het oog te verliezen. Dan wordt zending dialoog en zendingswerk ontwikkelingshulp en de mensen die het evangelie niet kennen krijgen stenen in plaats van brood.
Geestelijk gezien.
"Evangelicals"
Aan de andere kant is veel evangeIieverkondiging en zendingswerk - dit als kritiek op de Evangelicals - voorbijgegaan aan de waarheid van het eerste deel van de zinsnede nl. dat Gods openbaring in Christus niet exclusief is. Heel vaak is men bij zendingswerk en evangelisatiewerk geheel voorbijgegaan aan de unieke gaven en diepe religieuze en culturele waarden van de mens tot wie men sprak. Op dit punt las ik een mooie gelijkenis in het goede Duitse tijdschrift "Offensive": een paar mannen gingen op zoek naar ivoor en drongen de binnenlanden van Afrika binnen. Ze zagen iets blinken tussen de bladeren van het oerwoud en wisten uit verslagen van anderen dat er ivoor móest zijn. Maar toen zij het tenslotte voor zich zagen, bleek dat er een hele olifant aan dat ivoor vast zat en dat zij om het ivoor te bernachtigen aan de olifant niet voorbij konden gaan.
Als u deze gelijkenis over brengt op de zendings- en evangelisatie-ijver die zoekt naar ivoor: naar mensenharten die gewonen moeten worden voor Christus: zielen die moeten worden gered -en ik geloof dat dat 'Voor 100% onze opdracht is (2 Cor. 5), - dan maakt deze gelijkenis wel duidelijk dat er aan dat "ivoor" héle mensen vastzitten en dat het zonder de confrontatie met deze gehele mens nièt te verkrijgen is. Dat betekent dat wij 'als zendelingen of evangelisten maar niet zó over de waarden van die mens wiens ivoor wij zoeken heen mogen walsen. Wij zullen hen in hoog respect moeten behandelen: als diepe, echte levende mensen, die anders zijn dan wij, maar die vaak heel diepe dingen beter hebben begrepen dan wij. Zendelingen en evangelisten kunnen niet anders dan verkondigers en luisteraars zijn, tegelijk, en als zij alleen het eerste en niet het laatste willen zijn, dan denken zij in feite te klein van God die ook in deze culturen zijn sporen getrokken heeft.
Op dit punt wil ik een positief woord spreken over H. Küng en zijn boek "Bestaat God". Want hier is wèl een man aan het woord die geluisterd heeft. Het hoofdstuk G I De God van de niet-christelijke godsdiensten, blz. 631 e.v. is een helder hoofdstuk waarin Küng opsomt welke diepe en grote waarheden in het "Oosten" worden gevonden die aan ons lijken te zijn voorbijgegaan: bijv. het diepe inzicht in de eenheid van alle dingen - hoe micro-kosmos en macro-kosmos met elkaar onlosmakelijk samenhangen (zie het bekende I Ging), de betekenis van de stilte en het zwijgen voor een God, die begrippen en uitspraken te boven gaat etc. Ik eindig met een citaat van Küng dat ik met instemming aanhaal. "Het Oosten reikt aan het christendom denk- en gestalte vormen, structuren en modellen aan, waarin het christendom net zó gedacht en geleefd zou kunnen worden als in het Westen. In ieder geval zal het christendom in de éne wereld van morgen, die minder dan ooit alleen maar een westerse zal zijn, toekomst hebben, slechts 'dan: wanneer een christelijke verkondiging vanuit deze Aziatische en Afrikaanse landen zelf zal opkomen, die bij alle waarzaamheid tegenover syncretistische onverschilligheid tolerantie inhoudt. Bij alle aanspraken op onvoorwaardelijke geldigheid bereid is tot herziening van het eigen standpunt, wanneer dus een echt Indisch, Cchinees, Japans, Indonesisch, Arabisch, Afrikaans christendom mogelijk en werkelijk zal zijn...", blz. 647.
In het volgende en laatste artikel kom ik pas toe aan het punt II, wat zal gaan over de vraag of alle mensen buiten het christendom voor eeuwig verloren gaan. aan de catechese van die dagen voldoet het. Maar het geeft geen directe band aan Gods Woord, aan de HERE, Die Zijn gemeenteook in het avondmaal - tegemoetkomt en dáárin haar geloof bevestigt en versterkt. Het boek paste duidelijk in de tijd, waarin het verscheen, niet enkel door zijn fraaie uitvoering en prijs (f 2,75, 180 blz.). Het was een tijd, waarin veel (ook veel goeds) óver Gods W'ÜO'ro werd gezegd, waarin het gereformeerde leven putte uit een groots verleden van Afscheiding en Doleantie, teruggreep naar de reformatie van de 16e eeuwen waarin ook wel telkens het appèl klonk op een godzalig leven. Maar het bleef zo zoveel bij beschouwingen. Levenskracht en frisheid ontbraken. Het was dan ook raak getypeerd, dat van het boek werd gezegd "het trekt de geestelijke lijn zuiver" en "het wijst het goede Gereformeerde spoor tegenover verschillende uitersten". Dat was nu juist de armoede,
En daarna
Wat is er sindsdien veel gebeurd! Het leven van en in de gereformeerde kerkgemeenschap van thans doet weinig herinneren aan dat van vóór de wereldoorlog. In de vrijmaking en daarna heeft de HERE door veel gebrekkig en zondig mensenhandelen heen - omgezien naar Zijn volk en het opnieuw tot zich getrokken. Hij heeft ons Zijn Woord (om zo te zeggen) teruggegeven. Dat goede Woord, dat leven is en ten leven leidt (Deut. 8: 3).Het Woord, dat ons wijs maakt tot zaligheid (1 Tim. 3: 15), brood voor het leven, zoals de gehele psalm 119 dat bezingt. En dát is onder ons openbaar geworden, in prediking en leven. We prijzen onze God daarvoor, want we zien de werkelijkheid van Hebr. 4: 12 "Want het woordt Godts is levendigh ende crachtig" en daarbij schreven de kanttekenaars "namelijk door de werkinge des Heyligen Geests, die dit leven ende kracht daer door in onze herten openbaert." Je mag het wellicht niet zo absoluut stellen, maar toén en dáárdoor waren tegelijk ook veel vragen rond het avondmaal verdwenen, Het is Gods ontferming, die zichtbaar en tastbaar in ons midden is, als teken en zegel bij Zijn goede Woord.
Daarover nu handelt een boekje, dat ds M.R. van den Berg schreef en dat vorig najaar bij Kok te Kampen verscheen (f 12,50, 100 blz.) en waaraan we in een volgend stuk enige aandacht zullen geven.